
Jurisprudentie
BI0557
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers251953 / HA ZA 08-1451
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers251953 / HA ZA 08-1451
Statusgepubliceerd
Indicatie
Commissie voor Geschillen van de KNMG (CvG) oordeelt dat hoofd huisartsenopleiding terecht tot beëindiging van de opleiding heeft kunnen komen, artikel 7:904 BW, marginale toets, uitspraak ondeugdelijk gemotiveerd op het punt van onmiddellijke beëindiging, gebondenheid aan uitspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar omdat deugdelijke motivering niet tot een andere uitkomst zou leiden.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 251953 / HA ZA 08-1451
Vonnis van 8 april 2009
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. E.H. de Jonge-Wiemans,
tegen
[gedaagde],
in zijn hoedanigheid van hoofd huisartsenopleiding Universitair Medisch Centrum, divisie Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen Eerstelijns Geneeskunde te Utrecht,
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. O.L. Nunes.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2008;
- de brief van [gedaagde] van 3 december 2008 ten behoeve van de comparitie;
- de brief van [eiseres] van 13 januari 2009 ten behoeve van de comparitie;
- het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2009.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
2.1. Op 1 september 2005 is [eiseres] als arts in opleiding tot specialist (hierna: aios) begonnen met de opleiding huisartsgeneeskunde aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: het UMCU). In het eerste opleidingsjaar hebben een evaluatiegesprek alsmede een voorbeoordelingsgesprek en een go-no-go-gesprek plaatsgevonden.
2.2. Na het eerste jaar is blijkens het verslag van 23 maart 2006 door [eiseres]s groepsbegeleiders als voorlopig oordeel “Go, mits” gegeven. In dit verslag, dat door [eiseres] is ondertekend, is onder meer vermeld:
“Wij geven aan dat we nauwelijks zien dat [eiseres] iets raakt. Vraag is dus of ze zich laat raken. Zo ja, dan laat ze het aan ons niet zien. [eiseres] kan zich niet vinden in het verslag. Ze geeft aan dat haar opleider vindt dat het goed gaat. We leggen haar de impasse voor: wij zeggen voortdurend wat ze zien en niet zien, wat we missen, waar we over twijfelen. [eiseres] reageert met argumenten die dit ontkennen of waar ze zich mee verdedigt en we belanden in een patstelling. Om deze te doorbreken stellen wij, de groepsbegeleiders, als eis dat we reflectief gedrag willen zien in de uitwisseling en de consulten. Deze eis vertegenwoordigt de Mits in het voorlopige oordeel.”
2.3. Het oordeel “Go, mits” is omgezet in een “Go”, waaraan de voorwaarde is verbonden dat de opleiding van [eiseres] met drie maanden werd verlengd, welke verlenging aan het einde van de opleiding zou volgen.
2.4. In de periode van september tot december 2006 heeft [eiseres] in haar tweede opleidingsjaar een GGZ-stage gelopen, welk opleidingsjaar vanwege vrijstellingen drie maanden duurde. In het verslag van 30 november 2006 van [begeleider 1] (psycholoog-groepsbegeleider) wordt onder meer vermeld dat nog geen sprake is van echte reflectie en dat dit onderwerp aandachtspunt blijft in het vervolg van de opleiding en de supervisie.
2.5. In december 2006 is [eiseres] in het kader van haar derde studiejaar begonnen met een stage bij een huisarts. Op 3 april 2007 vindt een ontkoppeling plaats tussen [eiseres] en haar opleider [opleider]. In het verslag van [begeleider 2] (huisarts-groepsbegeleider) van deze datum is onder meer vermeld:
“De punten waar [opleider] ([opleider]; toevoeging rechtbank) tegenaan loopt zijn: onderlinge samenwerking en een andere verwachting van leren hebben. Voor [eiseres] ([eiseres]; toevoeging rechtbank) geldt hetzelfde.
(…)
Terugkomend op de eigen aandelen hierin:
[opleider] vindt achteraf dat ze te laat en te weinig heeft ingegrepen. Ze heeft te lang gedacht dat het een kwestie van wennen was. Kleine signalen niet willen zien.
[eiseres] ziet haar eigen aandeel niet. Ze heeft alles netjes gecommuniceerd.”
In het verslag van Feijen van 10 april 2007 wordt over de ontkoppeling gezegd:
“Ze ([eiseres]; toevoeging rechtbank) heeft nagedacht over haar eigen aandeel in het conflict, heeft nagedacht over wat ze fout heeft gedaan, maar ze komt er niet achter.
(…)
Na het vorige gesprek heeft ze nog met [X] ([teamleider], teamleider 3e jaar; toevoeging rechtbank) gepraat over haar zorg de opleiding misschien niet te mogen afmaken. Dat zou ze vreselijk vinden want ze vindt dit het mooiste vak dat er bestaat. We leggen uit dat daar nu geen sprake van is: ze krijgt een nieuwe kans.”
Blijkens dit verslag worden vervolgens – samengevat – drie leerdoelen gesteld op het gebied van de relatie tussen arts en patiënt, samenwerking en het krijgen van feedback.
2.6. Vanaf juni 2007 heeft [eiseres] een GGZ-stage in het Meander Medisch Centrum (hierna: het Meander) gelopen. In het emailbericht van 16 augustus 2007 van [begeleider 3] (begeleidend psychiater van het Meander) aan [teamleider] staat onder meer:
“Ze [eiseres] toevoeging rechtbank) kan niet inzien dat ze iets structureel fout doet in de communicatie en niet betrouwbaar is in de samenwerking. Er is grote zorg bij ons gerezen of deze vrouw wel geschikt is voor het zware beroep van de huisarts.”
In het verslag van 21 augustus 2007 van het telefoongesprek tussen [begeleider 3] en de manager opleiding [manager] wordt over [eiseres] gezegd:
“Er spelen de volgende problemen:
- Aanvankelijk ten aanzien van psychiater pleasend, zuigend en afhankelijk gedrag.
- Naarmate de stage vordert, de tijd voortschrijdt komt de aap uit de mouw.
- Collega artsen en psychiaters van de afdeling worden niet geïnformeerd door [eiseres], ze weigert te komen in het ziekenhuis op verzoek van een internist, onbetrouwbaar gedrag, hele nacht niet bereikbaar geweest, oncollegiaal gedrag: afschuiven van werk, drukkend gedrag, ziek op strategische dagen, vaak vrije dagen nemen, et cetera.
- Door psychiater geobserveerd gedrag met patiënten verloopt redelijk.
- Confrontatie met kritiekpunten veroorzaakt uitsluitend ontkenning en excuus.
- Volledig onvermogen naar zichzelf te kijken!
- Heeft nu nog 1,5 week te gaan. Sturen haar niet weg. Psychiater heeft haar geadviseerd hulp te zoeken in verband met een persoonlijkheidsstoornis.”
2.7. Op 22 augustus 2007 vindt een gesprek plaats tussen [eiseres] en [gedaagde]. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [gedaagde] bij brief van 3 september 2007 het besluit genomen [eiseres] voor te dragen bij de Huisarts Verpleeghuisarts Registratie Commissie (HVRC) voor het stopzetten van haar opleiding. In deze brief schrijft [gedaagde] onder meer:
“Op 22 augustus 2007 voerden wij een gesprek over de problemen in je opleidingssituatie. (…) Dit gesprek had ik aangevraagd, omdat ik jou in de gelegenheid wilde stellen een toelichting te geven op de zeer ernstige signalen, die tot mij waren gekomen over je disfunctioneren in de opleiding. Problemen in je laatste stage zouden in een normale werksituatie hebben kunnen leiden tot ontslag op staande voet. Deze problemen staan niet op zich daar er al vanaf het eerste jaar problemen in je opleidbaarheid zijn geconstateerd.”
En:
“Het gesprek was bedoeld om te kijken naar hetgeen zich in de opleiding had voorgedaan en wat de conclusies waren ten opzichte van je opleidbaarheid. Aan het begin van het gesprek gaf [manager] een samenvatting van de problemen: niet collegiaal handelen, onduidelijk zijn in het maken van afspraken, geen verantwoordelijkheid nemen voor de problemen, taken afschuiven. Vervolgens heb ik je uitgenodigd om een reflectie op de ontstane problemen te geven. Je eerste reactie was ontkenning en dat verontrustte mij nog meer. (…)”
En voorts:
“In de tweede psychiatrie stage zijn dezelfde problemen van gebrek aan reflectie geconstateerd en bleven er onvoldoende verbeteringen / veranderingen op de competenties samenwerken, en professioneel handelen.”
In de brief wordt verder gezegd:
“Dit onvermogen tot reflecteren is niet wezenlijk veranderd daar wij ook in ons gesprek dit externaliseren konden waarnemen. Kritiek laat je niet tot je doordringen, maar je voert alleen maar excuses en argumenten aan, zonder goed besef van de impact die de kritiek zou moeten hebben.”
(…)
“Afspraak is dat naar aanleiding van dit gesprek, jij nogmaals bij jezelf te rade zou gaan en dat ik naar aanleiding van dit gesprek mijn conclusies op papier zou zetten. Ik zou ook nadenken of er condities zijn te bedenken om je wel opleidbaar te maken. Helaas moet ik op basis van het bovenstaande concluderen dat in de opleidingssituatie dit niet mogelijk is. (…) Een opleidingspraktijk en de opleiding is niet de aangewezen plek om aan deze problematiek in je persoonlijk functioneren te werken. (…).
Indien je het niet eens bent met deze beslissing kun je binnen twee weken na dagtekening een geschil aanhangig maken conform de procedure zoals vermeld in de Gids Huisartsopleiding Utrecht.(versie april 2007)”
2.8. Bij brief van 1 september 2007 aan [gedaagde] geeft [eiseres] aan het oneens te zijn met zijn beslissing en deelt zij mee een geschil aanhangig te maken.
2.9. Blijkens het mediationverslag van 26 september 2007 van NMI-mediator [mediator] zijn [eiseres] en [gedaagde] het erover eens dat de mediation als beëindigd kan worden beschouwd zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt.
2.10. Op 15 oktober 2007 heeft [eiseres] een verzoekschrift ingediend bij de Commissie voor Geschillen van de KNMG (hierna: de CvG), waarop [gedaagde] op 27 november 2007 schriftelijk verweer heeft gevoerd. In het kader van de procedure bij de CvG heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan verslag is gemaakt.
2.11. In haar uitspraak van 29 januari 2008 komt de CvG tot het oordeel dat [gedaagde] terecht heeft kunnen besluiten de opleiding tot huisarts van [eiseres] te beëindigen.
3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank de uitspraak van de commissie voor geschillen van 29 januari 2008 vernietigt en, opnieuw recht doende, bepaalt dat [eiseres] haar opleiding tot huisarts zal mogen afronden op door de rechtbank te bepalen voorwaarden, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.
3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de beslissing van [gedaagde] onaanvaardbaar is, omdat [eiseres] slechts negen maanden verwijderd was van afronding van haar opleiding en de uitspraak vergaande gevolgen heeft voor [eiseres]s carrière en inkomenspositie. Voorts stelt [eiseres] dat de verwijten dat zij niet opleidbaar is, onjuist zijn. Als zij werkelijk niet opleidbaar zou zijn, dan had dit haar bovendien eerder moeten worden meegedeeld, aldus [eiseres]. Volgens haar heeft [gedaagde] ook nimmer een concreet verbeterplan opgesteld. Zij stelt in dit verband dat de opleiding enkel mag worden stopgezet op grond van objectieve en vastgestelde maatstaven en opleidingseisen en niet wegens subjectieve kwalificaties als niet-opleidbaarheid.
3.3. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat in het onderhavige geval geen plaats is voor een marginale toets, omdat het bindend advies van de CvG zijn grondslag vindt in het Besluit van 19 februari 2004 houdende de algemene eisen voor de opleiding tot huisarts, verpleeghuisarts en arts voor verstandelijk gehandicapten, de erkenning als opleider, opleidingsrichting of opleidingsinstituut voor de opleiding tot huisarts, verpleeghuisarts of arts voor verstandelijk gehandicapten en de registratie en herregistratie van huisartsen, verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk gehandicapten (hierna: het Kaderbesluit CHVG) en derhalve niet vrijwillig na een geschil is overeengekomen.
3.4. Volgens [eiseres] is de CvG voorts buiten haar boekje gegaan nu zij meer heeft gedaan dan het enkele toetsen van het besluit van [gedaagde]. In dit besluit worden de telefonische bereikbaarheid en de competentie samenwerking niet genoemd, aldus [eiseres], terwijl de CvG daar wel over oordeelt en de telefonische bereikbaarheid zelfs centraal stelt. Zodoende heeft de CvG haar uitspraak ondeugdelijk gemotiveerd.
3.5. [gedaagde] voert als verweer aan dat de rechtbank de uitspraak van de CvG marginaal dient te toetsen. Volgens [gedaagde] is het niet aan de rechtbank een oordeel te geven over de juistheid van zijn beslissing, maar is de onderhavige procedure beperkt tot de vraag of er zodanige ernstige gebreken kleven aan de uitspraak van de CvG dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [eiseres] niet aan die beslissing is gebonden. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [gedaagde] ter comparitie aangevoerd dat het Kaderbesluit CHVG door beide partijen is aanvaard, hetgeen meebrengt dat zij wisten dat zij een bindend advies gingen aanvragen.
3.6. De inhoudelijke bezwaren van [eiseres] zijn dezelfde als die in de procedure bij de CvG zijn aangedragen, aldus [gedaagde]. Nu deze bezwaren, die reeds door de CvG zijn behandeld en beoordeeld, zich richten tegen het besluit van [gedaagde], miskent [eiseres] volgens [gedaagde] dat in deze procedure niet de beoordeling van zijn beslissing voorligt, maar uitsluitend de beoordeling van het bindend advies.
3.7. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat tijdens de behandeling bij de CvG uitvoerig is gesproken over de vraag of de opleiding van [eiseres] onmiddellijk moest worden beëindigd. In het belang van de patiëntveiligheid heeft de CvG daartoe aanleiding gezien, welk oordeel zij volgens [gedaagde] voldoende heeft gemotiveerd.
3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de uitspraak van de CvG heeft te gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:904 BW.
4.2. Allereerst ligt de vraag voor of de uitspraak van de CvG volledig dan wel marginaal getoetst moet worden. Voor de beantwoording van deze vraag is (in lijn met HR 31 mei 1996, LJN: ZC2085) van belang of [eiseres] op grond van het Kaderbesluit CHVG dan wel een individuele afspraak tussen haar en het UMCU aan de uitspraak van de CvG gebonden is. [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit niet het geval is. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat [eiseres] in haar brief van 1 september 2007 (zie r.o. ?2.8) aankondigt het geschil aan de CvG voor te leggen. Tevens stelt de rechtbank vast dat uit haar verzoekschrift, de pleitaantekeningen van haar raadsman alsmede het verslag van de hoorzitting niet blijkt dat [eiseres] zich in de procedure bij de CvG op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gebonden is aan de uitspraak van de CvG en de kwestie aan de burgerlijke rechter wenst voor te leggen. Gelet hierop – en mede gelet op het feit dat [eiseres] in haar dagvaarding ook het standpunt inneemt dat de uitspraak van de CvG marginaal getoetst dient te worden – zal de rechtbank deze uitspraak op de voet van artikel 7:904 lid 1 BW marginaal toetsen.
4.3. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren van [eiseres] zich uitsluitend richten tegen de inhoud – en in het bijzonder de motivering – van de uitspraak van de CvG en niet tegen de wijze waarop deze tot stand is gekomen.
4.4. De rechtbank stelt voorts vast dat [eiseres] in de procedure bij de CvG dezelfde bezwaren heeft opgeworpen als zij in de onderhavige procedure opwerpt. Deze bezwaren richten zich tegen het besluit van [gedaagde] van 3 september 2007. Het behoort echter niet tot de taak van de rechtbank in dit geding een oordeel te geven over de juistheid van de beslissing van [gedaagde]. Het gaat er derhalve niet om of [gedaagde] tot een andere, misschien betere, beslissing had kunnen komen. De rechtbank moet zich beperken tot de vraag of de uitspraak van de CvG zodanig ernstige gebreken heeft dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eiseres] aan deze uitspraak gebonden moet worden geacht. Het geven van een verderstrekkend oordeel over de inhoud van deze uitspraak ligt evenmin op de weg van de rechtbank.
4.5. De rechtbank zal de stellingen van [eiseres] – mede gelet op haar toelichting ter zitting – evenwel in het kader van de marginale toets beschouwen en in haar oordeel betrekken.
Ongeschiktheid de opleiding voort te zetten
4.6. De rechtbank stelt vast dat de CvG aan haar beslissing – samengevat – ten grondslag legt dat de opleiding huisartsgeneeskunde ex artikel B.2 van het Kaderbesluit CHVG gericht is op het bereiken van de door het CHVG vastgestelde algemene competenties en aan het specialisme verbonden specifieke competenties. Van deze algemene competenties maken professioneel handelen en samenwerking deel uit. Voorts overweegt de CvG dat het opleidingsinstituut op grond van het Protocol toetsing en beoordeling regelmatig educatieve en selectieve toetsen uitvoert. Deze selectieve toetsen zijn erop gericht te beoordelen of de aios de opleiding kan voortzetten. De beslissing of de opleiding kan worden voortgezet, dient te zijn gebaseerd op de verwachting dat de aios aan de gestelde competenties kan voldoen.
4.7. De CvG stelt vervolgens vast dat gedurende de opleiding van [eiseres] verschillende malen aandachtspunten zijn geformuleerd die betrekking hadden op de competenties professioneel handelen en samenwerking, waarvan reflectie en feedback onderdeel uitmaken. De CvG constateert dat er vanaf het begin van de opleiding kritiek is geweest op het professionele gedrag van [eiseres] alsmede op haar vermogen tot samenwerking en reflectie. Hierbij betrekt de CvG diverse in het geding gebrachte (gespreks)verslagen, waaronder het verslag van 23 maart 2006 (zie r.o. ?2.2). Voorts overweegt de CvG dat deze kritiek aan de verlenging van de opleiding van [eiseres] ten grondslag heeft gelegen (zie r.o. ?2.3), welke kritiek – ondanks extra begeleiding – is blijven bestaan. De CvG overweegt vervolgens:
“Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is voldoende duidelijk geworden dat van enige groei van de aios ([eiseres]; toevoeging rechtbank) ten aanzien van de competenties professioneel handelen en samenwerking en organisatie nauwelijks sprake is geweest. In het eerste opleidingsjaar was de aios al gewezen op een gebrek aan reflecterend vermogen. Zij heeft de CvG tijdens de zitting niet duidelijk kunnen maken wat zij onder reflectie verstaat. Hierdoor geeft zij blijk van onvoldoende groei op het gebied van de competentie professioneel handelen. Op grond hiervan heeft het hoofd terecht kunnen oordelen dat de aios niet geschikt is de opleiding voort te zetten.”
De rechtbank constateert dat de CvG bij dit oordeel ook acht heeft geslagen op het feit dat een ontkoppeling met de huisartsopleider heeft plaatsgevonden (zie r.o. ?2.5) en hierbij tevens de mededelingen van de begeleidend psychiater van het Meander heeft betrokken (zie r.o. ?2.6).
4.8. Gelet op de wijze waarop de CvG haar oordeel dat [eiseres] niet geschikt is de opleiding tot huisarts voort te zetten – mede door verwijzing naar de door partijen in het geding gebrachte stukken en hetgeen zij tijdens de hoorzitting over en weer hebben aangevoerd – heeft gemotiveerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de uitspraak op dit punt een dermate ernstig gebrek vertoont dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiseres] daaraan gebonden te achten.
Onmiddellijke beëindiging van de opleiding
4.9. Hoewel de CvG heeft nagelaten in het dictum van haar uitspraak op dit punt uitspraak te doen, begrijpt de rechtbank dat uit haar overwegingen blijkt dat de CvG tevens van oordeel is dat [gedaagde] terecht tot onmiddellijke beëindiging van de opleiding heeft besloten. De CvG overweegt dienaangaande:
“In het midden kan worden gelaten of in dit stadium van de opleiding aan het oordeel dat de aios niet geschikt is de opleiding voort te zetten, ook daadwerkelijk de consequentie zou mogen worden verbonden de opleiding ook feitelijk te beëindigen, nu dat laatste – i.e. de daadwerkelijke beëindiging – is geïndiceerd door de aanwezigheid van dringende redenen op grond waarvan de zorg voor patiënten in het geding is. De CvG is van mening dat van dergelijke dringende redenen sprake is nu de aios tijdens een hele bereikbaarheidsdienst onbereikbaar is geweest zonder voldoende te checken of haar telefoon het wel deed en – als zij daarop wordt aangesproken – de verantwoordelijkheid daarvoor extern neer te leggen zonder daarbij in voldoende mate haar eigen aandeel te betrekken.”
En voorts:
“De CvG merkt hierbij nog wel op dat na ontkoppeling het opleidingsinstituut duidelijker over de intentie van de stage in het ziekenhuis met de aios had mogen communiceren. En ook de toewijzing van een andere mentor had op de weg gelegen van het opleidingsinstituut. Zulks weegt echter onvoldoende op tegen de dringende redenen die de CvG in ogenschouw neemt bij haar oordeel dat terecht besloten is de opleiding tot huisarts te beëindigen.”
4.10. Blijkens het verslag van de hoorzitting bij de CvG heeft [gedaagde] verklaard:
“De aios is tijdens de hele bereikbaarheidsdienst onbereikbaar geweest en dat zou de reden zijn voor ontslag op staande voet. (…) De bereikbaarheidsdienst is de druppel geweest. Fouten maken mag, maar de aios moet ook kijken naar wat haar aandeel hierin is geweest.”
Uit dit verslag blijkt voorts:
“De aios merkt op dat zij haar mobiel aan had staan. Zij vond het heel vervelend toen zij de volgende dag ontdekte dat zij niet bereikbaar was geweest. Zij heeft naar aanleiding hiervan met KPN gebeld. Wanneer zij niet bereikbaar is, ontvangt zij ook geen signaal als er een voicemail bericht komt. Zij heeft hierna haar vaste nummer opgegeven. Er was een achterwacht, dus door niet te komen is geen patiënt in gevaar gekomen.”
4.11. Ter comparitie heeft [eiseres] toegelicht dat haar bezwaren tegen de uitspraak van de CvG in het bijzonder dit punt betreffen. Volgens haar heeft de CvG vanwege de aangenomen dringende reden niet getoetst of de opleiding daadwerkelijk beëindigd mocht worden. Dit brengt met zich dat de CvG niet aan een belangenafweging heeft gedaan. Als geen sprake is van een dringende reden, moet de beëindiging van tafel gaan, aldus [eiseres]. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] toegelicht dat de onbereikbaarheid niet heeft geleid tot een gevaar voor de patiëntenzorg, omdat een specialist achterwacht had. [eiseres] heeft voorts toegelicht dat in haar woonplaats niet te zien is dat de telefoon geen bereik heeft. In dit verband verwijst zij naar een artikel van medio oktober 2008 in – naar de rechtbank aanneemt – de wijkkrant waaruit problemen met de bereikbaarheid van mobiele telefoons ter plaatse blijkt. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij dit artikel niet tijdens de procedure bij de CvG in het geding heeft gebracht.
4.12. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat de uitspraak van de CvG zo moet worden gelezen dat zij voldoende aanleiding heeft gezien zijn beslissing te ondersteunen dat de opleiding beëindigd moest worden. [gedaagde] heeft toegelicht dat de opleiding van [eiseres] – ook bij het ontbreken van een dringende reden – per 1 september 2007 zou zijn beëindigd. Vanwege het bestaan van een dringende reden heeft de CvG evenwel geoordeeld dat [gedaagde] ook tot onmiddellijke beëindiging van de opleiding heeft kunnen komen. [gedaagde] heeft in dit verband toegelicht dat de bereikbaarheid van groot belang is. Slechts gedurende de opleiding is er een achterwacht. Daarna staat de arts er alleen voor en komt de patiëntenzorg in gevaar. De uitspraak van de CvG op dit punt heeft betrekking op de patiëntenzorg in het algemeen, aldus [gedaagde].
4.13. Uit de bewoordingen van de in r.o. ?4.7 aangehaalde overweging van de CvG leidt de rechtbank af dat de CvG allereerst de vraag bevestigend heeft beantwoord of [gedaagde] – gelet op de vereiste competenties – tot het besluit heeft kunnen komen de opleiding van [eiseres] stop te zetten. Vervolgens lag de vraag voor of de beëindiging met onmiddellijke ingang haar werking moest hebben, welke vraag de CvG vanwege de door haar aangenomen dringende reden eveneens bevestigend heeft beantwoord. Gelet hierop passeert de rechtbank [eiseres]s stelling dat de CvG niet heeft getoetst of de opleiding daadwerkelijk beëindigd mocht worden.
4.14. Met [eiseres] is de rechtbank echter van oordeel dat de onbereikbaarheid tijdens de bereikbaarheidsdienst niet ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van [gedaagde], nu deze onbereikbaarheid in zijn brief van 3 september 2007 niet wordt genoemd. Blijkens het verslag van de hoorzitting is dit verwijt pas tijdens de procedure bij de CvG (met zoveel woorden) naar voren gebracht en volgens [gedaagde] “de druppel geweest” (zie r.o. ?4.10).
4.15. De rechtbank constateert verder dat [eiseres] zich tijdens de hoorzitting gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat haar onbereikbaarheid niet heeft geleid tot gevaar voor de patiëntenzorg (zie r.o. ?4.10), welk standpunt in zoverre door [gedaagde] is erkend door zijn ter comparitie gegeven toelichting dat het oordeel van de CvG ziet op de patiëntenzorg in het algemeen (zie r.o. ?4.12). Hiermee staat vast dat de onbereikbaarheid van [eiseres] niet heeft geleid tot een specifiek gevaar voor de patiëntenzorg. Zonder nadere motivering – welke motivering in de uitspraak van de CvG ontbreekt – valt niet in te zien dat [eiseres]s onbereikbaarheid een dringende reden oplevert voor onmiddellijke beëindiging van de opleiding.
In het licht van het voorgaande valt evenmin in te zien hoe de CvG tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verwijten die zij het opleidingsinstituut maakt, onvoldoende opwegen tegen deze dringende reden (zie r.o. ?4.9).
4.16. Voornoemd oordeel brengt mee dat de uitspraak van de CvG op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat de omstandigheid dat de CvG geen overweging wijdt aan het door [eiseres] in de onderhavige procedure in het geding gebrachte artikel geen motiveringsgebrek oplevert (zie r.o. ?4.11), omdat vaststaat dat [eiseres] daarop geen beroep heeft gedaan in de procedure bij de CvG.
4.17. Dit oordeel brengt echter niet mee dat de uitspraak van de CvG voor vernietiging in aanmerking komt. Ter zitting heeft [gedaagde] immers toegelicht dat [eiseres]s opleiding – ook bij het ontbreken van een dringende reden – per 1 september 2007 zou zijn beëindigd. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] hiermee bedoelt te zeggen dat [eiseres]s opleiding ook zonder dringende reden met ingang van het nieuwe studiejaar zou zijn beëindigd. De rechtbank neemt de juistheid van dit verweer tot uitgangspunt, nu [eiseres] dit verweer onbesproken heeft gelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het motiveringsgebrek er niet toe leidt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eiseres] aan de uitspraak van de CvG gebonden moet worden geacht, omdat een deugdelijke motivering door de CvG niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid.
4.18. Gelet hierop zal [eiseres]s vordering tot vernietiging worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- explootkosten EUR 0,00
- vast recht 254,00
- getuigenkosten 0,00
- deskundigen 0,00
- overige kosten 0,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 1.158,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.158,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2009.?
w.g. griffier w.g. rechter