
Jurisprudentie
BI0731
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers176513
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers176513
Statusgepubliceerd
Indicatie
Letselschade. Gebrekkige opstal. Kelderluikcriteria. Artikel 6:174 BW, artikel 6:162 BW. Eiseres is op een parkeerterrein gestruikeld over een betonnen drempel.
De rechtbank oordeelt dat indien (na bewijslevering) komt vast te staan dat eiseres, zoals zij stelt maar de bezitter van het parkeerterrein betwist, is gestruikeld over de - slecht zichtbare en op een onverwachte plaats gelegen - ongeschilderde grijze drempel, sprake is van aansprakelijkheid van de bezitter van het parkeerterrein.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 176513 / HA ZA 08-1143
Vonnis van 8 april 2009
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. J.W. Weehuizen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HYPERMARKTEN HOLLAND B.V.,
gevestigd te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,
gedaagde,
advocaat mr. B.M. Stroetinga.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Hypermarkten Holland BV genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2008
- het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2009.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vordering
2.1. [eiseres] vordert – kort gezegd – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Hypermarkten Holland BV aansprakelijk is voor de schade die door het ongeval op zondag 7 november 2004 voor eiseres is ontstaan en nog ontstaat, en te bepalen dat Hypermarkten Holland BV de schade, op te maken bij staat, volledig dient te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten. Primair baseert eiseres haar vordering op artikel 6:174 lid 2 BW, subsidiair op artikel 6:162 BW.
2.2. Hypermarkten Holland BV voert verweer en concludeert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [eiseres] af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. Het geschil en de beoordeling daarvan
3.1. [eiseres] is op 7 november 2004 ten val gekomen terwijl zij liep op een parkeerterrein aan de Nijmeegseweg in Venlo. Hypermarkten Holland BV is bezitter van dit parkeerterrein. In deze procedure gaat het om de vraag of Hypermarkten Holland BV de (letsel)schade die [eiseres] bij deze val heeft opgelopen, dient te vergoeden.
3.2. [eiseres] acht Hypermarkten Holland BV aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW als bezitter van een gebrekkige opstel, dan wel op grond van artikel 6:162 BW omdat Hypermarkten Holland BV een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen.
3.3. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. Wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, is de bezitter van de opstal aansprakelijk, behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen.
3.4. Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, bij verwezenlijking van dat gevaar, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW indien is voldaan aan de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965 (NJ 1966, 136). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd.
3.5. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt het volgende.
Hypermarkten Holland BV is bezitter van het parkeerterrein aan de Nijmeegseweg in Venlo waar [eiseres] is gevallen. Op dit parkeerterrein zijn de parkeervakken met witte belijning aangegeven. Op sommige van deze lijnen zijn tevens grijze betonnen drempels aangebracht. Deze drempels dienen ter markering van de grens tussen de parkeervakken en de rijbanen, en van de grens tussen tegenover elkaar gelegen parkeervakken. De drempels hebben de hoogte van een (lage) stoeprand, zijn afgerond van vorm en de meeste drempels zijn wit geschilderd. Aan het parkeerterrein zijn diverse (grote) winkels en bedrijven gevestigd. Voor de winkels ligt een (gedeeltelijk overdekt) trottoir. Direct aan het trottoir ligt een rij parkeervakken, met de korte zijde tegen het trottoir gelegen. Voor de ingang van elke winkel, althans voor de ingang van de winkel Carpetright, ligt een wegvak dat is voorzien van een groot wit kruis. Op dit vrije vak met kruis mag niet worden geparkeerd, zodat de ingang van de winkel goed toegankelijk is. Op het tweede parkeervak links naast dit vrije vak met kruis voor de ingang van Carpetright (gezien vanaf het parkeerterrein), liggen twee grijze betonnen drempels naast elkaar binnen één parkeervak. Ze liggen niet op de belijning maar binnen het parkeervak, in de lengterichting van het parkeervak (haaks op het trottoir) op een onderlinge afstand van naar schatting een meter. Deze drempels zijn niet wit geschilderd.
3.6. De toedracht van de valpartij staat niet vast. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij op 7 november 2004, een drukke regenachtige koopzondag, haar auto heeft geparkeerd op het parkeerterrein en dat zij, lopend op weg naar Kwantumhallen, ter hoogte van Carpetright ten val is gekomen doordat zij over een betonnen drempel is gestruikeld. Over de precieze locatie van de val bestaat tussen partijen geen overeenstemming.
[eiseres] stelt hierover het volgende. Zij liep over het parkeerterrein in de richting van Kwantumhallen. Ze liep stevig door omdat het regende. Zij dacht bij Carpetright het trottoir te kunnen bereiken omdat daar een vrij parkeervak was. Zowel het parkeervak met de twee ongeschilderde drempels als het links daarnaast gelegen parkeervak (gezien vanaf het parkeerterrein) waren namelijk vrij. Ze is schuin over het linkse parkeervak gelopen en vervolgens languit gevallen over de eerste, meest links gelegen ongeschilderde drempel.
Hypermarkten Holland BV betwist dat [eiseres] over deze drempel is gevallen. Uit verklaringen van de her[L] en [D], twee medewerkers van de firma Carpetright, begrijpt Hypermarkten Holland BV dat [eiseres] is gevallen over de wit geschilderde drempel die is gelegen tegenover Carpetright, aan de overzijde van de rijbaan.
3.7. De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft verklaard dat zij alleen was op het moment dat zij viel. Direct na haar val stond er een mevrouw naast haar, die haar heeft geholpen. Deze vrouw heeft de echtgenoot van [eiseres] gevonden die bij Kwantumhallen was, en samen hebben ze haar de winkel Carpetright binnengebracht. Door [eiseres] is in het geding gebracht een schriftelijke verklaring, opgesteld door de heer [L] van Carpetright, waarin onder meer staat: “Hiermee verklaren en bevestigen wij dat mevrouw [eiseres] op zondag 7 november 2004, koopzondag, ten val is gekomen schuin tegenover onze winkel t.g.v. een drempel die nauwelijks zichtbaar is, laat staan op dagen dat het erg druk is op het parkeerterrein”, en “Wij hebben haar, na een tijd, samen met haar man de winkel ingehaald”, en “het gevaar van deze drempel kennen wij al veel langer”. Uit de omschrijving die de he[L] in zijn verklaring geeft, blijkt niet duidelijk om welke drempel het gaat. De omschrijving “schuin tegenover onze winkel” is onvoldoende bepaald om te kunnen vaststellen dat het hier gaat om de ongeschilderde drempel die in het aan het trottoir grenzende parkeervak schuin voor de ingang ligt, zoals [eiseres] stelt. De omschrijving sluit niet uit dat de heer [L] daarbij het oog heeft gehad op de witte drempel aan de overzijde van de rijbaan, zoals Hypermarkten Holland BV stelt. Het gebruik van het woord “tegenover”, in de betekenis van “aan de overzijde van” zou er immers op kunnen wijzen dat de drempel niet direct voor het trottoir voor de winkel lag, maar aan de overzijde van de straat. Gelet op de betwisting door Hypermarkten Holland BV zal de rechtbank [eiseres] daarom opdragen bewijs te leveren van haar stelling ten aanzien van de plaats waar zij ten val is gekomen.
3.8. Indien [eiseres] zal slagen in het haar op te dragen bewijs, en vast komt te staan dat zij is gestruikeld over de ongeschilderde drempel in het door haar aangegeven vak voor het trottoir, is Hypermarkten Holland BV in beginsel aansprakelijk voor de schade die [eiseres] door de valpartij heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank acht hiertoe in dat geval het volgende redengevend.
3.9. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is van oordeel, dat het parkeerterrein met de daarop aangebrachte drempels een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, waarvan Hypermarkten Holland BV de bezitter is. Een betonnen drempel op een parkeerterrein bergt het gevaar in zich dat daar iemand over struikelt. Het bestaan van een latent gevaar is echter op zichzelf niet voldoende om aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal in het leven te roepen. Relevant is kort gezegd de vraag aan welke veiligheidseisen de opstal van Hypermarkten Holland BV in de hier gegeven omstandigheden diende te voldoen. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die zijn gegeven in het eerdergenoemde Kelderluikarrest.
3.10. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat er vanuit dat het niet ongebruikelijk is om op een parkeerterrein drempels aan te brengen om de parkeervakken van de rijbanen af te bakenen. Deze drempels leveren dan ook in het algemeen geen gevaarzettende situatie op wanneer zij op de plaats liggen waar men ze kan verwachten (op de grens tussen parkeervakken en rijbanen), en zij bovendien duidelijk zichtbaar zijn. Van gebruikers van een parkeerterrein mag immers worden verwacht dat zij een bepaalde mate van oplettendheid betrachten bij het lopen over een openbaar terrein waar men bepaalde - gebruikelijke en goed zichtbare - obstakels kan verwachten.
De drempel echter waarover [eiseres] naar eigen zeggen is gevallen, ligt niet op een plaats waar deze is te verwachten en is bovendien slecht zichtbaar omdat hij dezelfde grijze kleur heeft als de ondergrond waarop hij is gelegen. De drempel ligt in een vak dat is gelegen tussen parkeervakken, dat er gezien de belijning ook uit ziet als een parkeervak en waar men, als in dat vak geen auto staat geparkeerd, geen obstakels behoeft te verwachten. Het opmerken van deze drempel vereist dan ook een verhoogde mate van oplettendheid.
De rechtbank is van oordeel dat Hypermarkten Holland BV bij de inrichting en het beheer van het parkeerterrein heeft kunnen voorzien dat het winkelend publiek niet alleen gebruik zou maken van de vrijgehouden vakken recht voor de ingang van de winkels om het trottoir te bereiken, maar dat men ook lege parkeervakken, waaronder het parkeervak met de twee ongeschilderde drempels, zou gebruiken om door te steken naar het trottoir. Hypermarkten Holland BV heeft er daarbij niet vanuit mogen gaan dat het publiek daarbij altijd de vereiste verhoogde mate van oplettendheid betracht.
Wanneer men bij het passeren van de ongeschilderde drempels niet behoorlijk goed oplet, bestaat de aanmerkelijke kans dat men over een van deze drempels struikelt. Ook al zullen de gevolgen van zo’n valpartij in veel gevallen niet heel ernstig zijn, de kans bestaat dat men ernstig letsel oploopt. Hiertegenover staat dat het voor Hypermarkten Holland BV geenszins bezwaarlijk was om veiligheidsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het wit schilderen van de drempels zodat zij beter zichtbaar zijn (zoals zij de meeste andere drempels ook wit heeft geschilderd), of door het verwijderen van de drempels. De argumenten die door Hypermarkten Holland BV zijn genoemd ter onderbouwing van haar stelling dat de drempels een wezenlijke functie vervullen op parkeerterrein, gelden niet voor de drempels schuin voor de ingang van Carpetright waarover [eiseres] stelt te zijn gevallen. Deze twee drempels markeren geen grens of doorgang. Zoals Hypermarkten Holland BV ter zitting heeft aangegeven is het vak waarin de twee ongeschilderde drempels liggen niet bedoeld als doorgang naar het trottoir of naar de ingang van de winkel. De drempels kunnen dan ook niet dienen als markering van zo’n doorgang. Hypermarkten Holland BV heeft niet kunnen aangeven wat de functie is van de twee ongeschilderde drempels en waarom zij niet wit zijn geschilderd. Ter zitting heeft de huidige beheerder van het parkeerterrein aangegeven dat de drempels destijds mogelijk bedoeld zijn om de plek af te bakenen waar later vlaggenmasten zijn geplaatst. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Gelet op ligging en onderlinge afstand van de drempels, zijn deze in het verleden vermoedelijk gebruikt om de plaats aan te duiden waar winkelwagentjes geparkeerd dienden te worden. Wat daarvan ook zij, dat deze drempels ten tijde hier van belang een wezenlijke functie hadden, is niet gesteld en ook niet aannemelijk geworden.
3.11. Het bovenstaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat de situatie op de parkeerplaats van Hypermarkten Holland BV op de plek waar de twee ongeschilderde drempels liggen waarover [eiseres] naar eigen zeggen is gevallen niet voldoet aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden moet stellen en dat dus sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW, althans dat Hypermarkten Holland BV door de wijze van inrichting van het parkeerterrein een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen die leidt tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.
3.12. Uit het voorgaande volgt dat indien [eiseres] zal slagen in het haar op te dragen bewijs omtrent de plaats waar zij is gevallen, Hypermarkten Holland BV aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de valpartij op 7 november 2004.
Indien [eiseres] daarentegen niet zal slagen in dit bewijs, en niet kan worden vastgesteld dat zij over de slecht zichtbare ongeschilderde drempel voor het trottoir is gevallen, zullen haar vorderingen worden afgewezen.
3.13. Thans zal de rechtbank bij tussenvonnis bedoelde bewijsopdracht aan [eiseres] verstrekken. In dit kader zal (ook) door Hypermarkten Holland BV nog een akte of conclusie genomen worden, waarin Hypermarkten Holland BV dan tevens kan toelichten op grond waarvan zij van mening is dat de schade die [eiseres] lijdt, mede een gevolg is van aan haar toe te rekenen omstandigheden. Nu Hypermarkten Holland BV dit verweer, houdende een beroep op eigen schuld, ter zitting heeft ingeroepen, zal de rechtbank daarover in deze procedure beslissen, en niet eerst in een eventuele schadestaatprocedure, zoals Hypermarkten Holland BV ter zitting aangaf te veronderstellen.
3.14. Indien, na bewijslevering, zal worden geoordeeld dat sprake is van gehele of gedeeltelijke aansprakelijkheid van Hypermarkten Holland BV voor de schade van [eiseres], zal vervolgens de hoogte van die schade moeten worden vastgesteld. [eiseres] heeft aangevoerd dat sprake is van diverse schadeposten, zoals verlies van verdiencapaciteit, verlies van zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp, niet door de zorgpolis gedekte kosten van behandeling en therapie, en smartengeld. Bij [eiseres] is sprake van preëxistente klachten en beperkingen. Ten tijde van haar valpartij ontving zij een WAO-uitkering en was zij bezig met de voorbereiding van de start van een eigen onderneming.
De rechtbank acht de mogelijkheid dat [eiseres] als gevolg van de valpartij op 7 november 2004 schade heeft geleden zonder meer aannemelijk, maar in het dossier ontbreken vooralsnog aanknopingspunten om tot begroting van die schade over te gaan.
De rechtbank zal alsdan de zaak daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals door [eiseres] ook uitdrukkelijk is verzocht, tegen welk verzoek van de zijde van Hypermarkten Holland BV geen bezwaar is gemaakt.
3.15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij op 7 november 2004 is gestruikeld over een ongeschilderde drempel die (gezien vanaf het parkeerterrein) is gelegen links voor de ingang van de winkel Carpetright,
4.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 april 2009 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,
4.3. bepaalt dat [eiseres], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,
4.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met juli 2009 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,
4.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2009.