Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0415

Datum uitspraak2009-04-03
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200901002/1/H1 en 200901002/2/H1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 8 april 2008, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de schuur en de paardenbak inclusief omheining op het perceel [locatie] te [plaats] zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 1 september 2008, te verwijderen en verwijderd te houden.


Uitspraak

200901002/1/H1 en 200901002/2/H1. Datum uitspraak: 3 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 januari 2009 in zaak nrs. 08/1861 en 08/1862 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 april 2008, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de schuur en de paardenbak inclusief omheining op het perceel [locatie] te [plaats] zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 1 september 2008, te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 januari 2009, verzonden op 2 februari 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2009. [appellant] en het college hebben elk nadere stukken ingediend. De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door J.M. van Wegen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Anders dan zijdens [appellant] in dit verband is gesteld, zijn partijen in de uitnodiging voor de zitting op die mogelijkheid gewezen. 2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de schuur onder de bescherming van het overgangsrecht valt, nu deze slechts gedeeltelijk is vernieuwd en de bestaande afwijkingen naar aard en omvang zijn verkleind. 2.2.1. Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Wenum Wiesel" mogen bouwwerken of delen daarvan die op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan (hierna: het peilmoment) aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning kunnen worden gebouwd, of die nadien legaal zijn of kunnen worden gebouwd en die afwijken van het plan, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. 2.2.2. Hoewel de schuur waarop de last ziet, is opgericht op de op het peilmoment bestaande fundering en de op dat moment bestaande gemetselde muur van 60 cm hoog rondom, is de voorzieningenrechter terecht tot het oordeel gekomen dat de aangebrachte vernieuwing of verandering niet slechts gedeeltelijk is in de zin van evenbedoeld planvoorschrift. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat op de bestaande gemetselde muur geheel nieuwe wanden en daarop een nieuw dak zijn geplaatst met andere afmetingen dan de oorspronkelijke, als gevolg waarvan het uiterlijk van de schuur ingrijpend is veranderd. Het betoog faalt. 2.3. Ten aanzien van de paardenbak betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die het college aanleiding hadden moeten geven om van handhavend optreden af te zien. Daartoe voert hij aan dat de paardenbak gedeeltelijk kan worden gelegaliseerd en handhavend optreden tegen de gehele paardenbak daarom onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2.3.1. Ingevolge artikel 3.4, negende lid, voor zover thans van belang, van de planvoorschriften kan vrijstelling worden verleend voor het realiseren van maximaal één paardenbak, behorende bij een woning, maar gelegen buiten de bestemming "Woondoeleinden", met dien verstande dat de gehele paardenbak binnen een afstand van 75 meter van het desbetreffende bouwperceel of bestemmingsvlak gesitueerd dient te worden. 2.3.2. De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie van de paardenbak bestond en daartoe met juistheid overwogen dat voor het bouwwerk niet krachtens artikel 3.4, negende lid, van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend, omdat niet de gehele paardenbak binnen 75 meter van het bestemmingsvlak met de bestemming "Woondoeleinden" is gesitueerd. Dat op 19 januari 2009 een aanvraag is ingediend om verlening van bouwvergunning voor een kleinere paardenbak, gesitueerd op minder dan 75 meter van dat bestemmingsvlak, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat die aanvraag een ander bouwwerk betreft en dateert van na het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft evenzeer terecht geen andere bijzondere omstandigheden aangenomen, in verband waarmee handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan in verband daarmee diende te worden afgezien. Het betoog faalt evenzeer. 2.4. [appellant] klaagt tenslotte dat de voorzieningenrechter zijn beroepsgrond met betrekking tot de hoogte van de dwangsommen ten onrechte als tardief voorgedragen buiten beschouwing heeft gelaten en herhaalt in hoger beroep zijn betoog dat de opgelegde dwangsommen onevenredig hoog zijn in verhouding tot de ernst van de overtredingen. 2.4.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter deze, voor het eerst ter zitting in eerste aanleg voorgedragen, beroepsgrond niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft mogen laten. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat [appellant] het desbetreffende betoog niet een eerder naar voren heeft kunnen brengen. Voor zover het betoog in hoger beroep opnieuw is voorgedragen, is dat tevergeefs als niet gericht tegen de aangevallen uitspraak. Ook dat betoog faalt. 2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af te wijzen. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Hanrath voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009 392.