
Jurisprudentie
BI0685
Datum uitspraak2009-03-05
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2596
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2596
Statusgepubliceerd
Indicatie
Plaatsing. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tenminste 2/3 van de oude taken van eiser terugkomen in de nieuwe functie.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 08/2596
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 5 maart 2009
inzake
[A], eiser,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.A. Billiet-de Jonge,
tegen
de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 23 april 2008.
2. Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2007 heeft verweerder eiser op grond van artikel 57, tweede lid, sub a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 maart 2007 geplaatst op de functie [nieuwe functie], salarisschaal 10.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 23 februari 2007 gehandhaafd onder een aangepaste motivering.
Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 februari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Billiet-de Jonge voornoemd, juridisch adviseur bij het Ambtenarencentrum te Den Haag. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck (arbeidsjurist) en [afdelingshoofd], beiden werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
3. Overwegingen
Eiser is bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in dienst. Met ingang van
1 februari 2003 is eiser benoemd in de functie [oude functie] (salarisschaal 10) bij RWS-Oost Nederland.
In de oude organisatie was sprake van vijf clusters/afdelingen met vijf afdelingshoofden, waar eiser er één van was. Middels een reorganisatie heeft verweerder het aantal afdelingen thans teruggebracht naar drie. Voorts is een zogenaamde was/wordt-lijst opgesteld waarbij de oude functiebenamingen zijn omgezet in nieuwe.
Bij brief van 14 december 2006 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om eiser per 1 april 2007, of zoveel eerder, te plaatsen op de functie [nieuwe functie].
Bij brief van 2 januari 2007 heeft eiser zijn bedenkingen schriftelijk kenbaar gemaakt en op 17 januari 2007 heeft een hoorzitting plaats gevonden bij de Bedenkingenadviescommissie.
Deze commissie heeft aan verweerder geadviseerd het voorgenomen besluit ongewijzigd te laten en als oordeel uitgesproken dat eiser terecht op basis van de “was/wordt-lijst” (hierna: de lijst) als functievolger is aangemerkt.
Bij besluit van 23 februari 2007 heeft verweerder eiser in het kader van de reorganisatie van de centrale afdelingen van AN en WV van RWS-ON met ingang van
1 maart 2007 geplaatst op de functie [nieuwe functie].
Bij brief van 29 maart 2007 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Op 27 februari 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwarencommissie, welke commissie op 10 maart 2008 advies heeft uitgebracht. Het bezwaar van eiser is door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar voormeld advies van de bezwarencommissie.
Eiser kan zich, kort gezegd, met de plaatsing in de functie van [nieuwe functie] niet verenigen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 57, tweede lid, onder a, van het ARAR bepaalt, kort gezegd, dat wanneer het belang van de dienst zulks vordert, de ambtenaar verplicht is een andere passende functie te aanvaarden indien het gaat om een verplaatsing in het kader van een reorganisatie.
Naar vaste jurisprudentie moet onder functie worden verstaan het samenstel van werkzaamheden waarmee de ambtenaar is belast inclusief de betekenis hebbende omstandigheden waaronder die werkzaamheden moeten worden verricht. Als zodanige omstandigheden zijn in ieder geval aan te merken de plaats waar het werk moet worden verricht, de organisatie of instelling waarvan dat samenstel van werkzaamheden deel uitmaakt, alsmede tot welk onderdeel van die organisatie of instelling de betrekking behoort.
Volgens het door verweerder gehanteerde “Personeelsplan WS en WV Centraal RWS-ON” (hierna: het Personeelsplan) is, kort gezegd, van een functievolger sprake bij een medewerker die ten minste 2/3 van zijn opgedragen taken ziet terugkeren in de nieuwe functiebeschrijving en is van overtolligheid sprake indien een functie in de nieuwe organisatie niet of nauwelijks gewijzigd terugkomt, maar het aantal functies is verminderd ten opzichte van de oude organisatie en als gevolg daarvan niet alle medewerkers de functie daadwerkelijk kunnen volgen.
Eiser stelt dat hij, als gewezen afdelingshoofd, in de lijst ten onrechte wordt aangemerkt als functievolger voor de functie [nieuwe functie]. Naar de mening van eiser had hij in aanmerking moeten komen voor de functie van afdelingshoofd van één van de drie afdelingen. Voorts stelt eiser dat niet op zijn bezwaren hieromtrent is beslist. Eiser heeft zich eveneens op het gelijkheidsbeginsel beroepen en gesteld dat [X], eveneens afdelingshoofd in de oude organisatie, wel op de nieuwe functie van afdelingshoofd is geplaatst.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de bezwarencommissie van 10 maart 2008 overgenomen en haar overwegingen tot de zijne gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de bezwarencommissie het bezwaar van eiser tegen de lijst ontvankelijk acht, echter de bezwaren van eiser hiertegen niet inhoudelijk heeft behandeld. Ook verweerder heeft in het bestreden besluit de bezwaren van eiser tegen de lijst niet nader besproken en geen motivering gegeven waarom eiser als functievolger voor de functie [nieuwe functie] is aangemerkt. Ook is de rechtbank opgevallen, dat de bedenkingenadviescommissie zich onbevoegd achtte over de juistheid van deze lijst te oordelen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tenminste 2/3 van de oude taken van eiser terugkomen in de functie van [nieuwe functie]. Onduidelijk is voor de rechtbank wat eisers exacte taken waren in de oude functie van afdelingshoofd en welke taken hiervan terugkomen in de functie van [nieuwe functie], met name geldt dit ook voor de omvang van de accountmanagementtaken. Ook is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden welke HRM-taken eiser in zijn oude functie heeft verricht en wat de precieze omvang van dat werk was, nu in diverse gedingstukken van de zijde van verweerder verschillende percentages worden genoemd. Ter zitting is namens verweerder ook toegelicht dat de oude functie van eiser eigenlijk is vervallen, doordat er een ontvlechting met de inhoud heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in zijn oude functie ook inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht op het gebied van [omschrijving] zoals thans volgens eiser in de nieuwe functie in overwegende mate aan de orde is. Vooralsnog staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat eiser terecht als functievolger voor de door verweerder genoemde functie is aangemerkt, waardoor thans geen uitspraak kan worden gedaan over de overige beroepsgronden van eiser omtrent het mogelijk zijn van functievolger voor een andere functie dan wel van herplaatsingskandidaat, mede bezien in het licht van zijn mogelijkheden tot het verkrijgen van de door hem gewenste voorkeursfunctie.
Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd gelet op artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zodat het beroep om die reden reeds gegrond zal worden verklaard. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.
Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.
De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. S.W. van Osch-Leysma, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 5 maart 2009