Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0644

Datum uitspraak2009-03-26
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6336 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de feiten in samenhang met de incidenten die (...) hebben plaatsgevonden voldoende grondslag bieden voor de constatering dat appellant blijk heeft gegeven niet te beschikken over eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor de uitoefening van de functie van conducteur op de tram.


Uitspraak

07/6336 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2007, 06/4132 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college) Datum uitspraak: 26 maart 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoessein, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, juridisch adviseur en F. Hielkema, werkzaam bij GVB Exploitatie B.V. Door appellant is als getuige ter zitting meegebracht en gehoord [naam getuige], wonende te Amsterdam, voormalig collega van appellant. [voormalige collega] is niet gehoord als getuige, omdat hij niet binnen de in artikel 8:60, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn als zodanig was aangemeld. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was sedert 1999 werkzaam bij het toenmalig Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam, in de functie van conducteur op de tram. Nadat hij eerder een schriftelijke waarschuwing had gekregen wegens twee maal te laat komen, geconstateerd is dat hij bij een controle wegens ziekte niet aanwezig was op het door hem opgegeven verblijfadres én hij zijn depot op het dak van zijn auto had laten staan, is appellant bij besluit van 11 juni 2001 gestraft met - uiteindelijk - voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar na een conflict met agressie en geweld jegens een collega. Hierin heeft appellant berust. Bij besluit van 9 januari 2004 is appellant voorwaardelijk strafontslag verleend met een proeftijd van één jaar wegens het niet handelen volgens de regels van voorschriften bij dienstruil en ziekmelding en vanwege klachten van passagiers over houding en gedrag tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden op de tram. Tegen dit besluit heeft appellant evenmin een rechtsmiddel aangewend. 1.2. In oktober en november 2004 zijn met appellant gesprekken gevoerd naar aanleiding van over hem ontvangen klachten over te laat komen en over het niet openen van de deuren van de tram. Op 1 september 2005 is met appellant een gesprek gevoerd over het eerder beëindigen van zijn dienst op 31 augustus 2005 en over ontvangen klachten met betrekking tot kaartjesverkoop. Tijdens dat gesprek is geconstateerd dat appellant een depottekort had van € 292,71. Daarop is appellant geschorst. 1.3. Op 11 oktober 2005 is appellant het voornemen meegedeeld - voor zover hier van belang - hem te ontslaan wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam. Nadat appellant daarop zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 10 januari 2006 uitvoering gegeven aan dit voornemen en aan appellant ontslag verleend per 24 maart 2006. Het ontslagbesluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2006 (bestreden besluit). 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.1. Het ontslagbesluit berust op de overweging dat appellant de afgelopen jaren meerdere malen is aangesproken op zijn houding, gedrag en niet naleving van de regelgeving en bedrijfsinstructies, en in verband daarmee ook tweemaal is gestraft. Ondanks de waarschuwing die van de tweede bestraffing uitging heeft appellant de regels betreffende het depot niet nageleefd. Door opeenstapeling van verschillende vormen van onjuist gedrag is volgens het college een structureel patroon zichtbaar geworden. Hoewel appellant verschillende malen een kans is gegeven zijn gedrag en houding te verbeteren, is hij daarin niet geslaagd, aldus het college. 3.2. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat het college de feiten en omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de twee besluiten tot verlening van voorwaardelijk strafontslag niet zonder nader onderzoek te doen naar de juistheid van die feiten en omstandigheden aan het thans in geding zijnde ongeschiktheidsontslag ten grondslag mocht leggen. De Raad overweegt daartoe dat die twee besluiten in rechte vast staan, nu appellant daarin heeft berust, zodat het college kon uitgaan van de juistheid van de feiten waarop die besluiten zijn gebaseerd, tenzij appellant het tegendeel aannemelijk zou maken. De Raad stelt vast dat appellant bedoelde feiten wel heeft betwist, maar er niet in is geslaagd die betwisting te onderbouwen. Het college mocht het in geding zijnde ontslag dan ook mede op die feiten baseren. 3.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze feiten in samenhang met de incidenten die nadien hebben plaatsgevonden voldoende grondslag bieden voor de constatering dat appellant blijk heeft gegeven niet te beschikken over eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor de uitoefening van de functie van conducteur op de tram, zodat het college bevoegd was appellant ontslag wegens ongeschiktheid te verlenen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college terecht zwaar gewicht heeft gehecht aan het te laat verschijnen op het werk - waardoor de uitvoering van de dienstregeling gevaar loopt - en aan het depottekort. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Hetgeen ter zitting door de getuige over het functioneren van appellant is opgemerkt, te weten dat appellant door hem als collegiaal en voorkomend wordt gezien, kan daaraan niet afdoen. 3.4. De Raad onderschrijft voorts niet het standpunt van appellant dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor ontslag in plaats van een lichtere (disciplinaire) maatregel onder voortzetting van de dienstbetrek-king. Uit de gedingstukken komt naar voren dat met appellant in de loop der jaren regelmatig is gesproken over de tekortkomingen in zijn houding en gedrag en over de verschillende incidenten, dat hij is gewaarschuwd, en dat appellant er niet in is geslaagd zijn functioneren te verbeteren. Door zijn wijze van functioneren schaadt appellant het aanzien van het vervoersbedrijf en brengt hij een goede dienstverlening in gevaar. Niet alleen staat op grond daarvan zijn ongeschiktheid voldoende vast, maar ook vloeit daar uit voort dat in redelijkheid niet van het college kon worden gevergd dat het dienst-verband met appellant nog langer werd voortgezet. 4. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. 5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2009. (get.) J.C.F. Talman. (get.) K. Moaddine. HD