Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI1941

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-04-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers149822 / HA ZA 08-1151
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bevoegdheid te oordelen over vordering advocaat tot betaling van zijn declaratie: WTBZ van toepassing


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 149822 / HA ZA 08-1151 Vonnis in incident van 14 januari 2009 in de zaak van de naamloze vennootschap NYSINGH ADVOCATEN-NOTARISSEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. A.J.D. Bekius, tegen [A], wonende te [woonplaats], gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. W. Hogenkamp. Partijen zullen hierna Nysingh en [A] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de akte houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens (voorwaardelijk) conclusie van antwoord - de incidentele conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2. Het geschil in het incident 2.1. [A] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vordering. Hij voert daartoe het navolgende aan: De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het geschil omdat de Wet tarieven in burgerlijke Zaken (WTBZ) van toepassing is. [A] en de besloten vennootschappen die de opdracht aan Nysingh hebben verstrekt, kunnen zich absoluut niet verenigen met de hoogte van de gedeclareerde bedragen die in de dagvaarding worden genoemd. De bedragen staan volgens de opdrachtgevers van Nysingh in geen verhouding tot de door Nysingh verrichte werkzaamheden. De opdrachtgevers, bij monde van [A], hebben hiertegen meerdere malen gereclameerd. 2.2. De WTBZ is volgens Nysingh niet van toepassing. [A] heeft voorafgaand aan de uitgebrachte dagvaarding niet gereclameerd over de hoogte van de declaraties en bovendien meerdere malen telefonisch aan mr. De Leur meegedeeld de declaraties te zullen voldoen zodra hij de beschikking zou krijgen over liquide middelen. 3. Het geschil in de hoofdzaak 3.1. Nysingh vordert dat de rechtbank [A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van EUR 33.681,18 (een hoofdsom van EUR 27.095,67, een bedrag van EUR 3.875,94 in verband met tot 12 september 2008 verschuldigde wettelijke rente en EUR 2.709,57 wegens buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft Nysingh ten grondslag gelegd - zakelijk weergegeven - : In opdracht van [A] heeft Nysingh, meer in het bijzonder de aan haar kantoor verbonden advocaten mr. J. Liebrand-Bos en mr. J.J.D. de Leur, juridische diensten aan [A] verleend onder toepasselijkheid van bij opdrachtbevestiging d.d. 9 augustus 2005 aan [A] toegezonden algemene voorwaarden van Nysingh. Voor de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden heeft Nysingh eveneens advocatenkantoor Lang & Rahmann en notaris Dr. Jochen Mues uit Duitsland ingeschakeld. [A] heeft de op de werkzaamheden betrekking hebbende declaraties, die hij niet heeft betwist en op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden binnen 14 dagen na factuurdatum had dienen te voldoen, ondanks sommaties onbetaald gelaten. 3.2. [A] voert voorwaardelijk - voor het geval de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering - verweer. Hij betwist contractspartij te zijn, daartoe stellende dat de opdrachten tot het verlenen van juridische diensten zijn verstrekt door Projectontwikkeling Belterwiede B.V. en Make Holding B.V. , aan wie de betalingsherinneringen zijn gericht, en beslist niet door [A] in persoon. Hij betwist de opdrachtbevestiging en bijgeleverde algemene voorwaarden te hebben ontvangen. 4. De beoordeling van het incident 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 4.2. Het geschil in de hoofdzaak betreft een geschil tussen een advocatenkantoor en haar (veronderstelde) cliënt over de betaling van declaraties die betrekking hebben op ten behoeve van de (veronderstelde) cliënt door advocaten en een notaris verrichte werkzaamheden. Het gaat hier, anders dan [A] in het incident poneert, niet om een geschil over de hoogte van de declaraties van een advocaat, in welk geval de WTBZ van toepassing is en de rechtbank zich (ambtshalve) onbevoegd dient te verklaren ter zake van het geschil. Bij voorwaardelijke conclusie van antwoord in de hoofdzaak heeft [A] immers de verschuldigdheid van de declaraties bestreden op de grond dat hij ten aanzien van de declaraties geen contractspartij zou zijn van Nysingh. De bij conclusie van antwoord opgeworpen stelling dat Nysingh ter onderbouwing van haar vordering slechts betalingsherinneringen heeft overgelegd in plaats van facturen en in haar dagvaarding met betrekking tot de juridische diensten die zij heeft verleend op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel uren er zijn gerekend, welk salaris geldt, wat de verschotten zijn en hoe hoog de omzetbelasting is, kan niet worden opgevat als een geschil over de hoogte van de declaraties, nog daargelaten dat feitelijk onjuist is dat Nysingh ter onderbouwing van haar vordering slechts betalingsherinneringen heeft overgelegd. Nysingh heeft immers ook de opdrachtbevestiging van 9 augustus 2005 in het geding gebracht (productie 1 bij dagvaarding) en een kopie van haar algemene voorwaarden (productie 2 bij dagvaarding). Er mag bovendien, nu door [A] niet anders is gesteld, in redelijkheid van worden uitgegaan dat in de declaraties, die voorafgaand aan de betalingsherinneringen zijn verzonden, voldoende is gespecificeerd hoeveel uren er zijn gerekend, wat het uurtarief is, wat de verschotten zijn en hoeveel omzetbelasting in rekening is gebracht. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank zich bevoegd acht het geschil in zijn volle omvang te beoordelen. 4.3. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist. 5. De beslissing De rechtbank: in het incident 5.1. wijst het gevorderde af, 5.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan, in de hoofdzaak 5.3 bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 januari 2009 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie. Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.