
Jurisprudentie
BI0420
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805472/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805472/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Op 6 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: het dagelijks bestuur) van de gemeente Rotterdam zijn beslissing om op 6 februari 2007 de in het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij te ontmantelen op schrift gesteld en daarbij heeft het de kosten daarvan voor rekening van [appellant] gebracht.
Uitspraak
200805472/1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam "N.A.S. woningverhuur", wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2008 in zaak nr. 07/3720 in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk.
1. Procesverloop
Op 6 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: het dagelijks bestuur) van de gemeente Rotterdam zijn beslissing om op 6 februari 2007 de in het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij te ontmantelen op schrift gesteld en daarbij heeft het de kosten daarvan voor rekening van [appellant] gebracht.
Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 mei 2008, verzonden op 2 juni 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2008.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J. de Vries, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Jericho" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel waarop het pand zich bevindt de bestemming "Wonen".
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor al dan niet gestapelde woningen, zowel op de begane grond als op de verdiepingen, met bijbehorende tuinen en ontsluitingspaden.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, is het verboden de in het bestemmingsplan gelegen onbebouwde gronden en bouwwerken geheel of gedeeltelijk te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de daaraan in het bestemmingsplan gegeven bestemmingen en/of het volgens de voorschriften uitsluitend toegestane gebruik, dan wel met de uit deze voorschriften voortvloeiende aard van de bebouwing.
Ingevolge artikel 1 van het bestemmingsplan "Voorschriften tweede verzamelherziening inzake gebruiksbepaling" (hierna: de voorschriften), dat een partiële herziening is van onder meer het voornoemde bestemmingsplan, gelezen in samenhang met bijlage B bij de voorschriften, dient in gebruiksbepalingen die deel uitmaken van het bestemmingsplan, onder gebruiken te worden verstaan: gebruiken, in gebruik geven, doen gebruiken of laten gebruiken.
2.2. [appellant] betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet handhavend tegen het gebruiken van het pand als hennepkwekerij kon optreden.
2.2.1. [appellant] heeft dat betoog niet nader toegelicht. Voorts heeft hij niet bestreden dat gebruik van het pand als hennepkwekerij in strijd is met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften.
Het betoog faalt.
2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door hem als overtreder aan te merken en de kosten van de handhaving voor zijn rekening te brengen, heeft miskend dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand voor een hennepkwekerij werd gebruikt, aangezien het door hem werd onderverhuurd.
2.3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met artikel 1 van de voorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden gronden geheel of gedeeltelijk te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming "Wonen". De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde met juistheid geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] het pand heeft laten gebruiken in strijd met de ter plaatse geldende bestemming in evenbedoelde zin. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en niet heeft kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Van [appellant] mocht worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeerde over het gebruik dat van de door hem onderverhuurde woning werd gemaakt.
Het betoog faalt.
2.4. Ook het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang niet te zijnen laste had mogen brengen, omdat het de onderhuurder is die werkelijk kan worden verweten een illegale toestand te hebben geschapen, faalt. Uitgangspunt is dat de kosten van bestuursdwang voor rekening mogen worden gebracht van de overtreder. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan reden bestaan om op die regel een uitzondering aan te nemen. De rechtbank heeft terecht geen omstandigheden gesteld geacht, in verband waarmee het dagelijks bestuur de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang niet op [appellant] mocht verhalen. De enkele stelling van [appellant] dat het slechts de onderhuurder werkelijk kan worden verweten een illegale toestand te hebben geschapen, biedt geen grond voor het oordeel dat de deelgemeente zelf de kosten van het verhaal moet dragen, reeds omdat [appellant] er voor heeft gekozen het pand aan de betrokkene onder te verhuren.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Dorst
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
357-593.