Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0423

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805900/1/M1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur van de milieudienst West-Holland (hierna: het dagelijks bestuur) een maatwerkvoorschrift gesteld als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) met betrekking tot de inrichting van tennisvereniging "LTV De Merenwijk" (hierna: De Merenwijk) aan de Merendonk 173 te Leiden. Dit besluit is op 1 juli 2008 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200805900/1/M1. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het dagelijks bestuur van de milieudienst West-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur van de milieudienst West-Holland (hierna: het dagelijks bestuur) een maatwerkvoorschrift gesteld als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) met betrekking tot de inrichting van tennisvereniging "LTV De Merenwijk" (hierna: De Merenwijk) aan de Merendonk 173 te Leiden. Dit besluit is op 1 juli 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2008, beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2009, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door W.N.J. Kop, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door A. Burger, T. van Dijk en H. Stolk, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord De Merenwijk, vertegenwoordigd door J.M.J. Koppenhol. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge het bij het bestreden besluit gestelde maatwerkvoorschrift 3.1.1 mogen de maximale verticale verlichtingssterkte van 10 Lux op de gevel van omwonenden en de lichtsterkte van 10.000 Candela per armatuur niet worden overschreden. 2.2. [appellant] betoogt dat het maatwerkvoorschrift onvoldoende bescherming biedt tegen directe lichtinstraling afkomstig van de lichtmasten. Hij betoogt dat het weliswaar zo kan zijn dat de regelgeving is gewijzigd, maar ingevolge de nieuwe regelgeving nog steeds een verbod op directe lichtinstraling bestaat. Tevens voert hij aan dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de lichtmasten moeten worden voorzien van grotere kappen. 2.3. Het dagelijks bestuur heeft bij het beoordelen van de lichthinder de "Algemene richtlijn betreffende lichthinder, deel 1 (1999) Algemeen en Grenswaarden voor sportverlichting" van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: de richtlijn) als toetsingskader gehanteerd. In de richtlijn worden grenswaarden aanbevolen voor lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor sportaccommodaties ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een dag- en avondperiode, een nachtperiode en in vier soorten omgevingzones, te weten "E1 natuurgebied", "E2 landelijk gebied", "E3 stedelijk gebied" en "E4 stadscentrum/industriegebied". 2.4. Het dagelijks bestuur heeft het gebied aangemerkt als stedelijk gebied, ofwel zone E3, als bedoeld in de richtlijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet juist is. Nu de grenswaarden in het maatwerkvoorschrift overeenkomen met de in de richtlijn aanbevolen grenswaarden voor een stedelijk gebied in de dag- en avondperiode heeft het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maatwerkvoorschrift een toereikend beschermingsniveau biedt wat lichthinder aangaat en het, anders dan [appellant] aanvoert, niet nodig is om grotere kappen voor te schrijven. De Afdeling overweegt nog dat, in tegenstelling tot wat [appellant] stelt, ingevolge het Activiteitenbesluit geen verbod geldt op directe lichtinstraling. 2.5. Het beroep is ongegrond. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Van Hamond lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 446-590.