
Jurisprudentie
BI0435
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806023/1/H1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806023/1/H1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 16 mei 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) geweigerd aan de Kerkvoogdij van de Hersteld Hervormde Gemeente Ouderkerk aan den IJssel (hierna: de Kerkvoogdij) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een kerkgebouw met daarbij behorende voorzieningen op een perceel gelegen tussen de Abelenlaan en het bedrijventerrein "Zijdepark" te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).
Uitspraak
200806023/1/H1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
De Kerkvoogdij van de Hersteld Hervormde Gemeente Ouderkerk aan den IJssel, gevestigd te Ouderkerk aan den IJssel,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2008 in zaak nr. 07/8939 in het geding tussen:
De Kerkvoogdij van de Hersteld Hervormde Gemeente Ouderkerk aan den IJssel
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk.
1. Procesverloop
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 16 mei 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) geweigerd aan de Kerkvoogdij van de Hersteld Hervormde Gemeente Ouderkerk aan den IJssel (hierna: de Kerkvoogdij) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een kerkgebouw met daarbij behorende voorzieningen op een perceel gelegen tussen de Abelenlaan en het bedrijventerrein "Zijdepark" te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 21 december 2007, heeft het college het door de Kerkvoogdij daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2008, verzonden op 30 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door de Kerkvoogdij daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Kerkvoogdij bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2009, waar de Kerkvoogdij, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, mr. E.J. Efdé, [kerkvoogd], en het college, vertegenwoordigd door L. Boer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar mr. L.G.I. Barth en L.G. van Winden, voormalig wethouders van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJsseldijk West". Het college is niet bereid om daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.
2.2. De Kerkvoogdij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat het bebouwing op het perceel zou toestaan.
2.2.1. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat het college in het verleden welwillend stond tegenover bebouwing op het perceel. Die enkele omstandigheid brengt echter niet mee dat het college thans niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Ter motivering van de weigering vrijstelling te verlenen heeft het college gewezen op een door de gemeenteraad op 30 juni 2005 aangenomen motie, waarin, mede ter bescherming van de belangen van omwonenden, is besloten dat in het betrokken gebied geen andere ontwikkelingen dan een bomenweide gerealiseerd mogen worden en op de strijd met het in 2001 ter inzage gelegde voorontwerp-bestemmingsplan "IJsseldijk West" (hierna: het voorontwerp-bestemmingsplan). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aldus voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het thans geen vrijstelling wil verlenen voor het oprichten van het kerkgebouw. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college nimmer ondubbelzinnig heeft toegezegd dat het vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen ten behoeve van dit bouwplan. De enkele stelling van De Kerkvoogdij dat het kerkgebouw noodzakelijk is om in de gemeente Ouderkerk erediensten te kunnen houden, biedt geen grond voor het oordeel dat het college gehouden was de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.
Dat het college in eerste instantie heeft geweigerd de motie van de gemeenteraad van 30 juni 2005 uit te voeren, doet aan het voorgaande niet af, nu dat niet meebrengt dat het college daaraan bij de beoordeling van de aanvraag voor het bouwplan geen gewicht mocht toekennen. Verder maakt de enkele omstandigheid dat de gemeenteraad geen motie van wantrouwen heeft ingediend tegen het college, nadat het weigerde de motie van 30 juni 2005 uit te voeren, niet dat de gemeenteraad moet worden geacht het in die motie ingenomen standpunt te hebben verlaten.
Wat het voorontwerp-bestemmingsplan betreft heeft de Kerkvoogdij weliswaar gesteld dat de daarin neergelegde uitgangspunten met betrekking tot het perceel niet langer de toekomstvisie van het gemeentebestuur weergeven, maar dit niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat het voorontwerp-bestemmingsplan nog niet in procedure is gebracht, maakt op zichzelf niet dat die uitgangspunten ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar achterhaald waren.
Het betoog faalt.
2.3. Voor zover De Kerkvoogdij betoogt dat het college niet in redelijkheid zonder vergoeding van de door haar gemaakte kosten had kunnen weigeren vrijstelling te verlenen, brengt zij dit voor het eerst in hoger beroep naar voren. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom De Kerkvoogdij deze beroepsgrond niet reeds bij de rechtbank had kunnen aanvoeren en zij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient deze beroepsgrond buiten beschouwing te blijven.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
457.