Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0418

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806266/1/H1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor een tankstation voor personenauto's op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200806266/1/H1. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2008 in zaken nrs. 07/22 en 07/23 in de gedingen tussen: 1. [wederpartij}, gevestigd te [plaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GUGAS B.V., gevestigd te Sittard-Geleen en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor een tankstation voor personenauto's op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 2 december 2005 heeft het college aan Swing Fuel Station B.V. bouwvergunning verleend voor dit bouwplan. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor een tankstation voor vrachtauto's op het perceel. Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college aan [naam bedrijf] bouwvergunning verleend voor dit bouwplan. Bij onderscheiden besluiten van 13 februari 2007 heeft het college het door [wederpartij] en GUGAS B.V. (hierna: GUGAS) tegen de genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juli 2008, verzonden op 3 juli 2008, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) door [wederpartij] en GUGAS daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 13 februari 2007 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven en voorts bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 september 2008. [wederpartij] en GUGAS hebben een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. X.P.C. Wynands, advocaat te Maastricht, en [wederpartij] en GUGAS, vertegenwoordigd door mr. J.A. Koster, advocaat te Sittard, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld over het verzoek van [wederpartij] en GUGAS om vergoeding van immateriële schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, geoordeeld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM gezien het tijdsverloop tussen het moment waarop bezwaar is gemaakt tegen de besluiten van 2 december 2005 en 3 april 2006 en het moment dat door haar uitspraak is gedaan op de beroepen van [wederpartij] en GUGAS tegen de besluiten van 17 februari 2007. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat aan dat tijdsverloop het vermoeden kan worden ontleend dat de overschrijding van de redelijke termijn niet uitsluitend aan het college valt toe te rekenen maar mogelijk ook het gevolg is van een rechterlijke overschrijding van die termijn. De rechtbank heeft de beroepen daarom gegrond verklaard, de bestreden besluiten van 17 februari 2008 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van die besluiten in stand blijven en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de door [wederpartij] en GUGAS verzochte vergoeding van immateriële schade. 2.3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [wederpartij] en GUGAS rechtspersonen zijn die geen immateriële schade kunnen lijden ten gevolge van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 maart 2009, nr. 200803215/1, neemt zij als uitgangspunt dat het gedurende een onredelijke lange periode in onzekerheid verkeren omtrent de afloop van een procedure ook aan niet-natuurlijke personen in beginsel immateriële schade berokkent. In hetgeen het college heeft aangevoerd is geen grond te vinden om dat uitgangspunt in dit geval te verlaten. 2.4. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een overschrijding van meerbedoelde redelijke termijn. Dat betoog slaagt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, nr. 200802629/1, is in zaken als deze, uitzonderlijke gevallen daargelaten, een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk te achten, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover op basis van voormelde voor de behandeling van het bezwaar en beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. Tegen het besluit van 2 december 2005 is op 9 januari 2006 bezwaar gemaakt en tegen het besluit van 3 april 2006 is op 2 mei 2006 bezwaar gemaakt. De besluiten op bezwaar van 17 februari 2007 zijn derhalve genomen na ongeveer één jaar en één maand, respectievelijk na ongeveer tien maanden nadat bezwaar was gemaakt. De behandeling door de rechtbank van de daartegen ingestelde beroepen heeft, vanaf de ontvangst van de beroepschriften - tegen het uitblijven van besluiten op bezwaar - bij de rechtbank op 4 januari 2007 tot de uitspraak op 3 juli 2008, één jaar en zes maanden geduurd. Nu de behandeling van de bezwaren en de beroepen tezamen niet meer dan drie jaar hebben geduurd, is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. Voor vernietiging van de besluiten van 17 februari 2007 bestond derhalve geen aanleiding, zodat de rechtbank dat besluit naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte heeft vernietigd. 2.5. Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van [wederpartij] en GUGAS verzocht om vergoeding van renteschade in verband met een door hen in te dienen verzoek om vergoeding van planschade. Dat verzoek valt buiten de omvang van het door het college in hoger beroep aan de orde gestelde geschil en dient buiten beschouwing te worden gelaten. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank de besluiten van 17 februari 2007 heeft vernietigd, de rechtsgevolgen van die besluiten in stand heeft gelaten en het onderzoek heeft heropend ter voorbereiding van een uitspraak op het verzoek van [wederpartij] en GUGAS om vergoeding van immateriële schade. Nu de rechtbank de tegen de gehandhaafde vrijstellingen en bouwvergunningen gerichte beroepsgronden van [wederpartij] en GUGAS uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en het hoger beroep daartegen niet is gericht, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen ongegrond verklaren. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2008 in zaken nrs. 07/22 en 07/23 voor zover daarbij de besluiten van 17 februari 2007 zijn vernietigd, de rechtsgevolgen van die besluiten in stand zijn gelaten en het onderzoek is heropend ter voorbereiding van een uitspraak op het verzoek om vergoeding van immateriële schade; III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat. w.g. Polak w.g. Willems voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 412.