Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0682

Datum uitspraak2009-03-03
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2901
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uitleg beëindigingsovereenkomst; betaling garantie-uitkering geen impliciete weigering om openstaande verlofuren uit te betalen.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 08/2901 AW uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 3 maart 2009 inzake [A], eiser, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M. Scheggetman, tegen de Korpsbeheerder Politieregio Gelderland-Midden, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 20 mei 2008. 2. Procesverloop In een besluit van 29 maart 2007 heeft de waarnemend korpschef eisers verzoek om uitbetaling van zijn verlofuren afgewezen. In een besluit van 5 juni 2007 heeft verweerder het ingediende bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 29 maart 2007 gehandhaafd. De rechtbank heeft in een uitspraak van 20 november 2007 (registratienummer 07/2810) het beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 juni 2007 vernietigd. Verweerder heeft in het thans bestreden besluit van 20 mei 2008 opnieuw op het bezwaar beslist en – conform het advies van de Bezwarenadviescommissie Politieregio Gelderland-Midden – het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 27 januari 2009. Eiser is daar vertegenwoordigd door mr. W. Dieks, werkzaam bij ACP Politie Vakorganisatie in Leusden. Verweerder werd daar vertegenwoordigd door mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de Politieregio Gelderland-Midden. 3. Overwegingen Eiser was voorheen werkzaam de Politieregio Gelderland-Midden. Bij brief van 25 augustus 2005 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt eiser strafontslag te verlenen. Nadat hij hiertegen zijn zienswijze heeft ingediend heeft het hoofd stafdienst P&O, onder voorwaarde van goedkeuring door verweerder, eiser voorgesteld hem in plaats daarvan per 1 juli 2006 eervol te ontslaan wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt om andere reden dan ziels- of lichaamsgebreken en hem daarbij een garantie te verstrekken van 70% van zijn inkomen (bezoldiging vermeerderd met eisers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) gedurende drie jaar alsmede een outplacementtraject. Bij brief van 14 maart 2006 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser aangegeven dat zij namens hem akkoord gaat met dat aanbod. Hierop heeft verweerder eiser bij besluit van 28 april 2006 dienovereenkomstig ontslagen. Nadat vragen waren gerezen over de hoogte van de garantie, namelijk netto of bruto, heeft de waarnemend korpschef [korpschef] bij brief van 14 november 2006 de ontslagregeling nader uitgelegd. In antwoord op nadere vragen van eiser, heeft de [korpschef] voornoemd bij het in rubriek 2 vermelde besluit van 29 maart 2007 geweigerd de ten tijde van het ontslag openstaande verlofuren uit te betalen. Bij het thans voorliggende bestreden besluit heeft verweerder deze weigering (opnieuw) gehandhaafd. Vooropgesteld wordt dat tussen de partijen afspraken zijn gemaakt over de (wijze van) beëindiging van eisers dienstverband die zijn neergelegd in de hiervoor aangehaalde briefwisseling. Het is vaste jurisprudentie dat afspraken over de beëindiging van een ambtelijk dienstverband in de tussen de ambtenaar en het bestuursorgaan bestaande ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding, moeten worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan maar ook voor de ambtenaar geldt. Dit beginsel brengt voor het bestuursorgaan met zich dat hij bij zijn besluitvorming in beginsel de gemaakte afspraken in acht dient te nemen. Bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie bijvoorbeeld CRvB 22 mei 2008, LJN: BD2813). Niet in geschil is dat verweerder destijds geen finale kwijting heeft bedongen. Anders dan verweerder primair heeft betoogd, kon het eiser niet redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij met het sluiten van de beëindigingsovereenkomst tevens afstand deed van zijn recht op uitbetaling van niet genoten verlofuren. Integendeel, door daarover in het geheel geen afspraak te maken, mocht eiser ervan uitgaan dat de in artikel 26, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (verder: Barp) wettelijk voorgeschreven uitbetaling gewoon zou plaatsvinden. Aan de door verweerder aangehaalde uitspraak van de CRvB van 20 november 2003 (LJN: AO1735) kan hij geen steun ontlenen nu het in dat geval, anders dan hier, ging om (de uitleg van) een specifieke afspraak over het in geschil zijnde onderwerp. Dat eiser mede gezien de lange opzegtermijn mogelijk een ruimhartige regeling geboden werd, doet aan het vorenstaande op zichzelf onvoldoende af. Nu de tussen de partijen gesloten beëindigingsovereenkomst derhalve niet geacht kan worden ook de openstaande verlofuren te behelzen, was verweerder, gezien de dwingendrechtelijk voorgeschreven uitbetaling in artikel 26 van het Barp, gehouden deze uit te betalen. Vervolgens moet beoordeeld worden of verweerder, zoals deze subsidiair betoogt, reeds door middel van de garantie-uitkering van juli 2006 heeft geweigerd tot uitbetaling daarvan over te gaan, zodat hij thans ingevolge artikel 4:6 van de Awb kon volstaan met verwijzing naar deze weigering omdat eiser daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend en niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het is vaste rechtspraak (zie CRvB 1 maart 2001, LJN: AB0558) dat aan elke betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Tegen zodanig besluit, dat in de regel - wanneer een (ander) geschrift van het bestuursorgaan waarin de daartoe strekkende beslissing is neergelegd, ontbreekt - zichtbaar wordt in een salaris- of uitkeringsspecificatie, kunnen rechtsmiddelen worden ingesteld. De rechtsgeldigheid van een reeds eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij omtrent de grondslag van periodiek te betalen salaris is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw (integraal) aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al bij een eerdere (beslissing tot) betaling is beslist en dit element toen niet is aangevochten, is die vaststelling in zoverre onaantastbaar geworden. Indien bij een periodieke betaling een wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling, heeft dus te gelden dat in beginsel slechts sprake is van een besluit voor zover een beslissing is genomen met betrekking tot de wijziging. Te denken valt aan de toepassing van een korting, waarbij de grondslag van de uitkering of het salaris overigens geen wijziging ondergaat (en ook niet behoefde te ondergaan). In dat geval is slechts de beslissing tot toepassing van de korting een (nieuw) besluit. Indien bij een gebruikelijke periodieke betaling geen wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling is in het algemeen geen sprake van een besluit. Dit is anders indien en voor zover die niet-wijziging een weigering impliceert van een besluit dat genomen had behoren te zijn. Te denken valt aan de weigering het salaris- of uitkeringsbedrag aan te passen in verband met een uit een toepasselijke rechtsregel voortvloeiende trendmatige verhoging. Omdat niet wettelijk is voorgeschreven wanneer de eindafrekening geëffectueerd moet worden, kon de garantie-uitkering van juli 2006 naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de hiervoor aangehaalde jurisprudentie niet worden aangemerkt als een impliciete weigering om openstaande verlofuren uit te betalen, waartegen bezwaar en beroep openstond. Dat in die maand wel de opgebouwde eindejaarsuitkering en vakantiegeld zijn uitgekeerd, maakt dat niet anders. Nu dientengevolge geoordeeld moet worden dat verweerder niet eerder heeft beslist over eisers openstaande verlofuren, heeft verweerder bij besluit van 29 maart 2007 ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Het meer subsidiaire standpunt van verweerder, dat eiser geen belang heeft bij uitbetaling van de openstaande verlofuren – en dus ook niet bij dit beroep – omdat deze verrekend moet worden met de garantie-uitkering, wordt door de rechtbank niet onderschreven. De uitbetaling van de openstaande verlofuren leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot inkomen dat van belang is voor de vaststelling van de hoogte van die uitkering. Het betreft immers een vordering van tijdens het dienstverband opgebouwde rechten die reeds bij de laatste salarisbetaling uitgekeerd had kunnen worden. Het gaat niet aan om eiser verrekening tegen te werpen door een later tijdstip van uitbetaling te kiezen. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar en daarbij moeten nagaan hoeveel verlofuren ten tijde van het ontslag nog openstonden en tot uitbetaling moeten overgaan. Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt) aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar; veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de Politieregio Gelderland-Midden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt dat de Politieregio Gelderland-Midden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Holtrop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2009. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 3 maart 2009