
Jurisprudentie
BI0659
Datum uitspraak2009-04-02
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4164 MAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4164 MAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering bevordering naar de rang van adjudant-onderofficier (AOO). Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat de rangindeling van appellant is geschied in overeenstemming met het reorganisatieplan CBD, en de daarbij behorende conversietabel voor de KM.
Uitspraak
07/4164 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juni 2007, 06/8130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commandant der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met soortgelijke gedingen, plaatsgevonden op 26 februari 2009. Namens appellant is verschenen mr. W.E. Louwerse, werkzaam bij VBM/NOV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst; thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant is als beroepsmilitair bij de Koninklijke marine (KM) ingaande 1 november 2004 geplaatst in de functie hoofd sectie [naam sectie] met als rang sergeant-majoor (SM).
In juni 2005 heeft appellant de commandant verzocht om hem te bevorderen naar de naasthogere rang van adjudant-onderofficier (AOO). Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 31 januari 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 4 september 2006. Overwogen is, samengevat, dat blijkens de bij het geldende reorganisatieplan CBD behorende conversietabel, welke is opgesteld vanwege de ten opzichte van de andere krijgsmachtonderdelen afwijkende salarisschalen bij de KM, voor een functie waaraan bij de andere krijgsmachtonderdelen de rang van AOO is toegekend bij de KM de rang van SM geldt.
1.2. In beroep heeft appellant, evenals in bezwaar, vooral betoogd dat het gemaakte verschil in rangindeling zich niet verdraagt met de omstandigheid dat ingevolge het Besluit volgorde rangen en standen zee-, land- en luchtmacht de rang van AOO bij alle krijgsmachtonderdelen met hetzelfde volgnummer is aangeduid. In overeenstemming daarmee is, aldus appellant, ook in het personeelsbeheersysteem Peoplesoft de functie van appellant aangeduid als AOO/AAOMARNS, waarvan de laatste afkorting betekent adjudant der mariniers. Verder heeft appellant erop gewezen dat verscheidene, in dezelfde functie geplaatste, marinecollega’s wel de naasthogere rang hebben gekregen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Ook voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat de rangindeling van appellant is geschied in overeenstemming met het reorganisatieplan CBD, en de daarbij behorende conversietabel voor de KM. Uit die tabel en de daarbij behorende stukken acht de Raad buiten twijfel naar voren komen dat de functie die appellant bekleedt voor de andere krijgsmachtonderdelen is ingedeeld in de rang AOO en voor de KM in de rang SM. Evenzeer is duidelijk dat dit onderscheid te maken heeft met historisch gegroeide salarisverschillen tussen de KM enerzijds en de andere krijgsmachtonderdelen anderzijds.
3.2. De opvatting van appellant dat het onder 3.1 vermelde rangsverschil vanuit hiërarchisch oogpunt onwenselijk is, acht de Raad op zichzelf niet onbegrijpelijk. Aan de andere kant is ook duidelijk dat het in de huidige defensieorganisatie niet wenselijk is dat voor dezelfde functie andere salarissen zouden gelden al naar gelang de betreffende persoon tot het personeel van de KM behoort of tot dat van de andere krijgsmacht-onderdelen. De oplossing die door de defensieorganisatie daarvoor is gevonden oordeelt de Raad in dit licht aanvaardbaar. Voorts dient ook de indeling die in Peoplesoft is vermeld in verband met het reorganisatieplan en de daarbij behorende conversietabel te worden bezien; aan die vermelding alleen kan dus niet een aanspraak op bevordering worden ontleend.
3.3. De commandant heeft aangegeven dat weliswaar een drietal collega’s van appellant wel in de naasthogere rang is ingedeeld, maar dat die indeling een uitzondering is en berust op een verder niet na te volgen abuis. De Raad heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunt gevonden om hieraan te twijfelen. In overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Raad kan niet van de commandant worden gevergd de gemaakte fout te herhalen.
3.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD