
Jurisprudentie
BI0434
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806019/1/H1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806019/1/H1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van vijf woon-/werkunits op het perceel[locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Uitspraak
200806019/1/H1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2008 in zaak nr. 07/9099 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van vijf woon-/werkunits op het perceel[locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 21 december 2007, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2008, verzonden op 30 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en [directeur] van [appellante], en het college, vertegenwoordigd door L. Boer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar mr. L.G.I. Barth en L.G. van Winden, voormalig wethouders van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJsseldijk West". Het college is niet bereid om daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat het bebouwing op het perceel zou toestaan.
2.2.1. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat het college in het verleden welwillend stond tegenover bebouwing op het perceel. Die enkele omstandigheid brengt echter niet mee dat het college thans niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Ter motivering van de weigering vrijstelling te verlenen heeft het college gewezen op een door de gemeenteraad op 30 juni 2005 aangenomen motie, waarin, mede ter bescherming van de belangen van omwonenden, is besloten dat in het betrokken gebied geen andere ontwikkelingen dan een bomenweide gerealiseerd mogen worden, op de strijd met het in 2001 ter inzage gelegde voorontwerp-bestemmingsplan "IJsseldijk West" (hierna: het voorontwerp-bestemmingsplan) en op milieutechnische bezwaren die in verband met de nabijheid van een bedrijventerrein aan het bouwplan kleven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aldus voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het thans geen vrijstelling wil verlenen voor het oprichten van de units. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college nimmer ondubbelzinnig heeft toegezegd dat het vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen ten behoeve van dit bouwplan.
Dat het college in eerste instantie heeft geweigerd de motie van de gemeenteraad van 30 juni 2005 uit te voeren, doet aan het voorgaande niet af, nu dat niet meebrengt dat het college daaraan bij de beoordeling van de aanvraag voor het bouwplan geen gewicht mocht toekennen. Verder maakt de enkele omstandigheid dat de gemeenteraad geen motie van wantrouwen heeft ingediend tegen het college, nadat het weigerde de motie van 30 juni 2005 uit te voeren, niet dat de gemeenteraad moet worden geacht het in die motie ingenomen standpunt te hebben verlaten.
Wat het voorontwerp-bestemmingsplan betreft heeft [appellante] weliswaar gesteld dat de daarin neergelegde uitgangspunten met betrekking tot het perceel niet langer de toekomstvisie van het gemeentebestuur weergeven, maar dit niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat het voorontwerp-bestemmingsplan nog niet in procedure is gebracht, maakt op zichzelf niet dat die uitgangspunten ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar achterhaald waren.
Ten slotte leidt het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat uit het rapport van adviesbureau Peutz B.V. van 15 februari 2008 kan worden afgeleid dat de milieutechnische bezwaren die volgens het college in verband met de nabijheid van een bedrijventerrein aan het bouwplan kleven, kunnen worden weggenomen, evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat de in dat rapport vermelde mogelijke maatregelen, die volgens het rapport nog nader moeten worden uitgewerkt, geen onderdeel uitmaken van het plan waarvoor thans vergunning is aangevraagd, zodat daaraan nog steeds de door het college geconstateerde milieutechnische bezwaren kleven.
Het betoog faalt.
2.3. Voor zover [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid zonder vergoeding van de door haar gemaakte kosten had kunnen weigeren vrijstelling te verlenen, brengt zij dit voor het eerst in hoger beroep naar voren. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom [appellante] deze beroepsgrond niet reeds bij de rechtbank had kunnen aanvoeren en zij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient deze beroepsgrond buiten beschouwing te blijven.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
457.