
Jurisprudentie
BI0626
Datum uitspraak2009-04-02
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6510 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6510 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.
Uitspraak
07/6510 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 oktober 2007, 07/695 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Büchner, advocaat te Capelle aan den IJssel. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Kleijne-Sanders, werkzaam bij het ministerie van Justitie. Op verzoek van appellant zijn als getuigen ter zitting gehoord
[K.], wonende te [woonplaats], [B.], wonende te [woonplaats], [v. D.], wonende te [woonplaats], [M.], wonende te [woonplaats], [T.], wonende te [woonplaats], [K.], wonende te [woonplaats] en [B.], wonende te [woonplaats].
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam bij het ministerie van Justitie, laatstelijk bij het hoofdkantoor van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Aan hem is bij besluit van 27 september 2005 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ongeoorloofd internetgebruik. Bij besluit op bezwaar van 31 oktober 2006 heeft de minister dit ontslag herroepen en appellant de straf opgelegd van indeling in een lagere salarisschaal voor de periode van ruim één jaar.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 31 oktober 2006 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
3.1. Vast staat dat het bestreden besluit aangetekend is verzonden naar het laatst bekende adres van appellant te Zoetermeer, welk adres in het bezwaarschrift was genoemd. Tevens is het bestreden besluit aangetekend verzonden naar het voorlaatste adres van appellant te [plaatsnaam]. De minister is hiertoe zekerheidshalve overgegaan, omdat eerdere post gericht aan het adres van appellant te Zoetermeer retour was gekomen. De gemeente [plaatsnaam] heeft de minister desgevraagd op 29 juni 2006 meegedeeld dat appellant nog steeds in die gemeente stond ingeschreven. Niet in geschil is voorts dat appellant, die medio 2006 is verhuisd naar het adres van zijn vader te [woonplaats], hiervan geen mededeling heeft gedaan aan de minister. Dat had wel op zijn weg gelegen, nu hij immers kon verwachten dat op zijn bezwaar een beslissing zou worden genomen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit van 31 oktober 2006 op juiste wijze bekend is gemaakt.
3.2. De beroepstermijn is dus aangevangen op 1 november 2006 en door eerst beroep in te stellen op 29 december 2006 is de beroepstermijn ruimschoots overschreden.
3.3. Appellant heeft aangevoerd dat die termijnoverschrijding hem niet kan worden tegengeworpen gezien zijn psychische toestand van destijds. Die stelling heeft appellant niet met medische gegevens onderbouwd. De getuigen, bestaande uit familie en vrienden van appellant, hebben ter zitting eenduidig verklaard dat appellant in de periode na zijn ontslag de weg kwijt was en nauwelijks aanspreekbaar. Die periode strekt zich uit van medio 2005 tot in 2006. Uit die verklaringen komt naar het oordeel van de Raad wel naar voren dat appellant zich in een moeilijke situatie bevond en hulp nodig had, maar dat hij in de periode tussen maart 2006 en eind oktober 2006 geestelijk buiten staat was om de minister tijdig van zijn adreswijziging op de hoogte te brengen kan de Raad daaruit niet afleiden. Appellant was in maart 2006 in staat om op de hoorzitting te verschijnen en heeft zich voorts in juni 2006 laten inschrijven in de gemeente ’s-Gravenhage. Bovendien heeft appellant in juli 2006 een andere werkkring aanvaard, waarin hij tot begin 2007 werkzaam is geweest. Dit zo zijnde moet het appellant ook mogelijk zijn geweest om een adreswijziging door te geven aan de minister. Dat dit niet is gebeurd moet voor zijn rekening blijven. De rechtbank heeft dus met juistheid overwogen dat de termijnover-schrijding niet verschoonbaar was.
4. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD