Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0634

Datum uitspraak2009-02-04
Datum gepubliceerd2009-04-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.711.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bepaling van onderhoudsverplichting van vader, moeder en (voormalig) stiefvader; beoordeling band met stiefvader.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 4 februari 2009 Zaaknummer : 105.012.711.01 Rekestnummer : 282-H-08 Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-6934 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. B.A.H.M. Boelens, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. I.W. van Osch. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 19 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 november 2007 van de rechtbank ‘s-Gravenhage. De moeder heeft op 8 mei 2008 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 20 mei 2008 en 7 november 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 21 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige kinderen met ingang 24 augustus 2006 bepaald op € 373,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is bepaald dat de moeder het eventueel teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen. Tevens is bepaald dat de vader aan de moeder een bedrag van € 129,84 dient te voldoen wegens achterstallige indexering terzake de kinderalimentatie. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige kinderen van partijen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven. Verder is in geschil de verdeling van de onderhoudsplicht over de vader, de moeder en de stiefvader. 2. De vader verzoekt uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zonodig onder aanvulling van gronden, het inleidend verzoek van de vader alsnog toe te wijzen, althans de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen op een bedrag van € 142,- per maand, althans op een zodanig bedrag en een zodanige ingangsdatum als het hof zal vermenen te behoren. 3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de proceskosten. De periode van onderhoudsplicht van de stiefvader 4. Ter zitting heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat de moeder misbruik van recht maakt. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij de indruk heeft dat de echtscheiding van de moeder en haar huidige echtgenoot, de heer [X] (verder: [man X]), is geënsceneerd met het oog op de onderhoudsverplichting jegens de kinderen tussen de vader, de moeder en [man X]. De vader betoogt dat, nu de moeder en [man X] nog steeds samenleven als waren zij gehuwd, de onderhoudsplicht van [man X] jegens de kinderen op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden voortgezet. 5. De moeder heeft de stellingen van de vader op dit punt gemotiveerd betwist. Zij heeft ter zitting verklaard dat de reden dat zij nog steeds bij [man X] woont, uitsluitend is gelegen in het feit dat zij lang op een huurhuis moet wachten. 6. Het hof verstaat het ter zitting door de vader toegelichte beroep op misbruik van recht aldus dat de moeder misbruik maakt van recht door er beroep op te doen dat [man X] omwille van de ontbinding van het huwelijk met ingang van 6 mei 2008 niet langer als stiefouder kan worden aangemerkt. Het hof verwerpt dit standpunt van de vader nu het door de vader niet verder is onderbouwd dan met de veronderstelling dat de moeder en [man X] hun samenleving in feite voortzetten, welke veronderstelling niet op meer feiten is gebaseerd dan dat de vader van de kinderen hoort dat [man X] nog steeds bij de moeder woont en leuke dingen met hen doet. Derhalve oordeelt het hof dat van een onderhoudsplicht van [man X] als stiefvader van de kinderen uitsluitend sprake is in de periode van 24 augustus 2006 tot 6 mei 2008. Onderhoudsplicht van de moeder 7. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van de moeder op dit moment niet gevergd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Hiertoe voert hij onder meer aan dat van de moeder verwacht kan worden dat zij in ieder geval gedeeltelijk in haar eigen inkomen voorziet en dat van een fictief inkomen uitgegaan dient te worden. 8. De moeder stelt dat het destijds een bewuste keuze van haar en de vader is geweest dat zij tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt. Ook nadien heeft de vader ingestemd met voortzetting van de situatie zoals deze was tijdens het huwelijk. 9. Het hof oordeelt als volgt. Voor de duur van het huwelijk tussen de moeder en [man X], gaat het hof uit van de feitelijke situatie, te weten dat de moeder geen eigen inkomen had. In het kader van de draagkrachtvergelijking zal het hof derhalve niet uitgaan van een fictief inkomen van de moeder. De afspraak die partijen ten tijde van hun huwelijk hebben gemaakt dat de moeder niet hoefde te werken om voor de kinderen te kunnen zorgen, kan de vader in beginsel niet worden tegengeworpen. Het staat de moeder echter vrij de keuze te maken om de eerste levensjaren van haar jongste kind niet te werken en zich volledig aan de zorg voor dat kind te wijden. Band tussen de kinderen en [man X] en de kinderen en de vader 10. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel komt dat de band tussen hem en de kinderen als bepaald nauwer/hechter dient te worden gekwalificeerd dan die tussen [man X] en de kinderen. De vader voert hiertoe aan dat de moeder reeds sinds oktober 2003 een relatie heeft met [man X] en dat in combinatie met het feit dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de moeder en [man X] hebben, de onderhoudsverplichting van [man X] gelijkwaardig in rang is. 11. De moeder stelt dat ouders en stiefouders in beginsel van gelijke rang zijn. Aan de hand van de omstandigheden van het geval dient vervolgens ieders onderhoudsverplichting te worden vastgesteld. Daarbij dient niet alleen rekening te worden gehouden met de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige, maar ook met de bijzondere verhouding waarin een ieder tot de onderhoudsgerechtigde staat. De moeder betwist dat het feit dat zij en [man X] elkaar al sinds 2003 kennen betekent dat [man X] in een bijzondere verhouding tot de kinderen is komen te staan. 12. Het hof is van oordeel dat tussen de kinderen en de vader geen nauwere band bestaat dan tussen de kinderen en [man X]. De kinderen behoorden immers ten volle tot het gezin van [man X]. Het hof is derhalve met de vader van oordeel dat in het kader van de verdeling van de met de verzorging en opvoeding van de kinderen gemoeide kosten, [man X] naar rato van draagkrachtruimte dient bij te dragen, een en ander voor zover [man X] onderhoudsplichtig is. Draagkracht van de vader 13. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij als zelfstandige hetzelfde inkomen kan genereren als toen hij in loondienst was. De vader heeft zijn vierde grief ingetrokken, voor zover het zijn draagkracht betreft. De vaststelling van de draagkracht van de vader is uitsluitend relevant voor de verhouding in draagkracht in het kader van de verdeling van de kosten van de kinderen. Uit de overgelegde stukken volgt dat het inkomen van de vader in 2006 € 66.256,- bruto bedroeg. Van dit bedrag zal het hof uitgaan bij het berekenen van de draagkracht van de vader. Voorts houdt het hof rekening met de navolgende maandlasten: - de hypotheekrente van € 732,-; - premie levensverzekering van € 106,-; - forfait overige eigenaarslasten van € 95,-; - premie zorgverzekering van € 248,-; - kosten omgangsregeling van € 75,-; - andere bijzondere kosten van € 45,-; - overige kosten van € 103,-, nu deze kosten naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk zijn gemaakt en deze kosten het hof niet onredelijk voorkomen. Ten aanzien van de aflossing op de schulden heeft de vader ter zitting verklaard dat slechts met een aflossingsbedrag van € 200,- per maand rekening gehouden hoeft te worden. Het hof zal dit bedrag in aanmerking nemen. Nu de vader alleenstaande is, houdt het hof rekening met een bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%. Uit het vorenstaande volgt dat de beschikbare draagkrachtruimte van de vader € 1.303,- per maand bedraagt. Draagkracht van [man X] Inkomen 14. De vader heeft gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van [man X] uitgegaan dient te worden van het jaarloon zoals blijkt uit de jaaropgave over 2006, te weten € 44.142,- bruto. 15. Ter zitting heeft de vader verklaard dat [man X] tot eind 2005 een eigen onderneming heeft gehad en nadien in loondienst is getreden. De moeder heeft ter zitting erkend dat [man X] met ingang van 1 januari 2006 in loondienst is getreden en dat hij sindsdien hetzelfde inkomen heeft genoten. 16. Gelet op de verklaringen van partijen ter zitting, neemt het hof bij de berekening van de draagkracht van [man X] het inkomen in aanmerking dat hij in 2006 heeft genoten, nu blijkt dat dat inkomen sindsdien niet is gewijzigd. Uit de overgelegde jaaropgave van 2006 blijkt dat het inkomen van [man X] € 44.142,- bruto bedroeg. Ziektekosten 17. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte geen bedrag ter zake van de in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie in mindering brengt op de door [man X] opgevoerde premie zorgverzekering. De vader stelt dat het uitgangspunt in de Tremanormen is dat in de bijstandsnorm een bedrag is verdisconteerd ter zake de nominale premie voor ziektekostenverzekering (€ 54,- voor een alleenstaande en € 77,- voor een echtpaar). 18. De moeder erkent dat met ingang van 1 januari 2008 bij de bepaling van de hoogte van de premie zorgverzekering rekening wordt gehouden met een nominaal deel van de premie zorgverzekering. Voorts stelt de moeder dat deze aanpassing van de richtlijnen op 20 november 2007 nog niet was doorgevoerd, zodat de rechtbank niet gehouden was hierop te anticiperen. 19. Met de moeder is het hof van oordeel dat pas met ingang van 1 januari 2008 rekening gehouden kan worden met aftrek van de nominale premie op de premie zorgverzekering. Dit betekent dat hiermee over de periode 24 augustus 2006 tot 1 januari 2008 geen rekening gehouden zal worden. Onkostenvergoeding 20. De vader stelt dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van [man X] ten onrechte geen rekening houdt met de onkostenvergoeding zoals deze blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties van [man X]. Hij ontvangt een onkostenvergoeding van € 90,76 per maand en de vader stelt dat hier sprake is van verkapt loon dat meegenomen dient te worden in de draagkrachtberekening als zijnde netto inkomsten. 21. De moeder betwist dat de onkostenvergoeding een vast loon vormt. 22. Het hof oordeelt als volgt. De moeder heeft geen opstelling van de onkostenvergoeding van [man X] in het geding gebracht, zodat het hof niet kan verifiëren of er sprake is van een vergoeding van feitelijk gemaakte kosten en zo ja, of deze vergoeding de kosten dekt, dan wel de kosten overtreft. Nu het hof niet in staat is een en ander vast te stellen, merkt het hof de onkostenvergoeding aan als verkapt inkomen. Draagkrachtpercentage 23. De vader stelt dat de rechtbank bij de draagkrachtberekening van [man X] ten onrechte enerzijds rekening houdt met een draagkrachtpercentage van 45% en anderzijds zijn draagkracht over drie kinderen verdeelt. De vader stelt dat [man X] bij de berekening van zijn draagkracht als alleenstaande dient te worden aangemerkt. 24. De moeder stelt dat, nu [man X] de zorg voor zowel het kind van de moeder en hem, als voor de kinderen van partijen had, het voor zich spreekt dat rekening is gehouden met de gezinsnorm en een draagkrachtpercentage van 45%. 25. Het hof is van oordeel dat, nu de kinderen tot het gezin van [man X] behoorden en de moeder niet geacht wordt verdiencapaciteit te hebben, een draagkrachtpercentage van 45% van toepassing is en een bijstandsnorm voor een gezin. Aangezien de drie kinderen tot het gezin van [man X] behoorden, en hij daarvoor draagplichtig was, heeft de rechtbank terecht de draagkracht van [man X] over drie kinderen verdeeld. 26. Uit het vorenstaande volgt dat de beschikbare draagkrachtruimte van [man X] € 317,- per maand bedraagt. Verdeeld over drie kinderen bedraagt de beschikbare draagkracht van [man X] derhalve € 105,- per maand per kind. Het verschil indien met ingang van 1 januari 2008 rekening wordt gehouden met aftrek van een nominale premie zorgverzekering, zoals in rechtsoverweging 19 is overwogen, is zo minimaal dat dit nauwelijks invloed heeft op de verhouding in draagkracht. Derhalve oordeelt het hof dat de beschikbare draagkracht van [man X] met ingang van 1 januari 2008 geen wijziging ondergaat. Draagkrachtvergelijking 27. Gelet op de verhouding in beschikbare draagkracht tussen de vader en [man X], is gedurende de onderhoudsplicht van de stiefouder een door de vader te betalen kinderbijdrage van in totaal € 684,- per maand en een door [man X] te betalen kinderbijdrage van in totaal € 166,- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Verdeling kosten kinderen tussen de vader en de moeder na 6 mei 2008 28. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat haar jongste kind in maart 2009 vier jaar oud wordt en naar school zal gaan en dat zij alsdan weer inkomen wil gaan genereren. Het hof gaat er gelet op deze omstandigheden van uit dat de moeder te zijner tijd ook een bijdrage gaat leveren in de kosten van de kinderen. Gelet op het feit dat er thans nog te veel onzekere factoren aanwezig zijn, kan het hof nu geen beslissing nemen over de hoogte van de door de moeder in de toekomst te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen. Het vorenstaande brengt met zich dat de vader met ingang van 6 mei 2008 weer de op 10 december 2004 overeengekomen kinderbijdrage aan de moeder dient te betalen, zodat enkel voor wijziging van deze overeenkomst grond bestaat over de periode van 24 augustus 2006 tot 6 mei 2008. Terugbetaling van teveel ontvangen kinderalimentatie 29. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel komt dat de moeder het eventueel door haar teveel ontvangen bedrag niet aan de vader behoeft terug te betalen. Hiertoe voert de vader aan dat de moeder vanaf 7 augustus 2007 van de verzoeken c.q. standpunten van de vader op de hoogte was en dat zij vanaf die datum rekening had kunnen en moeten houden met een terugbetalingsverplichting. 30. De moeder stelt dat, nu het onzeker was in hoeverre er een wijziging van de kinderalimentatie zou plaatsvinden, de rechtbank hierin terecht aanleiding heeft gezien om aan de moeder geen terugbetalingsverplichting op te leggen. Voorts stelt de moeder dat de kinderbijdrage een consumptief karakter heeft en dat het teveel ontvangene alleen al om die reden niet, althans slechts in uitzonderlijke gevallen, terugbetaald dient te worden. 31. Het hof is van oordeel dat van de moeder – gelet op haar beperkte financiële mogelijkheden en mede gelet op het consumptieve karakter van alimentatie – niet verlangd kan worden dat zij het eventueel teveel ontvangene aan de vader terugbetaalt. 32. Het hof ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten (naar het hof begrijpt: in de proceskosten in hoger beroep), zoals door de moeder in hoger beroep is verzocht. 33. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de overeenkomst van partijen van 10 december 2004 - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 24 augustus 2006 tot 6 mei 2008 op € 342,- per maand per kind; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat de moeder het eventueel teveel ontvangene niet aan de vader behoeft terug te betalen; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, van Nievelt en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2009.