
Jurisprudentie
BI0683
Datum uitspraak2009-03-04
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2141 en 08/2142
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2141 en 08/2142
Statusgepubliceerd
Indicatie
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb jo. artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Vergoeding proceskosten in de bezwaarprocedure. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummers: AWB 08/2141 en 08/2142
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 4 maart 2009
inzake
[A] en Stichting Werkgroep Integratie Gehandicapten Nijmegen en omgeving (WIG), eisers,
wonende respectievelijk gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. K. Herder,
tegen
het Centrum indicatiestelling zorg CIZ, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 25 maart 2008.
2. Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2007 heeft verweerder besloten dat [A] geen recht heeft op zorg die valt onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het eerder genoemde besluit van 28 november 2007 ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw (indicatie)besluit genomen, inhoudende dat [A] met ingang van 28 november 2007 tot 27 november 2012 is aangewezen op Zorgzwaartepakket Verpleging en Verzorging 01. Daarbij heeft verweerder voorts het verzoek van [A] om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, afgewezen.
Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 januari 2009. Namens eisers zijn aldaar [X] verschenen, bijgestaan door mr. M.A. van Werkhoven, kantoorgenoot van mr. K. Herder en advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en [Y], beiden werkzaam bij verweerder.
3. Overwegingen
3.1. Tussen partijen is slechts in geschil of verweerder het verzoek van eiseres [A] om vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten, zijnde de kosten van door [X] verleende rechtsbijstand, terecht bij het bestreden besluit heeft afgewezen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
3.2. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van eiseres WIG overweegt de rechtbank het volgende.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Op basis van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiseres WIG de door [X], van wie de rechtbank vaststelt dat hij als sociaal raadsman in loondienst is bij WIG, namens [A] in bezwaar gemaakte kosten vergoed wenst te zien. Voor de rechtbank staat vast dat eiseres WIG niet namens [A] maar op eigen titel om vergoeding van de kosten verzoekt. Eiseres WIG is geen belanghebbende bij het in bezwaar bestreden besluit van 28 november 2007. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de wet geen ruimte biedt voor inwilliging van het door eiseres WIG op eigen titel gedane verzoek. Derhalve dient het beroep van eiseres WIG niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.3. Eiseres [A] stelt dat voorafgaand aan het bestreden besluit verweerder in de persoon van [Y] mondeling heeft toegezegd dat de proceskosten zullen worden vergoed. Daarbij verwijst eiseres naar een e-mail van 18 maart 2008 van [X]. Nu het bestreden besluit ten aanzien van dit onderdeel anders luidt, heeft verweerder volgens eiseres in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Subsidiair betoogt eiseres dat [X] in bezwaar aan haar beroepsmatig rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft verleend. Daarbij verwijst zij naar de uitspraken van rechtbank Den Bosch van 15 juni 2006 (AWB 06/373 en rechtbank Arnhem van 22 augustus 2007 (AWB 06/5608), waarbij [X] wel als rechtsbijstandverlener in de zin van het Bpb is aangemerkt. Tot slot stelt eiseres dat de opmerking van verweerder dat zij bij een gegrondverklaring van het bezwaar de bijdrage van € 75 teruggestort krijgt, geen rol speelt. Daarbij verwijst eiseres naar het volgens haar vergelijkbare systeem van de gefinancierde rechtsbijstand. Onder verwijzing naar dit systeem meent eiseres voorts dat de omstandigheid dat WIG gedeeltelijk door de gemeente Nijmegen wordt gesubsidieerd, evenmin een rol mag spelen.
3.4. Ingevolge artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, aanhef en sub a, van het Bpb, voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Vereist is dus dat sprake is van kosten voor betrokkene voor door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.5. De rechtbank staat voor beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 8 januari 2008, LJN: BC2910 en 28 februari 2006, LJN: AV3971) is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts in incidentele gevallen rechtshulp wordt verleend. Voorts heeft de CRvB overwogen (onder meer uitspraak van 13 januari 2006, LJN: AU9612) dat alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed. Het behulpzaam zijn bij het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift is geen proceshandeling die voor vergoeding op grond van artikel 1, aanhef en sub a, van het Bbp in aanmerking komt. Voor de bezwaarfase gaat het dan om het indienen van een bezwaarschrift, het bijwonen van een hoorzitting en van een eventuele nadere hoorzitting.
3.6. Volgens de website van eiseres WIG (www.wig.nl) maakt BWN Belangenbehartigers Nijmegen e.o. sinds 1 januari 2007 als project onderdeel uit van WIG. Uit de gedingstukken, in het bijzonder de budgetsubsidieovereenkomst WIG 2007 t/m 2009, blijkt dat dit mede is geschied ten behoeve van een (verdere) professionalisering van BWN/WIG. Voorts blijkt volgens de website dat BWN onder meer “rechtshulpverlening, het voeren van bezwaar- en/of (hoger) beroepsprocedures UWV/Rechtbank/Gemeente WMO” biedt. Voorts is ter zitting gebleken dat de werkzaamheden van [X] voor een belangrijk deel uit het verlenen van rechtsbijstand bestaan. Ook vermeldt de website dat BWN in juridische procedures genoodzaakt is een bijdrage van € 75 als tegemoetkoming kantoorkosten te vragen en dat bij een gegrondverklaring van bezwaar of (hoger) beroep de toegewezen forfaitaire vergoeding van proceskosten (Bpb) aan BWN toekomt. De bijdrage van € 75 zal dan door BWN aan betrokkene worden geretourneerd.
3.7. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de feitelijke werkzaamheden van BWN/WIG onder meer bestaan uit het leveren van juridisch advies en procesbijstand op het terrein van de sociale zekerheid. Gesproken kan worden – van een het niveau van incidentele rechtshulp overstijgend patroon – van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en dus niet slechts van het behulpzaam zijn bij het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift. Voorts blijkt uit het door eiseres [A] in het geding gebrachte betalingsbewijs dat zij een bedrag van € 75 aan BWN/WIG heeft betaald als “bijdrage in de kantoorkosten rechtsbijstand bezwaarprocedure CIZ”. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 23 september 2008 (LJN: BF2234) staat daarmee in voldoende mate vast dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in de zin van het Bpb. Hieraan kan niet afdoen dat het gaat om een vast (laag) bedrag en dat dit bedrag bij een gegrondverklaring van het bezwaar wordt teruggestort. In het Bpb wordt immers geen relatie gelegd tussen de werkelijk gemaakte kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de op basis van de bijlage bij het Bpb toe te kennen proceskostenvergoeding.
3.8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit, voor zover het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen, voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten van de aan eiseres [A] in bezwaar verleende rechtsbijstand. De hoogte van de vergoeding dient te worden vastgesteld op € 644 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting x € 322). De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres [A] in beroep. Dat betekent dat de proceskosten in beroep worden begroot op 2 punten (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting) x € 322 = € 644. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
3.9. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep van eiseres WIG niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres [A] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres [A] in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644 en in beroep tot een bedrag van € 644 en wijst verweerder aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres [A] betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.N. Crol, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 4 maart 2009