Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0624

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers306485/ HA ZA 08-1106
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toestaan tussentijds appel.


Uitspraak

Uitspraak Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 306485/ HA ZA 08-1106 Uitspraak: 8 april 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiser], [eiseres], mede handelend in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [persoon 1], beiden wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. A.P. Hovinga te Rotterdam, - tegen - de naamloze vennootschap RET N.V., gevestigd te Rotterdam de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, gedaagden, advocaat mr. E. Van Houweninge Graftdijk te Rotterdam. 1 Het verdere verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 7 januari 2009 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; brief van de zijde van gedaagden d.d. 16 maart 2009, houdende het verzoek te bepalen dat vóór het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld; brief van de zijde van eisers d.d. 23 maart 2009. 2. Het verzoek en de beoordeling daarvan 2.1 De rechtbank heeft in voormeld tussenvonnis het beroep van gedaagden op verjaring verworpen voor zover dit betrekking heeft op de vordering die ziet op de schade ten gevolge van de epilepsie en overwogen dat de aansprakelijkheid van gedaagden voor de gevolgen van het ongeval vaststaat. De rechtbank heeft voorts overwogen een deskundigenbericht noodzakelijk te achten teneinde een oordeel te kunnen geven omtrent het causaal verband tussen het ongeval en de epileptische aanvallen. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich onder meer uit te laten omtrent de hoogte van het voorschot. 2.2 Gedaagden hebben bij voormelde brief van 16 maart 2009 de rechtbank verzocht uit kostentechnisch en procestechnisch oogpunt de mogelijkheid van tussentijds beroep van voormeld tussenvonnis open te stellen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt, aangezien tussentijds hoger beroep niet in hun belang is. 2.3 De rechtbank neemt bij het nemen van de beslissing op het verzoek van gedaagden in aanmerking dat het verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van vorenbedoelde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in casu voordoen. Een eventuele vernietiging van het tussenvonnis door het hof kan tot gevolg hebben dat een deskundigenbericht overbodig is. De kosten verbonden aan het deskundigenbericht zijn aanzienlijk. De deskundigen hebben deze kosten begroot op een bedrag tussen de circa € 5.400,- en € 6.200,-. In voormeld tussenvonnis is voorshands overwogen dat gedaagden het voorschot dienen te voldoen. Indien later geoordeeld mocht worden dat de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van eisers dienen te komen, is er sprake van een verhaalsrisico, nu eisers procederen op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Tot slot heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat de epilepsie van de minderjarige niet van voorbijgaande aard is, zodat op grond daarvan geen noodzaak aanwezig is het deskundigenonderzoek op korte termijn te laten plaatsvinden. Gezien het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen. 3 De beslissing De rechtbank, stelt tussentijds hoger beroep open van het tussenvonnis van 7 januari 2009. Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege. Uitgesproken in het openbaar. 204