Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI1960

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-04-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers276942 / HA ZA 07-208
Statusgepubliceerd


Indicatie

Formele rechtskracht besluit; kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 276942 / HA ZA 07-208 Uitspraak: 14 januari 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, advocaat mr. J.J.A. Bosch, - tegen - de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM, zetelende te Rotterdam, geopposeerde, advocaat mr. R.W. van Harmelen. Partijen blijven verder aangeduid als "[opposant]" respectievelijk "de gemeente". 1 Het verdere verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 juni 2008 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - akte zijdens [opposant] met producties; - antwoordakte zijdens de gemeente. 2 De verdere beoordeling 2.1 Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [opposant] in de gelegenheid gesteld zich bij akte nader uit te laten over de vraag of het hoger beroep van [opposant] in de bestuursrechtelijke procedure een kans van slagen heeft, waarop de gemeente bij antwoordakte kan reageren. 2.2 [opposant] heeft bij akte na tussenvonnis gesteld dat in de bestuursrechtelijke procedure in hoger beroep inmiddels uitspraak is gedaan en heeft daarbij tevens een kopie van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2007 in het geding gebracht. De gemeente heeft bij antwoordakte gesteld dat nu het hoger beroep van [opposant] in de bestuurs-rechtelijke procedure ongegrond verklaard is, daarmee het besluit van de gemeente van 12 oktober 2005 onherroepelijk is geworden, zodat de bij het tussenvonnis opgeworpen vraag of de hoger beroepprocedure een kans van slagen heeft inmiddels is achterhaald. 2.3 Uit de door [opposant] bij akte na tussenvonnis overgelegde kopie van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2007 blijkt dat het hoger beroep van [opposant] tegen de uitspraak van de bestuursrechter van 21 februari 2007 ongegrond is verklaard. Daarmee heeft het besluit van de gemeente van 12 oktober 2005 om bestuursdwang toe te passen voor het ontmantelen van de op het perceel [adres] te [woonplaats] aangetroffen hennepkwekerij, waarbij tevens is beslist dat de kosten van toepassing van bestuursdwang voor rekening van [opposant] komen, formele rechtskracht verkregen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan in de onderhavige verzet-procedure de rechtmatigheid van dit besluit niet meer ter discussie worden gesteld. De rechtbank zal derhalve van de juistheid van de inhoud en de wijze van totstandkoming van het besluit van 12 oktober 2005 uitgaan. 2.4 De rechtbank heeft voor het geval het besluit tot toepassing van bestuursdwang formele rechtskracht heeft verkregen bij voormeld tussenvonnis onder 5.4 overwogen, dat uitgangspunt moet zijn dat [opposant] de kosten verbonden aan de bestuursdwang verschuldigd is en dat dit slechts anders is, indien de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. Vervolgens heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis beoordeeld of de door [opposant] genoemde feiten (zoals vermeld onder 3.1 – 3.7 van dat vonnis) de conclusie rechtvaardigen dat de kosten van bestuursdwang niet (geheel) voor zijn rekening behoren te komen. De rechtbank heeft vervolgens de stellingen van [opposant] ten aanzien van de hoogte van de aan hem in rekening gebrachte kosten van bestuursdwang elk voor zich besproken en geconcludeerd dat deze stellingen onvoldoende gemotiveerd zijn dan wel, gelet op de juridische beoordeling niet ter zake doen. Voorts is geoordeeld dat de kosten voor zover het gaat om de hiervoor genoemde redelijkheidstoets, die toets kunnen doorstaan. 2.5 De rechtbank blijft bij haar oordelen en beslissingen zoals neergelegd in haar tussenvonnis van 18 juni 2008. Het betoog van [opposant] dat duidelijk is dat hij in de beslissing van de Raad van State weliswaar als overtreder wordt aangemerkt, maar niet als veroorzaker van de overtredingen, kan gelet op het vorenstaande [opposant] niet baten; bovendien biedt de beslissing van de Raad van State voor die visie geen aanknopingspunten. Tegen die achtergrond gaat de rechtbank ook voorbij aan de niet nader onderbouwde stellingen van [opposant] bij akte na tussenvonnis dat de kosten van het verwijdering van in de woning aangetroffen zaken nooit zo hoog zijn geweest als door de gemeente is aangegeven en dat de gemeente alleen de belangrijkste technische apparaten heeft weggehaald en heeft laten vernietigen. Verder heeft [opposant] bij akte na tussenvonnis naar voren gebracht dat het de keuze van de gemeente is geweest om in de avonduren te werken en dat deze kosten, indien al gemaakt, niet aan [opposant] in rekening mogen worden gebracht. Ook op dit punt verwijst de rechtbank naar hetgeen zij eerder bij voormeld tussenvonnis (onder 5.11) heeft overwogen en beslist. De stelling van [opposant] bij akte na tussenvonnis dat wordt gehandhaafd de eerder ingenomen stelling dat de gemeente de kosten van het opstellen van de rapportage dubbel in rekening heeft gebracht, kan [opposant] evenmin baten. In het licht van de concrete betwisting door de gemeente heeft [opposant] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken van feiten die moeten leiden tot de conclusie dat [opposant] de kosten van de door de gemeente in rekening gebrachte rapportages niet verschuldigd zou zijn. 2.6 Op grond van het vorenstaande moet de vordering van [opposant] wordt afgewezen. [opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. 3 De beslissing De rechtbank, in oppositie wijst de vordering van [opposant] af; veroordeelt [opposant] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 248,-- aan vast recht en op € 1.152,-- aan salaris voor de advocaat. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten. Uitgesproken in het openbaar. 801/275/106