Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0475

Datum uitspraak2008-10-21
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.011.706/01 en 200.012.472/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

schorsing werking uitvoerbaarheid bij voorraad


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER BESCHIKKING van 21 oktober 2008 in de zaken met landelijk zaaknummers 200.011.706/01 en 200.011.904/01 van: […], wonende te […], APPELLANTE, advocaat: mr. M.E. van Waart te Bussum, t e g e n […], wonende te […], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. H.A. Schipper te Den Haag, en in de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01 van: […], wonende te […], VERZOEKSTER, advocaat: mr. M.E. van Waart te Bussum, t e g e n […], wonende te […], VERWEERDER, advocaat: mr. H.A. Schipper te Den Haag. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Appellante in de zaak met landelijke zaaknummers 200.011.706/01 en 200.011.904/01, verzoekster in de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01, en geïntimeerde in de zaak met landelijke zaaknummers 200.011.706/01 en 200.011.904/01, verweerder in de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd. 1.2. In de zaak met landelijke zaaknummers 200.011.706/01 en 200.011.904/01 is de vrouw op 13 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 mei 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 368813/FA RK 07-3097. 1.3. In de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01 heeft de vrouw bij verzoekschrift van 25 augustus 2008 verzocht de schorsing te bevelen van de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking waarvan beroep. 1.4. De advocaat van de man heeft het hof bij faxbericht van 3 oktober 2008 verzocht de behandeling van de zaak met landelijk zaaknummer 200.011.904/01 aan te houden. De advocaat van de vrouw heeft met dit verzoek ingestemd. Het hof heeft het verzoek van de man toegewezen. 1.5. De man heeft op 6 oktober 2008 een verweerschrift ingediend in de zaken met landelijke zaaknummers 200.011.706/01 en 200.012.472/01. 1.6. De zaken met landelijke zaaknummers 200.011.706/01 en 200.012.472/01 zijn op 9 oktober 2008 gelijktijdig ter terechtzitting behandeld. 1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de advocaat van de man. 1.8. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2. De feiten 2.1. Partijen zijn [in] 1968 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. De man lijdt aan de ziekte van Parkinson. Vanaf eind november 2006 verblijft hij in verzorgingshuis […] te […]. 2.2. De echtelijke woning aan de […] te […] behoort in eigendom toe aan de vrouw. 2.3. Partijen ontvangen ieder een AOW-uitkering van € 11.997,- per jaar. Bij verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten ontvangt de man € 14.383,40 bruto per jaar en de vrouw € 9.619,33 bruto per jaar. 3. Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is - voor zover thans van belang - in het kader van de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van het huwelijk bepaald dat: - de vrouw wegens de door de man gedane investeringen in de aan haar in eigendom toebehorende woning aan de […] te […] aan hem een vergoeding dient te betalen, gelijk aan een derde van de overwaarde van die woning ten tijde van de bestreden beschikking minus een bedrag gelijk aan de ten tijde van de bestreden beschikking resterende hoofdsom van vorenbedoelde, door partijen aangegane (vierde) hypothecaire geldlening alsmede dat zij aan hem dient te vergoeden de wettelijke rente over het bedrag van deze vergoeding vanaf drie maanden na de datum van de bestreden beschikking; - de vrouw aan de man een bedrag van € 10.017,55 dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de bestreden beschikking; - iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3.2. De vrouw verzoekt in de zaak met landelijke zaaknummer 200.011.706/01 dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het de echtscheiding betreft en naar het hof begrijpt - haar verzoek en het zelfstandig verzoek van de man in eerste aanleg in zoverre alsnog zal afwijzen. 3.3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep voor zover het de echtscheiding betreft. 3.4. In de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01 verzoekt de vrouw dat het hof de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking zal schorsen. 3.5. De man verzoekt het hof de door de vrouw verzochte schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen. 4. Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met landelijk zaaknummer 200.011.706/01 4.1. Het hof merkt op dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beslissing ongedaan te maken, omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien. De door de vrouw aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. De vrouw is dan ook niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor wat betreft de mede op haar verzoek uitgesproken echtscheiding. 5. Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01 5.1. Ter onderbouwing van haar verzoek de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, heeft de vrouw ter terechtzitting betoogd dat bij executie van die beschikking de mogelijkheid bestaat dat zij in financiële problemen komt, waardoor voor haar een noodtoestand zal ontstaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij niet over de financiële middelen beschikt om aan de bestreden beschikking te kunnen voldoen en evenmin in staat zal zijn een lening af te sluiten. Voorts heeft zij betoogd dat de rechtbank de huwelijkse voorwaarden van partijen heeft gewijzigd en dat de bestreden beschikking daarmee op een klaarblijkelijke juridische misslag berust. 5.2. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist en aangevoerd dat het beroep van de vrouw op een noodtoestand prematuur is, nu de rechtbank nog uitspraak moet doen over de hoogte van de vergoedingsvordering van de man. Voorts heeft hij betoogd dat de vrouw op basis van haar inkomen en de overwaarde op de woning wel degelijk in staat zal zijn een hypothecaire geldlening af te sluiten. Voor zover een dergelijke geldlening niet toereikend zou zijn, is de man bereid een betalingsregeling met de vrouw te treffen. Van een kennelijke misslag is volgens hem geen sprake. Verder heeft hij aangevoerd dat hij sinds het vertrek uit de echtelijke woning in een financieel zeer moeilijke positie verkeert, waarin de vrouw op geen enkel moment heeft getracht verlichting te brengen. Met de inmiddels via het executoriaal beslag op grond van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking uitgekeerde gelden heeft hij een aantal uitgaven kunnen doen die al langere tijd noodzakelijk waren. 5.3. Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft als uitgangspunt te gelden dat een nieuwe belangenafweging op reeds bestaande gronden niet aan de orde is. De rechter in eerste aanleg heeft immers reeds de belangen van partijen afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. De schorsing kan slechts worden bevolen, indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitspraak in hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Er dient - kort gezegd - sprake te zijn van misbruik van bevoegdheid, welke wordt vastgesteld op gronden buiten de uitspraak in eerste aanleg gelegen. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof niet gebleken. In dat verband wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de vrouw niet in aanmerking komt voor een hypothecaire geldlening teneinde (deels) aan de vordering van de man te voldoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, in het licht van de aanzienlijke overwaarde die de woning van de vrouw vertegenwoordigt, het op haar weg had gelegen haar stelling nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Bovendien heeft de man een betalingsregeling voorgesteld om de vrouw in staat te stellen - zo lang mogelijk - in haar woning te blijven wonen. Anders dan de vrouw kennelijk betoogt, is het hof verder van oordeel dat uit de bestreden beschikking niet kan worden afgeleid dat de rechtbank de huwelijkse voorwaarden van partijen heeft gewijzigd. Nu overigens geen gronden zijn gesteld of gebleken die maken dat de man zich dient te onthouden van tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, zal het verzoek van de vrouw tot schorsing worden afgewezen. 5.4. Dit leidt tot de volgende beslissing. 6. Beslissing Het hof: in de zaak met landelijk zaaknummer 200.011.706/01 verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding; in de zaak met landelijk zaaknummer 200.012.472/01 wijst af het verzoek van de vrouw tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.G. Kleene-Eijk en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2008 door de rolraadsheer.