
Jurisprudentie
BI0635
Datum uitspraak2009-04-02
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6441 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6441 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen vaste aanstelling. Het college heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat onder het voldoen aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen ook valt het met een normaal te noemen continuïteit in staat zijn de functie te vervullen.
Uitspraak
07/6441 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2007, 07/24 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: college)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellante is vertegenwoordigd door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.B.H.J. Kluver en J.A.M. de Ruiter, beiden werkzaam bij de gemeente Nijmegen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is met ingang van 1 december 2004 met toepassing van artikel 2:4, vierde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen aangesteld voor 18 uur per week als [functie] met accent jongerenwerk in tijdelijke dienst tot 1 december 2005, bij wijze van proef. In een begeleidende brief is vermeld de afspraak dat bij voldoende functioneren de tijdelijke aanstelling wordt omgezet in een vaste aanstelling en dat bevordering naar de functionele schaal 6 zal plaatsvinden.
1.2. Bij besluit van 20 december 2005 is de tijdelijke aanstelling van appellante verlengd tot 1 december 2006 met bevordering naar schaal 6, trede 5. Bij besluit van 23 november 2006 is het bezwaar van appellante tegen het niet verlenen van een vaste aanstelling ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar gericht was tegen de inschaling is dit gegrond verklaard en is appellante alsnog ingedeeld in salarisschaal 6, trede 6.
Appellante heeft tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 23 november 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat zij recht had op een aanstelling in vaste dienst, omdat uit een opgemaakte beoordeling blijkt dat zij (meer dan) voldoende functioneerde, hetgeen ook uit de bevordering naar schaal 6 kan worden afgeleid.
Het college heeft van aanstelling in vaste dienst afgezien vanwege het frequente en langdurige ziekteverzuim van appellante in het eerste jaar van haar tijdelijk dienstverband.
4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht overweegt de Raad het volgende.
4.1. In dit geding gaat het om de vraag of het college appellante met ingang van 1 december 2005 een vaste aanstelling had behoren te verlenen. Nu zij gedurende een jaar op proef was aangesteld mocht appellante, mede gezien de begeleidende brief genoemd in 1.1, ervan uitgaan dat zij bij een goede beoordeling van de wijze waarop zij haar functie vervulde voor een vaste aanstelling in aanmerking zou komen.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante, zoals ook uit een opgemaakte beoordeling van 10 november 2005 valt af te leiden, goed functioneerde in haar werk als ambulant jongerenwerker indien zij aanwezig was. In die beoordeling is echter ook geconstateerd dat appellante een hoog ziekteverzuim heeft gehad. Als gevolg daarvan is het er niet van gekomen appellante in overeenstemming met de geldende voorschriften twee keer te beoordelen in het proefjaar. Blijkens de stukken heeft appellante in het eerste jaar van haar aanstelling in totaal ongeveer 13 weken verzuimd, en was zij ten tijde van het nemen van het primaire besluit ook ziek, en wel vanaf 21 november 2005.
4.3. Het college heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat onder het voldoen aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen ook valt het met een normaal te noemen continuïteit in staat zijn de functie te vervullen. Dit klemt te meer, nu de ambulante jongerenwerker een vertrouwensband moet opbouwen en onderhouden met de betrokken jongeren, hetgeen bij frequente of langdurige afwezigheid niet goed mogelijk is. Gezien het uit de stukken blijkend verzuim kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante aan die eis niet heeft voldaan.
5. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD