Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0585

Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers282720 / HA ZA 07-1085
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gemeente aansprakelijk voor schade van als gevolg van onrechtmatig besluit. In verband met beroep op artikel 6: 100 BW (verrekening van voordeel) deskundigenonderzoek gelast.


Uitspraak

Uitspraak Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 282720 / HA ZA 07-1085 Uitspraak: 1 april 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. H.A. Bravenboer, - tegen - de openbare rechtspersoon de GEMEENTE ROTTERDAM, zetelende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. F. Sepmeijer. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "de gemeente". 1 Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: dagvaarding d.d. 16 april 2007 en de door [eiser] overgelegde producties; conclusie van antwoord, met producties; tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 5 september 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast; proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 december 2007; - conclusie van repliek tevens houdend vermindering c.q. wijziging van eis, met producties; - conclusie van dupliek, met producties. 2 Het geschil De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gemeente te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen: - de wettelijke rente over een bedrag van € 12.930,-- over de periode van 25 oktober 2005 tot 12 februari 2008, vermeerderd met de wettelijke rente over de wettelijke rente vanaf 12 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening; - een bedrag van € 140.246,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2007 althans de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening; - met rente en kosten. De gemeente heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding, en in de nakosten ad € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad 199,--, en met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis. 3 De beoordeling 3.1 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast. a. [eiser] is sinds 14 oktober 1996 eigenaar van een herenpand aan de [adres] (hierna: het pand). Ten tijde van de eigendomsverkrijging bevond zich op de eerste laag van het pand een horecaonderneming, op de tweede laag een kantoor en bevonden zich op de derde, vierde en vijfde verdieping vijf woonruimten. Na de eigendomsverkrijging door [eiser] is de indeling van 1996 tot in 2005 ongewijzigd blijven bestaan. c. Bij besluit van 15 juli 2005 (ontvangen 18 juli 2005) (hierna: het besluit) heeft de gemeente [eiser] onder meer als volgt bericht: “ (…) dat bij onderzoek op 22 maart 2005 is gebleken, dat u zonder vergunning als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet en artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening Rotterdam de woning op de tweede verdieping; de derde verdieping en de zolder in het pand Westersingel 50 B hebt omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte; dat tevens is geconstateerd dat het bovengenoemde pand zonder vergunning als bedoeld in artikel 7.a.2 van de Bouwverordening Rotterdam 1993, in gebruik was als verblijfsinrichting. Op dat moment waren er voor zeven personen slaapplaatsen aanwezig; dat uit dit onderzoek is gebleken dat het bovengenoemde pand niet voldoet aan de in de Bouwverordening Rotterdam 1993 gegeven gebruiksvoorschriften zoals in de bijlage is aangegeven;” De gemeente heeft bij voormeld besluit vervolgens een last onder dwangsom opgelegd onder het stellen van een begunstigingstermijn van 10 dagen. [eiser] diende binnen de gestelde termijn de onzelfstandige verhuring en exploitatie van de verblijfsinrichting te beëindigen, bij gebreke waarvan [eiser] een dwangsom zou verbeuren van € 12.930,--. d. [eiser] heeft op 22 juli 2005 een bezwaarschrift tegen voormeld besluit ingediend. e. Bij verzoekschrift van eveneens 22 juli 2005 heeft [eiser] een voorlopige voorziening gevraagd bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. De verzochte voorlopige voorziening is bij uitspraak van 25 augustus 2005 geweigerd. f. Bij besluit van 28 september 2005 is de gemeente tot incasso van de dwangsom overgegaan omdat haar tijdens controle was gebleken dat [eiser] niet aan de hem opgelegde last had voldaan. [eiser] heeft de dwangsom onder uitdrukkelijk protest op 25 oktober 2005 aan de gemeente betaald. g. [eiser] heeft vervolgens met de huurders van het pand overeenkomsten gesloten tot beëindiging van hun huurovereenkomsten c.q. tijdelijke huisvesting elders. Tevens heeft hij de drie woningen op de derde en vierde etage van het pand laten verbouwen tot één zelfstandige woning en zijn er op de tweede etage bouwkundige aanpassingen gepleegd aan de zich aldaar bevinden twee woningen. Alle drie (resterende) woningen zijn met ingang van november 2006 opnieuw verhuurd. h. De gemeente heeft op 9 januari 2007 een beslissing op het door [eiser] gemaakte bezwaar tegen het besluit van de gemeente genomen en de bezwaren van [eiser] gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en een vergoeding aan [eiser] toegekend in verband met door hem gemaakte kosten van de bestuurlijke voorprocedure. De gemeente heeft hiertoe onder meer overwogen dat de woonruimten in het pand als zelfstandig moeten worden gekwalificeerd, zodat geen sprake is van onttrekking van zelfstandige woonruimte zonder vergunning als bedoeld in artikel 30 Huisvestingswet noch sprake is van een verblijfsinrichting als bedoeld in de Bouwverordening Rotterdam 1993. i. De gemeente heeft op 12 februari 2008 de dwangsom ad € 12.930,-- zonder wettelijke rente terugbetaald aan [eiser]. 3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door naleving van een onrechtmatig gebleken besluit te vorderen. Derhalve heeft [eiser] onverschuldigd de dwangsom van € 12.930,-- betaald en is de gemeente aansprakelijk voor alle als gevolg van het onrechtmatige besluit door [eiser] geleden schade, bestaande in de kosten van verbouwingen (€ 91.873,06), gederfde onderhuurinkomsten (inclusief gemiste kostendekking € 20.103,26), betaalde vergoedingen van verhuis- en inrichtingskosten (€ 11.000,--) en btw over genoemde bedragen (€ 17.269,81). 3.3 De gemeente verweert zich primair met de stelling dat de schade met betrekking tot de kosten van verbouwing en gederfde huurinkomsten naar redelijkheid niet als gevolg van het onrechtmatige primaire besluit aan de gemeente kunnen worden toegerekend. Ter onderbouwing van deze stelling voert zij aan dat [eiser] destijds te kennen is gegeven dat - om aan de last van de gemeente te voldoen en om derhalve te voorkomen dat [eiser] een tweede last onder dwangsom zou worden aangezegd - het hem was toegestaan om zonder vergunningen aan één huurder een aantal kamers te verhuren, die vervolgens twee of meer van die kamers zou mogen onderverhuren aan maximaal twee onderhuurders. De hoofdhuurder zou dan worden aangemerkt als de exploitant in de zin van de Bouwverordening 1993. [eiser] heeft blijkens een e-mailbericht van 17 november 2005 van zijn technisch beheerder aan de gemeente de situatie overeenkomstig deze constructie aangepast, waarmee vast stond dat vanaf dat moment van een strijdige situatie als gevolg waarvan de last bij besluit van 15 juli 2005 was opgelegd geen sprake meer was. Nu [eiser] desalniettemin en zonder overleg met de gemeente omvangrijke verbouwingen heeft laten verrichten (die tot onnodige leegstand en onnodige derving van huurinkomsten hebben geleid) voordat definitief op het bezwaar was beslist, zijn de door [eiser] gemaakte kosten een gevolg van de door hem gemaakte keuzes. Aangezien [eiser] gelet op het voorgaande op grond van het besluit niet alle vijf de huurcontracten had hoeven te beëindigen, dient ook een substantieel deel van de schade met betrekking tot de gevorderde verhuis- en inrichtingskosten ad € 11.000,-- te worden afgewezen, aldus nog altijd de gemeente. De gemeente becijfert de in redelijkheid aan het primaire besluit toe te rekenen schade in verband met verhuis- en inrichtingskosten op € 4.500,--. 3.4 De rechtbank stelt voorop dat nu de gemeente niet betwist dat het besluit van 15 juli 2005 onrechtmatig is (gebleken), de rechtbank van de onrechtmatigheid hiervan uitgaat. Beoordeeld dient te worden of, zoals [eiser] stelt en de gemeente betwist, alle door [eiser] gevorderde schade is toe te rekenen aan het onrechtmatige besluit. 3.5 De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] gemaakte kosten van verbouwingen, gederfde onderhuurinkomsten en betaalde vergoedingen van verhuis- en inrichtingskosten aan de gemeente dienen te worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Het moge zo zijn dat [eiser] ervoor heeft gekozen om voor een verstrekkender oplossing te kiezen als reactie op het besluit van de gemeente dan wellicht nodig was geweest om te voorkomen dat een nieuwe last onder dwangsom werd opgelegd, maar dat noopt nog niet tot de conclusie dat de schade die uit die keuze van [eiser] is voortgevloeid in een te ver verwijderd verband staat met het handelen van de gemeente. Hierbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking. Als onbetwist staat vast de stelling van [eiser] dat de gemeente haar handhavingsbeleid met de daarbij behorende (korte) termijnen vanaf de eerste aankondiging onverminderd heeft voortgezet, ondanks de gemotiveerde door [eiser] aan de gemeente kenbaar gemaakte andersluidende visie van [eiser] en de meerdere malen uitgesproken bereidheid van [eiser] om ter voorkoming van een last onder dwangsom, met schade voor hem en huisvestingsproblemen voor de huurders tot gevolg, tot een oplossing van het probleem te komen. Dit brengt mee dat [eiser] onder tijdsdruk heeft moeten besluiten hoe hij verder diende te handelen. Tegen deze achtergrond dienen de vervolgens door [eiser] genomen beslissingen te worden bezien. Nadat [eiser] aanvankelijk opteerde voor de constructie van één hoofdhuurder met twee onderhuurders, heeft [eiser] er blijkbaar uiteindelijk voor gekozen om de vijf woningen te verbouwen tot drie woningen. [eiser] heeft bij conclusie van repliek gemotiveerd aangegeven waarom hij voor deze oplossing heeft gekozen. Het komt - verkort weergegeven - op het volgende neer. In geval van de constructie van één hoofdhuurder met twee onderhuurders zouden twee van de vijf woonruimten permanent leeg staan met derving van huurinkomsten tot gevolg, terwijl de uitkomst van de bezwaarprocedure onzeker was en derhalve uiteindelijk alsnog de noodzaak tot de thans uitgevoerde verbouwing kon ontstaan. De alternatieve optie van verbouwing van de twee resterende woningen tot kantoorruimte bleek geen oplossing vanwege de hieraan verbonden hoge kosten, aldus [eiser]. Bovendien kleefden er in de visie van [eiser] een groot aantal bezwaren aan de hoofdhuurder-onderhuurder constructie, zoals bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid van de hoofdhuurder voor de incasso van de huur van de onderhuurders en voor bezetting van de kamers die hij in onderhuur had. Deze bezwaren in aanmerking nemende, en gelet op de grote stelligheid van de gemeente dat de situatie zoals deze was voor het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet kon worden gelegaliseerd, heeft [eiser] besloten tot het op duurzame wijze aan de last voldoen, aldus [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat [eiser], het voorgaande in aanmerking nemende, in redelijkheid voor de door hem gekozen oplossing heeft kunnen kiezen zonder dat daarmee het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de gestelde schade wordt doorbroken. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de gemeente door het nemen van het onrechtmatige besluit [eiser] in een positie heeft gebracht waarin hij een wijziging diende aan te brengen in de blijkbaar reeds jaren bestaande situatie met alle gevolgen van dien, terwijl [eiser] zonder het onrechtmatige besluit op dezelfde wijze had kunnen doorgegaan zonder dat hij andere keuzes en daarmee kosten had hoeven maken. 3.6 Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de gemeente stelt, [eiser] ervan op de hoogte was dat hij ter voorkoming van nadere lasten kon volstaan met de constructie van een hoofdhuurder met twee onderhuurders en beëindiging van twee huurovereenkomsten en dat hij aanvankelijk de situatie ook overeenkomstig deze constructie heeft aangepast en de gemeente hiervan op de hoogte had gesteld. Zoals volgt uit het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om een andere constructie dan de constructie van één hoofdhuurder met twee onderhuurders te kiezen. 3.7 Ook kan [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen dat hij voorafgaand aan de verbouwing geen overleg met de gemeente heeft gevoerd. Daargelaten dat niet valt in te zien op basis waarvan [eiser] verplicht zou zijn om ter zake dergelijke beslissingen ter uitvoering van een last onder dwangsom overleg met de gemeente te voeren, doorbreekt de enkele omstandigheid dat [eiser] geen overleg met de gemeente heeft gevoerd over zijn voornemen om te gaan verbouwen niet het door de rechtbank aangenomen causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade 3.8 Het enkele feit dat [eiser] ook voor de oplossing van een hoofdhuurder met twee onderhuurders had kunnen kiezen, is om dezelfde redenen als hiervoor weergegeven geen omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. De schadebeperkingsplicht van [eiser] brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat [eiser] een voor hem in economische zin niet aantrekkelijke en een in zijn ogen niet praktisch werkbare constructie zou moeten hanteren teneinde voor de gemeente de risico’s te beperken die voortvloeien uit haar onrechtmatig handelen, welk voortdurend onrechtmatig handelen de gemeente zelf, mede gelet op de daaruit voortvloeiende schade voor [eiser] en de risico’s voor haarzelf, op ieder moment had kunnen beëindigen. 3.9 De gemeente heeft ter onderbouwing van haar beroep op eigen schuld voorts gesteld dat [eiser] ervoor had kunnen kiezen om in overleg met de gemeente af te spreken in hoeverre het elektriciteitsnet van de woonunits diende te worden aangepast om aan het criterium zelfstandige woonruimte in de zin van artikel 30 lid 2 van de Huisvestingswet te voldoen, nu de wijze waarop de elektriciteitsvoorziening functioneerde voor de gemeente een belangrijk punt was in het kader van haar oordeel dat sprake was van onzelfstandige woonruimten. Deze stelling treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Immers, daargelaten dat [persoon 1] als gesprekspartner van [eiser] bij de gemeente niet tegen [eiser] heeft gezegd dat dit een mogelijkheid was om aan de last onder dwangsom te voldoen (zie proces-verbaal van de comparitie), geldt dat het besluit van de gemeente dat sprake was van onttrekking van zelfstandige woonruimte niet alleen was gebaseerd op de stelling dat de elektriciteitsvoorziening niet duidde op zelfstandige woonruimte maar tevens was gebaseerd op de stelling dat deze woningen niet over een eigen toegang beschikten. 3.10 De gemeente heeft nog aangevoerd dat [eiser] bij zijn omvangrijke verbouwing rechtens geheel onverplicht heeft voldaan aan de gebruiksvoorschriften als bedoeld in de Bouwverordening Rotterdam 1993 zoals weergegeven in de bijlage bij het besluit van 15 juli 2005. Nu de gemeente hier geen gevolgtrekking aan verbindt, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij als niet ter zake doende. 3.11 De gemeente heeft bij conclusie van antwoord betwist dat zij btw verschuldigd is aan [eiser] en heeft in dit verband de vraag opgeworpen waarom [eiser] geen btw zou kunnen verrekenen. Naar aanleiding van de beantwoording van deze vraag door [eiser] bij conclusie van repliek, heeft de gemeente bij conclusie van dupliek haar betwisting van de verschuldigdheid van btw door [eiser] niet gehandhaafd. De rechtbank neemt derhalve als vaststaand aan dat [eiser] over de door haar gevorderde bedragen btw verschuldigd is geweest, en in zoverre ook schade heeft geleden. 3.12 Nu de gemeente overigens de hoogte van de gevorderde schade niet heeft betwist, is de rechtbank van oordeel, het voorgaande in aanmerking nemende, dat de gevorderde schade van [eiser] volledig aan de gemeente kan worden toegerekend. 3.13 De gemeente beroept zich tot slot op artikel 6:100 BW en stelt ter onderbouwing hiervan dat de omvangrijke verbouwingen [eiser] naast schade tevens voordeel hebben opgeleverd, welk voordeel bestaat uit een toename van de waarde van het pand en meer huurinkomsten. 3.14 [eiser] heeft in reactie hierop een onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 1] naar de onderhandse verkoopwaarde van het pand in verhuurde staat voor en na de verbouwing. Uit deze rapporten volgt dat het pand in waarde is toegenomen met afgerond € 20.000,--. [eiser] heeft voor het geval de rechtbank een onafhankelijk deskundige wil benoemen voorgesteld om [persoon 2] van [bedrijf 2] te Rotterdam en/of [persoon 3] van [bedrijf 3] te Rotterdam te benoemen en voorts een voorstel voor aan de deskundige te stellen vragen gedaan. 3.15 De gemeente heeft in reactie hierop voorgesteld om [persoon 4] van [bedrijf 4] als deskundige te benoemen en stelt voor om deze deskundige in kaart te laten brengen de waarde van het pand vóór en na de verbouwing in verhuurde en in onverhuurde staat. 3.16 De rechtbank heeft in verband met het door de gemeente gedane beroep op artikel 6:100 BW behoefte aan voorlichting door een onafhankelijk deskundige. Nu de gemeente geen verweer heeft gevoerd tegen de door [eiser] voorgestelde deskundigen, maar heeft volstaan met het doen van een tegenvoorstel, gaat de rechtbank ervan uit dat de gemeente geen steekhoudende bezwaren heeft tegen de benoeming van een door [eiser] genoemde deskundigen. Nu naar het oordeel van de rechtbank met één deskundige kan worden volstaan, zal de rechtbank [persoon 2] van [bedrijf 2] te Rotterdam als deskundige benoemen. 3.17 Mede in aanmerking genomen voorts hetgeen partijen omtrent de aan de deskundige voor te leggen vragen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank de in het dictum te vermelden vragen aan de deskundige ter beantwoording voorleggen. 3.18 De te benoemen deskundige heeft zich bereid verklaard als zodanig op te treden, desgevraagd te kennen gegeven geen binding met partijen te hebben en niet betrokken te zijn bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen. 3.19 De deskundige heeft het aan het onderzoek verbonden loon en de kostenvergoeding begroot op € 2.820 (excl. btw), uitgaande van een uurtarief van € 235,-- (excl. btw). In de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van de gemeente voor vergoeding van de schade als gevolg van haar onrechtmatig besluit thans is gegeven, ziet de rechtbank aanleiding om - in afwijking van het bepaalde in artikel 195 Rv, tweede volzin - de gemeente te belasten met het deponeren van dit bedrag als voorschot. 3.20 Bij gewijzigde eis vordert [eiser] niet langer de door hem aan de gemeente betaalde dwangsom met rente, maar beperkt hij zijn vordering tot de wettelijke rente over € 12.930,-- vanaf 25 oktober 2005 tot 12 februari 2008 aangezien de gemeente op 12 februari 2008 een bedrag van € 12.930,-- aan [eiser] heeft gerestitueerd. Tevens vordert hij wettelijke rente over de wettelijke rente. De wettelijke rente over € 12.930,-- vanaf 25 oktober 2005 tot 12 februari 2008 bedraagt € 3.237,53, aldus [eiser]. De gemeente stelt dat [eiser] aldus ten onrechte de wettelijke handelsrente vordert, terwijl hij dit niet bij dagvaarding heeft gevorderd, en dat ook overigens niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6:119a BW. Met inachtneming hiervan komt de berekening van de gemeente van de wettelijke rente op een bedrag van € 1.532,83. Nu [eiser] nog niet op dit verweer van de gemeente heeft kunnen reageren, wordt hij in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te doen bij conclusie na deskundigenbericht. 3.21 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden. 3 De beslissing De rechtbank, alvorens verder te beslissen, beveelt een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de volgende vragen: - wat was de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde en in onverhuurde staat van het pand aan de [adres] naar de situatie in juli 2005 (voorafgaand aan de verbouwing en (gedeeltelijke) beëindiging van de huurcontracten, op basis van het prijspeil in (juli) 2005? - wat is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde en in onverhuurde staat van voornoemd pand op basis van de situatie per 30 november 2006 naar het prijspeil in (november) 2006? - kunt u - mede in het kader van de beantwoording van bovenstaande vragen - inzichtelijk maken wat de totale huurinkomsten van [eiser] waren per jaar voor de verbouwing en wat zijn huurinkomsten zijn per jaar na de verbouwing? - welke opmerkingen zijn naar het oordeel van de deskundige verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing? benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten: [persoon 2] [bedrijf 2] [adres bedrijf 2] [telefoonnummer bedrijf 2]; bepaalt dat de gemeente binnen vier weken na heden het voor de deskundige bestemde voorschot ad € 2.820,-- overmaakt naar bankrekeningnummer 19.23.25.892 ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam (545), onder vermelding van het zaak- en rolnummer, alsmede: "voorschot deskundigenbericht"; draagt de griffier op aan genoemde deskundige mede te delen dat het voorschot is gestort; bepaalt dat bij achterwege blijven van storting van het voorschot de zaak zal worden verwezen naar de rol van 27 mei 2009 voor conclusie na niet-uitgebracht deskundigenbericht; bepaalt dat [eiser] het procesdossier in afschrift aan de deskundige doet toekomen; bepaalt dat het onderzoek zal plaatsvinden op een nader door de deskundige na overleg met de advocaten (raadslieden) van partijen te bepalen plaats en tijd; bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en daarvan moet doen blijken in het door hem op te maken deskundigenbericht; bepaalt dat het ondertekende deskundigenbericht uiterlijk twee maanden nadat de griffier heeft medegedeeld dat het voorschot is voldaan, zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank; bepaalt dat de deskundige bij de inlevering van het deskundigenbericht een gespecificeerde opgave doet van het loon en de kostenvergoeding; bepaalt dat [eiser] vier weken nadat het deskundigenbericht bij de griffie van deze rechtbank is ingeleverd in de gelegenheid is ter rolle een conclusie na deskundigenbericht te nemen, in welke conclusie [eiser] zich tevens kan uitlaten als bedoeld in rechtsoverweging 3.20. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker. Uitgesproken in het openbaar. 1582/1729