Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0503

Datum uitspraak2009-03-19
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers08/1289
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek tot schadevergoeding niet ontvankelijk verklaard nu het openbaar ministerie en de verzoeker een overeenkomst hebben gesloten dat verzoekers geen verzoek tot schadevergoeding zouden indienen als de officier van justitie niet in hoger beroep zou gaan.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht Locatie Haarlem Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 08/1289 Parketnummer: 15/750009-04 Uitspraakdatum: 19 maart 2009 beschikking (art. 89 en 591a Sv) 1. Ontstaan en loop van de procedure Op 23 september 2008 is ter griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. R.A. van der Horst, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 23 september 2008, van [verzoeker], verzoeker, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], domicilie kiezende te [adres], ten kantore van mr. R.A. van der Horst, voornoemd. Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van totaal € 143.282, ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wegens verdenking van afpersing, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, alsmede tot vergoeding van de kosten met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift ten bedrage van € 540,-. Op 19 februari 2009 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A. van der Horst, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J. Plooij. Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd. 2. Feiten De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Verzoeker is op 30 januari 2006 in verzekering gesteld op verdenking van afpersing, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Hij is vervolgens door de rechter-commissaris in bewaring gesteld en daarna is door de raadkamer van deze rechtbank een bevel gevangenhouding gegeven, welk bevel nadien is verlengd. Het bevel voorlopige hechtenis is geschorst geweest van 1 september 2006 tot en met 6 september 2006 en is uiteindelijk op 5 januari 2007 opgeheven. Na enige pro forma zittingen is de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van verzoeker en zijn medeverdachten gestart in april 2007. Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 21 december 2007 is verzoeker vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Het openbaar ministerie heeft tegen dit vonnis en tegen de vonnissen van de medeverdachten hoger beroep ingesteld. In de zomer van 2008, voordat het Gerechtshof een begin had gemaakt met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, is contact geweest tussen de advocaat-generaal en de raadsman van verzoeker, hetgeen heeft geresulteerd in de zich in het dossier bevindende brief van de raadsman aan de advocaat-generaal, gedateerd 28 juli 2008, inhoudende, voorzover hier van belang: (…) “Vorige week hebben wij telefonisch contact gehad over het wel of niet doorzetten van het hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld in de strafzaken tegen mijn cliënten [betrokkene] en [verzoeker] (onderzoek Kolbak). U deelde mij mede dat het openbaar ministerie bereid is het hoger beroep in beide zaken in te trekken, indien mijn cliënten afzien van het indienen van verzoeken tot schadevergoeding ex artikelen 89 en 591a Sv. ook deelde u mij mede dat ingeval het hoger beroep zal worden doorgezet, een wijziging van de tenlastelegging zal worden gevorderd, bestaande in een uitbreiding met een subsidiaire valsheid in geschrift. Na overleg met mijn cliënten kan ik u namens hen berichten dat zij met uw voorstel akkoord gaan. Zij zullen geen verzoeken tot schadevergoeding ex artikelen 89 en 591a Sv. indienen, indien het hoger beroep in hun zaken wordt ingetrokken”. (……) Het hoger beroep is vervolgens op 30 juli 2008 door het openbaar ministerie ingetrokken. 3. Standpunten van partijen a. Verzoeker De raadsman heeft bepleit dat aan de formele vereisten voor toekenning van de gevraagde vergoeding is voldaan nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en het verzoek binnen drie maanden na beëindiging van de zaak is ingediend en door verzoeker persoonlijk is ondertekend. Voorts zijn gronden van billijkheid aanwezig voor de toekenning aangezien sprake is van een zuivere, inhoudelijke vrijspraak en de voortduring van de voorlopige hechtenis niet aan de opstelling of het handelen van verzoeker te wijten is geweest. Dit is veeleer te danken aan de handelwijze van het openbaar ministerie en is met name beïnvloed door de ontwikkelingen in de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte] en daarop heeft verzoeker geen enkele invloed gehad. De omstandigheid dat het hoger beroep door het openbaar ministerie is ingetrokken onder de voorwaarde dat verzoeker geen schadevergoeding zal vragen, is - aldus de raadsman - niet van dien aard dat de gevraagde schadevergoeding om die reden zou kunnen worden geweigerd. Uit de wettelijke regeling blijkt dat de wetgever het onbillijk heeft geacht om iemand die - achteraf bezien - ten onrechte van zijn vrijheid beroofd is geweest daarvoor geen compensatie te bieden. Het openbaar ministerie is buiten zijn wettelijke bevoegdheden getreden door een afspraak te maken dat verzoeker een dergelijke compensatie niet zal vragen. Het openbaar ministerie is met zijn bevoegdheid tot vervolging gaan onderhandelen. Er bestaat echter geen wettelijke basis voor het eisen van een tegenprestatie voor het intrekken van een hoger beroep en zonder wettelijke basis is het niet toegestaan inbreuk te maken op de rechten van een burger, zoals het openbaar ministerie in deze heeft gedaan. De raadsman heeft in dit verband gewezen op artikel 74 Sr. waarin limitatief is opgesomd welke voorwaarden in het kader van een transactie kunnen worden gesteld om strafvervolging te voorkomen, hetgeen slechts mogelijk is ten aanzien van misdrijven waarop niet meer dan 6 jaar gevangenisstraf staat. Het openbaar ministerie heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden door een voorwaarde te stellen aan het intrekken van het hoger beroep. Voornoemde handelwijze getuigt eveneens van een onredelijke en onbillijke belangenafweging. Dit betekent dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de gevraagde vergoeding dient te worden toegekend. b. De officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat de mededeling van de raadsman namens verzoeker om af te zien van het verzoeken van een schadevergoeding wanneer het openbaar ministerie het hoger beroep zou intrekken, het toekennen van een schadevergoeding in de weg staat. Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep geoordeeld dat de kans op een veroordeling in tweede aanleg groter zou zijn wanneer de tenlastelegging zou worden uitgebreid met een subsidiair feit. Het openbaar ministerie heeft zich in het kader van de afweging, die het openbaar ministerie toekomt op basis van artikel 167 Sv., afgevraagd of het opportuun was om betrokkene opnieuw te onderwerpen aan een langdurig strafproces waarbij de straf lager zou kunnen zijn dan in eerste aanleg gedacht en korter dan de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Het openbaar ministerie heeft de raadsman vervolgens een voorstel gedaan en het stond verzoeker volledig vrij om niet in te gaan op dit voorstel. De raadsman heeft ongetwijfeld de voor- en nadelen van het voorstel met zijn cliënt besproken en heeft vervolgens namens verzoeker medegedeeld van schadevergoeding af te zien indien het hoger beroep zou worden ingetrokken. Het criterium om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van wegens ten onrechte ondergane vrijheidsbeneming geleden schade luidt dat daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig dienen te zijn. In dit geval valt onder voornoemde omstandigheden de door de raadsman namens verzoeker gedane mededeling, aangezien het openbaar ministerie de mogelijkheid van een veroordeling in hoger beroep heeft prijsgegeven op grond van de toezegging van verzoeker af te zien van het indienen van een verzoekschrift tot schadevergoeding. Wanneer het openbaar ministerie het hoger beroep had doorgezet was een veroordeling te verwachten geweest en in dat geval zou verzoeker geen recht zijn toegekomen een schadevergoeding te vragen op grond van artikel 89 en 591a Sv. Het openbaar ministerie is bevoegd op grond van het opportuniteitsbeginsel een dergelijk voorstel te doen. Beide partijen hebben hun procesrisico ingeschat en uit die risico-inschatting, waarbij de verdediging ongetwijfeld het risico van de voorgenomen wijziging tenlastelegging heeft laten meewegen, is de toezegging van de verdediging voortgekomen. De vergelijking met artikel 74 Sr. gaat niet op nu het niet gaat om een transactie ter voorkoming van strafvervolging, maar om een afweging op grond van het opportuniteits-beginsel. Primair acht het openbaar ministerie verzoeker niet ontvankelijk. Subsidiair stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat de gronden van billijkheid ontbreken. 4. Beoordeling De eerste vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is de vraag of de door verzoeker en het openbaar ministerie gesloten overeenkomst, als vervat in de onder 2 vermelde brief van 28 juli 2008, aan de ontvankelijkheid van verzoeker in het door hem ingediende verzoekschrift in de weg staat. De rechtbank is van oordeel dat zulks het geval is en overweegt daartoe het volgende. Verzoeker is door de meervoudige kamer van deze rechtbank bij vonnis van 21 december 2007 vrijgesproken, tegen welk vonnis het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. Bij afweging die het openbaar ministerie maakt in het kader van het al dan niet doorzetten van een hoger beroep spelen allerlei argumenten een rol, zoals onder meer kwesties als zittingscapaciteit en –ruimte, de vraag of een verdachte nogmaals aan een langdurige openbare behandeling moet worden blootgesteld, de inschatting van de kans op een veroordeling in hoger beroep en of, indien het Gerechtshof tot een veroordeling zou komen, de op te leggen straf lager zal zijn dan het aantal reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen (in welk geval geen aanspraak zou bestaan op vergoeding van de “teveel’ in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen). Naar het oordeel van de rechtbank verzet zich geen regel van geschreven of ongeschreven recht er tegen dat het openbaar ministerie een wederkerige overeenkomst met een verdachte sluit, inhoudende dat laatstgenoemde zich verbindt geen verzoekschrift strekkende tot vergoeding van in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen in te dienen waartegenover staat dat het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep intrekt, mits het openbaar ministerie bij het totstandkomen van de overeenkomst de beginselen van een behoorlijke procesorde in acht neemt. Uit de stukken in het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat de contacten van het openbaar ministerie in het kader van de overeenkomst steeds met de raadsman hebben plaatsgevonden en niet rechtstreeks met verzoeker. De raadsman heeft een en ander met zijn cliënt kunnen bespreken, de kwestie op zijn juridische merites kunnen beoordelen, de ‘voors’ en ‘tegens’ kunnen afwegen en zijn cliënt kunnen adviseren. Vervolgens is de overeenkomst tot stand gekomen, is de brief van 28 juli 2008 door de raadsman geschreven en heeft het openbaar ministerie het hoger beroep ingetrokken, een intrekking die onherroepelijk is. Het gaat dan niet aan om zich nadien eenzijdig aan de overeenkomst te onttrekken door toch een verzoekschrift als het onderhavige in te dienen. Dat zou anders kunnen zijn indien zou zijn komen vast te staan dat het openbaar ministerie alleen in hoger beroep is gegaan om een claim als de onderhavige onmogelijk te maken of wanneer van de zijde van het openbaar ministerie ontoelaatbare druk of dwang op verzoeker zou zijn uitgeoefend of anderszins sprake zou zijn van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde. Hiervan is de rechtbank echter niet gebleken. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. 5. Beslissing De rechtbank: Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoeken ex artikel 89 en 591 a Sv. 6. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van Dam, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Ket, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.