Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0560

Datum uitspraak2009-04-09
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-000216-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Veroordeelde is door de rechtbank Leeuwarden ter zake van het meermalen verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden cocaïne veroordeeld tot straf. Uit het bewezen verklaarde handelen heeft veroordeelde voordeel verkregen. Een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep leidt tot een vermindering van het te ontnemen bedrag met 5%. Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.439,- en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van dit bedrag ter ontneming van dat voordeel.


Uitspraak

Parketnummer: 24-000216-07 (ontneming) Parketnummer eerste aanleg: 17-880278-06 Arrest van 9 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 18 januari 2007, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen: [verdachte], geboren op [1977] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.T. Gerbrandy, advocaat te Leeuwarden. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Leeuwarden heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 18 januari 2007 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 17-880278-06, het door veroordeelde uit baten van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 10.952,- en hem de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel. Gebruik van het rechtsmiddel De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 11.514,- en dat - in verband met een overschrijding van de redelijke termijn - aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 10.952,- aan de Staat, ter ontneming van dat voordeel. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden (parketnummer 17-880278-06) ter zake van (onder meer) het in de periode van 1 juli 2006 tot en met 20 september 2006 te [plaats 1] meermalen verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden cocaïne veroordeeld tot straf. De veroordeelde heeft uit het bewezen verklaarde handelen voordeel verkregen. Aan de inhoud van de hierna opgenomen wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel. Bewijsmiddelen 1.Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor, nummer [nummer], d.d. 23 september 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Fryslân (pagina's 64 t/m 67 van een dossier met nummer [nummer]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [verdachte]: Ik ben met de trein naar het [treinstation] gegaan vanuit [plaats 1]. [naam 1] gaf mij daar een pakketje van 400 gram cocaïne. Ik moest voor die cocaïne 28 euro per gram betalen. In totaal moest ik dus 11.200 euro betalen. Die 400 gram heb ik aan [naam 2] verkocht. Nadat ik die 400 gram had verkocht, heb ik een afspraak met [naam 1] gemaakt om hem te betalen. Ik ben weer naar het [treinstation] gegaan. Ik heb [naam 1] daar toen 11.200 euro betaald. Nadat ik [naam 1] had betaald ben ik weer naar huis gegaan. Ik heb [naam 1] daarna opnieuw ontmoet op het [treinstation] te [plaats 2]. Ik kreeg toen een pakket van 500 gram cocaïne en een pakket van 200 gram cocaïne. Ik heb ook die keer de cocaïne meegenomen zonder te betalen. Ik zou hem wederom betalen als ik de cocaïne verkocht had. Ik heb dat bedrag niet aan [naam 1] betaald omdat hij is omgekomen bij een motorongeluk op Curaçao. 2.Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor, nummer [nummer]-18, d.d. 26 september 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Fryslân (pagina's 68 t/m 72 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [verdachte]: Ik had in eerste instantie 400 gram cocaïne van [naam 1] gekregen die ik aan [naam 2] heb verkocht. Ik kocht de cocaïne in voor 28 euro en verkocht het aan [naam 2] voor 30 euro. Ik had dus een winst van 800 euro. De keer daarna kreeg ik 700 gram cocaïne van [naam 1]. Omdat ik [naam 1] achteraf zou betalen en [naam 1] inmiddels is overleden, heb ik deze 700 gram dus voor niets gekregen. Ik hoef [naam 1] nu immers niet meer te betalen. Ik heb alleen aan [naam 2] cocaïne verkocht. Ik heb inmiddels van u begrepen dat er cocaïne in mijn woning is gevonden en in beslag genomen. Het verschil tussen de 700 gram die ik van [naam 1] heb gekregen en de hoeveelheid cocaïne die in mijn woning is aangetroffen, heb ik samen met de eerder genoemde 400 gram cocaïne verkocht. 3.Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een kennisgeving van inbeslagneming, nummer [nummer]-9, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Fryslân (pagina's 7-8 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Verdachte: Naam : [verdachte] Voornamen : [verdachte] Geboren op : 15/12/1977 Adres : [adres] Plaats : [plaats 1] Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen op het adres [adres] te [plaats 1]: - blok 213 gram witte stof (getest als cocaïne); - blok 300 gram witte stof (getest als cocaïne); - blok 19,2 gram witte stof (getest als cocaïne). 4.Een proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, nummer [nummer], d.d. 13 november 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie Fryslân, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van verbalisant: [verdachte] verklaarde dat hij voor het vervoer naar zijn dealer in [plaats 2] drie reizen per trein heeft gemaakt. De onkosten bedroegen 3 (treinreizen [plaats 1] - [treinstation]) x 36 euro per retour = 108 euro. Geschatte voordeel De hoogte van het geschatte voordeel bepaalt het hof op basis van de volgende berekening: Verkochte hoeveelheid cocaïne : 400 + (700 - 532,2) = 567,8 gram Verkoopprijs per gram : 30 euro Opbrengst : 567,8 gram x 30 euro = 17.034 euro Inkoopkosten : 400 gram x 28 euro = 11.200 euro Treinkosten : 108 euro Voordeel : 17.034 - 11.200 - 108 = 5.726 euro Redelijke termijn Tussen het instellen van hoger beroep en de binnenkomst van het dossier bij het hof zijn ruim 16 maanden verstreken. De redelijke termijn van inzending van het dossier is derhalve met ruim 8 maanden overschreden. Deze overschrijding is niet gecompenseerd door een voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. De redelijke termijn van berechting in hoger beroep is uiteindelijk met ruim twee maanden overschreden. Het hof vermindert het aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel met 5%. Aldus resteert een bedrag van € 5.439,-. Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om € 5.439,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [verdachte] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.439,-; legt de veroordeelde [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van vijfduizend vierhonderd-negenendertig euro ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. R.E.A. Toeter, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.