Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0451

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806114/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 maart 2008 jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.


Uitspraak

200806114/1. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 maart 2008 jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Rotterdam ingekomen op 1 augustus 2008, beroep ingesteld. De rechtbank Rotterdam heeft deze brief ter verdere behandeling doorgezonden aan de Raad van State, waar zij op 8 augustus 2008 is ingekomen. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.A. de Graaff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In artikel 4.2.15, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV), zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, is bepaald dat het college de dagen vaststelt waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. Ingevolge het tweede lid (oud) van dit artikel moeten huishoudelijke afvalstoffen, met uitzondering van grof huishoudelijk afval, die via een inzamelmiddel voor gebruikers van een perceel worden ingezameld, ter inzameling worden aangeboden tussen 6.00 uur en het tijdstip van inzamelen op de krachtens het eerste lid aangewezen dagen. Ingevolge het derde lid (oud) is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste en in het tweede lid is bepaald. Ingevolge artikel 4.2.18, eerste lid (oud), van de APV wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepalingen in de APV. Ingevolge het tweede lid (oud) van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien deze persoon aantoont dat: a. door hem voldoende zorg voor het milieu in acht is genomen; of b. hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 6, aanhef, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Rotterdam, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, (hierna: het Uitvoeringsbesluit) moet het overdragen of aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in vuilniszakken of minicontainers ordelijk geschieden door plaatsing daarvan op een krachtens bijlage 5 (Inzameldagenboek) vastgestelde inzameldag, op een voor de inzamelvoertuigen toegankelijke plaats. Krachtens bijlage 5 (Inzameldagenboek) zijn dinsdag en vrijdag de dagen waarop in de [locatie sub 1] huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst mogen worden overgedragen of ter inzameling mogen worden aangeboden. 2.2. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met afvalstoffen, die op donderdag 6 maart 2008 om 20.52 uur is aangetroffen aan de [locatie sub 1], ter hoogte van nummer […], te [plaats]. Volgens het college is deze huisvuilzak, blijkens daarin aangetroffen materiaal met naam- en adresgegevens van [appellant], afkomstig van [appellant] en heeft hij deze in strijd met artikel 4.2.15 (oud), van de APV in samenhang met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit (oud) ter inzameling aangeboden op een andere dan de voorgeschreven dagen. 2.3. [appellant] ontkent dat de aangetroffen afvalstoffen van hem afkomstig zijn en door hem ter inzameling zijn aangeboden. Hij stelt dat hij zijn vuilniszakken altijd op dinsdag- en/of vrijdagochtend aanbiedt op de daarvoor bestemde plaats en dit niet doet bij sluitingstijd van zijn winkel [naam winkel] aan de [locatie sub 2] rond 20.00 uur. [appellant] betoogt dat hij in de afgelopen jaren herhaaldelijk aangifte heeft gedaan van bedreiging en het openbreken van zijn brievenbus, waarbij post van hem werd ontvreemd. Op grond hiervan vermoedt [appellant] dat een derde vuilniszakken met van hem ontvreemde post op een onjuist tijdstip heeft aangeboden. Hierop wijst volgens hem ook dat brieven van instanties zoals aangetroffen, door hem nooit worden weggegooid maar bij zijn boekhouder worden bezorgd. Voorts twijfelt [appellant] aan de juistheid van het opgemaakte proces-verbaal PV 07/18938 van 6 maart 2008 om 20.52 uur, omdat dezelfde verbalisant op 6 maart 2008 om 20.49 uur proces-verbaal PV 07/18934 heeft uitgeschreven waarin eveneens een aan hem toegeschreven overtreding wordt geconstateerd. In onderlinge samenhang roepen deze processen-verbaal volgens [appellant] het beeld op dat de verbalisant hem als het ware tegen moet zijn gekomen bij het voor de tweede maal plaatsen van een vuilniszak, hetgeen hij uiterst ongeloofwaardig acht. 2.3.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat [appellant] uitsluitend beroep heeft ingesteld tegen het besluit op zijn bezwaar omtrent de toepassing van spoedeisende bestuursdwang ter zake van de op 6 maart 2008 om 20.52 uur aangetroffen huisvuilzak. Geen beroep is ingesteld tegen het besluit op zijn bezwaar omtrent de toepassing van spoedeisende bestuursdwang ter zake van de op 6 maart 2008 om 20.49 uur aangetroffen huisvuilzak. In de 6 maart 2008 om 20.52 uur aangetroffen vuilniszak, die huishoudelijke afvalstoffen bevatte, is post aangetroffen waarop de naam en het adres van [appellant] zijn vermeld. De Afdeling acht op grond van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet aannemelijk dat deze vuilniszak niet van hem afkomstig was. Evenmin is aannemelijk geworden dat deze vuilniszak door een ander dan [appellant] is aangeboden. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen poststuk door bedreigers van [appellant] is ontvreemd, in een vuilniszak is gestopt en op voornoemde locatie is aangeboden. De aangifte die [appellant] heeft overgelegd ziet op bedreigingen die hebben plaatsgevonden bijna drie jaar voor het poststuk is verstuurd, welke bedreigingen voorts geen betrekking hebben op het ontvreemden van post, maar op het opeisen van geld dat een eerder in het pand van zijn winkel gevestigd bedrijf verschuldigd zou zijn. Het betoog van [appellant] dat proces-verbaal PV 07/18938 ongeloofwaardig is, omdat het beeld wordt gewekt dat de verbalisant hem (bijna) zou zijn tegengekomen toen hij na de plaatsing van de om 20.49 uur aangetroffen huisvuilzak de om 20.52 uur aangetroffen huisvuilzak plaatste, treft geen doel. Het tijdstip in het proces-verbaal betreft niet het tijdstip van plaatsing van de zak, maar van constatering van de overtreding. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot het oordeel dat het college [appellant] ten onrechte als overtreder van artikel 4.2.15, derde lid (oud), van de APV in samenhang met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit (oud) heeft aangemerkt. 2.4. Het beroep is ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Kuipers lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 271-209.