
Jurisprudentie
BI0430
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805506/1/H1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805506/1/H1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een tuinkamer op het perceel [locatie] te Leusden (hierna: het perceel).
Uitspraak
200805506/1/H1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Leusden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 juni 2008 in zaak nr. 07/1412 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leusden.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een tuinkamer op het perceel [locatie] te Leusden (hierna: het perceel).
Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2008, verzonden op 9 juni 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door R.M.J. van der Borg-Greefhorst, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van de woning op het perceel door middel van een tuinkamer, die vanuit de woning via de garage, die aan de woning is gebouwd, bereikbaar is.
Het college heeft de gevraagde vergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder d, van de Woningwet geweigerd, nu niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft het negatieve welstandsadvies van de welstandscommissie "Welstand en Monumenten Midden-Nederland" van 25 januari 2007 (hierna: het welstandsadvies) aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Omdat de tuinkamer, die is voorzien van een asymmetrisch pannendak, wordt gebouwd aan de garage, die is voorzien van een plat dak, ontstaat blijkens het welstandsadvies op het perceel een storende verknoping van bouwmassa's.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Hij voert daartoe aan dat wanneer de deur tussen de tuinkamer en de garage wordt afgesloten, een vergunningsvrij bouwwerk ontstaat dat op dezelfde wijze is gebouwd als andere in de omgeving van het perceel gerealiseerde bouwwerken. Hij stelt voorts dat geen sprake is van een ongewenste verknoping van bouwmassa's, nu beide dakvormen van het bouwwerk in de omgeving van het perceel afwisselend voorkomen. Tot slot betoogt [appellant] dat het bouwplan voldoet aan de loketcriteria van de gemeentelijke welstandsnota, omdat sprake is van een zogenoemde trendsetter. Hij voert daartoe aan dat hij voor de uitbouw aan de achterzijde van zijn woning, waarbij ook een zadeldak tegen een plat dak is gebouwd, een positief welstandsadvies heeft gekregen.
2.2.1. In de welstandsnota van de gemeente Leusden, vastgesteld op 1 juli 2004, voor zover thans van belang, zijn loketcriteria opgenomen waarin is vermeld dat een bouwwerk in ieder geval niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand als het bouwwerk overeenkomt met een bestaande aan- of uitbouw in hetzelfde woningblok of bij gelijke woningen, die met een positief welstandsadvies zijn gerealiseerd (zogenoemde trendsetter). Voorts is bij de gebiedsgerichte criteria als algemeen uitgangspunt gesteld dat de bestaande gebouwde omgeving het kwalitatieve referentiepunt is voor ieder bouwwerk. Dat betekent dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen.
2.2.2. Voorop wordt gesteld dat slechts aan de orde is het bouwplan zoals dat is aangevraagd. Aangevraagd is een tuinkamer die vanuit de woning, via de garage, bereikbaar is en waarvoor op grond van artikel 4, tweede lid, in samenhang bezien met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken een lichte bouwvergunning nodig is. Dat door het dichtmaken van de deur in de tuinkamer een vergunningsvrij bouwwerk ontstaat, wat hier van zij, is voor de onderhavige procedure niet van belang.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het bouwplan niet voldoet aan de in de welstandsnota opgenomen loketcriteria. Niet aannemelijk is geworden dat er trendsetters zijn in hetzelfde woonblok dan wel bij gelijke woningen, nu de door [appellant] aangevoerde vergelijkbare situaties niet met een positief welstandsadvies zijn gerealiseerd. Ook de door [appellant] eerder aangebrachte aanbouw aan de achtergevel van zijn woning kan niet als trendsetter worden gekwalificeerd. Gezien de ter zitting getoonde foto's toont de tuinkamer, gelet op de houten betimmering alsmede de ligging van het dak ten opzichte van het dak van het woonhuis en de daaraan gebouwde uitbouw, onvoldoende gelijkenis met de eerder door [appellant] gerealiseerde uitbouw aan de achterzijde van zijn woning, om van een overeenkomstig bouwwerk te kunnen spreken.
Voorts is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie op het perceel zich onderscheidt van vergelijkbare bouwwerken in de wijk. Het college heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat, anders dan in de door [appellant] genoemde gevallen, op het perceel een verstoord beeld ontstaat, omdat teveel dakvormen in verschillende richtingen met lagere aansluitingen van de goten op één perceel voorkomen. Het door [appellant] bij de rechtbank overgelegde tegenadvies gaat hieraan voorbij.
Voor zover [appellant] betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, nu in de omgeving soortgelijke bouwvergunningplichtige bouwwerken worden toegestaan, wordt overwogen dat, gezien het vorenstaande, niet aannemelijk is geworden dat een dergelijke situatie zich voordoet. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat het college handhavend zal optreden tegen vergelijkbare bouwwerken die niet bouwvergunningsvrij zijn en waarvoor ook geen positief welstandsadvies is afgegeven.
Nu ook overigens geen grond bestaat voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming onvolledig is of zodanige gebreken vertoont dat het college zich daarop niet of niet zonder meer heeft mogen baseren, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college mocht afgaan op dit advies.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Montagne
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
374.