
Jurisprudentie
BI0530
Datum uitspraak2009-03-26
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2021
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/2021
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing naturalisatieverzoek. Partijen zijn verdeeld over de vraag of in de periode van 30 april 2006 tot 12 november 2006 sprake is geweest van een onderbreking van de samenwoning van eiseres en haar echtgenoot en derhalve of artikel 8, tweede lid, van de RWN toepassing kan vinden. De in dit artikel gebezigde bewoordingen “sedert tenminste drie jaar echtgenoot is van” wijzen op een aan het naturalisatieverzoek voorafgaande ononderbroken periode van huwelijk en samenleving. Indien sprake is van een onderbreking van de samenleving in deze periode, is niet slechts van belang of sprake is van een feitelijke, fysieke onderbreking maar tevens of deze substantieel is geweest. Verweerder heeft dit miskend. Voorts heeft verweerder nagelaten aan te geven waarom een onderbreking van de samenleving van 6,5 maand in dit geval als een substantiële onderbreking wordt aangemerkt. Verweerder heeft evenmin duidelijkheid kunnen verschaffen over de criteria welke door verweerder, in zijn algemeenheid, worden gehanteerd bij de beoordeling of een onderbreking in de samenleving substantieel is of niet. Beroep gegrond. Vernietiging bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 08/2021
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 26 maart 2009
inzake
[naam], eiseres,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H.F.J.L. van Pelt,
tegen
de minister van Justitie, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 maart 2008.
2. Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft verweerder het verzoek om naturalisatie van eiseres afgewezen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 oktober 2008. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Van Pelt, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.A. Kooiman. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Op 23 januari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere vragen te stellen aan eiseres. Eiseres heeft deze vragen bij brief van 6 februari 2009 beantwoord.
Met toestemming van beide partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten.
3. Overwegingen
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en vanwege een onderbreking in de samenwoning met haar echtgenoot niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 8, tweede lid, van de RWN.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen onderbreking van de samenwoning is geweest en subsidiair dat deze onderbreking niet voldoende substantieel is geweest om van een onderbreking als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de RWN te kunnen spreken. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar en/of onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat eiseres op grond van een onderbreking van de samenwoning niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Meer subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat indien sprake is geweest van een onderbreking als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de RWN, verweerder gelet op de ratio van dit artikelonderdeel toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van Awb en/of artikel 10 van de RWN.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.
Eiseres is Afghaanse. Sinds 28 februari 2000 woont zij samen met haar, thans, echtgenoot, die zowel de Afghaanse als de Nederlandse nationaliteit bezit, in Nederland. Zij zijn op 18 december 2001 getrouwd. Op 30 april 2006 is eiseres naar Iran gereisd om bij de Nederlandse vertegenwoordiging een aanvraag in te dienen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Het visum is op 8 november 2006 afgegeven. Op 12 november 2006 is eiseres teruggekeerd naar Nederland en is haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Eiseres heeft op 21 februari 2007 een verzoek om naturalisatie ingediend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN bepaalt dat voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking komt de verzoeker
die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en hoofdverblijf heeft.
Artikel 8, tweede lid, van de RWN bepaalt dat het eerste lid, onder c, niet geldt met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN. Evenmin is in geschil dat eiseres voorafgaande aan haar verzoek om naturalisatie sinds tenminste drie jaar onafgebroken gehuwd is met een Nederlander. In geschil is de vraag of in de periode van 30 april 2006 tot 12 november 2006 sprake is geweest van een onderbreking van de samenwoning van eiseres en haar echtgenoot en derhalve of artikel 8, tweede lid, van de RWN toepassing kan vinden.
Het beleid van verweerder voor de toepassing van de RWN is neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding). Volgens de Handleiding houdt artikel 8, tweede lid, van de RWN de eis in dat de verzoeker, onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek, ten minste drie jaar onafgebroken is gehuwd en gedurende die drie jaren onafgebroken met dezelfde Nederlandse echtgenoot heeft samengewoond. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende de periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering, aldus de Handleiding.
Gelet op bovenstaande en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 maart 2002 (LJN: AP4783) overweegt de rechtbank dat artikel 8, tweede lid, van de RWN een samenwoningseis inhoudt en dat de in deze bepaling gebezigde bewoordingen "sedert tenminste drie jaar echtgenoot is van" wijzen op een aan het verzoek voorafgaande ononderbroken periode van huwelijk en samenleving.
Uit de overige jurisprudentie van de Afdeling ten aanzien van dit artikelonderdeel leidt de rechtbank af dat bij de uitleg van het begrip ‘onderbreking’ met betrekking tot de samenwoning, niet slechts van belang is of sprake is geweest van een feitelijke, fysieke, onderbreking van de samenwoning, maar ook of deze substantieel is geweest. Verweerder heeft dit miskend. Een redelijke uitleg van het begrip ‘substantieel’ brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat dit op verschillende factoren kan zien, zoals de tijdsduur van de onderbreking, of de aard en onderliggende reden daarvan, al dan niet in hun onderlinge samenhang bezien.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de onderbreking van de samenwoning van 6,5 maand in haar geval geen substantiële onderbreking betreft. Verweerder bestrijdt dit onder verwijzing naar de wettekst en uitspraken van de Afdeling. Verweerder heeft echter niet aangegeven waarom de tijdsduur van 6,5 maand in dit geval als een substantiële onderbreking wordt aangemerkt, terwijl geen van de uitspraken waarnaar verweerder verwijst naar het oordeel van de rechtbank een vergelijkbaar geval betreft. Verweerder heeft daarnaast nagelaten aan te geven welke criteria door verweerder, in zijn algemeenheid, worden gehanteerd bij de beoordeling of een onderbreking van de samenwoning substantieel is of niet. De gemachtigde van verweerder kon hier ter zitting evenmin enige duidelijkheid over verschaffen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet naar behoren op het bezwaar van eiseres heeft kunnen beslissen, zonder nader te motiveren waarom een onderbreking van de samenwoning van 6,5 maand in het onderhavige geval door verweerder als een substantiële onderbreking wordt aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het vertrek van eiseres naar Iran noodzakelijk was, nu zij daar een aanvraag moest indienen ter verkrijging van een mvv. Gelet op de datum van afgifte van het visum en de datum van terugkeer naar Nederland, is eiseres niet langer in Iran gebleven dan strikt noodzakelijk was. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens de Handleiding de samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op eenzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA). Eiseres heeft gedurende de gehele in geding zijnde periode op hetzelfde GBA-adres ingeschreven gestaan als haar echtgenoot. Voorts heeft verweerder erkend dat eiseres heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste, de ratio achter artikel 8, tweede lid, van de RWN.
Gelet op voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid en daardoor een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.
Gelet op voorgaande behoeft het overigens door eiseres aangevoerde geen bespreking meer.
De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Met betrekking tot het verzoek van eiseres om vergoeding van de verletkosten overweegt de rechtbank dat het door eiseres opgevoerde bedrag van € 20,- haar onaannemelijk noch onredelijk voorkomt. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat verweerder deze kosten aan eiseres vergoedt. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 664,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;
bepaalt voorts dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.S.E. Lantain, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 26 maart 2009