
Jurisprudentie
BI0414
Datum uitspraak2009-04-03
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200901540/2/M2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200901540/2/M2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] vanwege overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) aangegeven geluidgrenswaarden.
Uitspraak
200901540/2/M2.
Datum uitspraak: 3 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] vanwege overtreding van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) aangegeven geluidgrenswaarden.
Bij besluit van 21 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, beroep ingesteld.
Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door G.J. Kremers, P.B.J. van Haren en P.W. Knol, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.M. Putter en W.M. van der Vlis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij besluit van 22 juli 2008 is [verzoekster] gelast artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit na te leven.
Indien op 1 november 2008 niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000 per keer dat een overtreding wordt geconstateerd, tot een maximum van € 250.000,-.
2.3. [verzoekster] voert aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt overtreden. Volgens haar is de in opdracht van het college uitgevoerde geluidmeting, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit en waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2007 (hierna: het geluidrapport), onjuist. Hiertoe voert zij aan dat het geluidrapport niet geheel volgens de 'Handleiding meten en rekenen' is uitgevoerd. Uit het geluidrapport blijkt volgens haar niet door wie en door welke activiteiten de overschrijding van de geluidgrenswaarden wordt veroorzaakt, zodat de overschrijding niet aan [verzoekster] kan worden toegeschreven. Zij verwijst in dit verband naar een in haar opdracht opgesteld geluidrapport van Tauw B.V. van 31 januari 2002, waarvan de resultaten sterk afwijken van die van het geluidrapport.
2.3.1. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit, bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximaal geluidniveau bedraagt niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond en nachtperiode.
2.3.2. Op 19 oktober 2007, tussen 05.00 en 07.00 uur, heeft onderzoek plaatsgevonden naar de vanwege de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het geluidrapport. Daarin is vermeld dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 47,98 dB(A) bedraagt. Voorts is hierin vermeld dat het hoogst gemeten maximaal geluidniveau 82 dB(A) bedraagt en de overige gemeten maximale geluidniveaus tussen de 66 en 74 dB(A) bedragen.
In het "Rapport bedrijfsactiviteiten" van 19 oktober 2007 is een lijst opgenomen met de tijdens de geluidmeting genoteerde bedrijfsactiviteiten en het tijdstip waarop deze plaatsvonden. Hieruit blijkt naar het oordeel van de voorzitter voldoende welke activiteiten in de inrichting hebben plaatsgevonden tijdens de geluidmeting. [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, buiten de in het "Rapport bedrijfsactiviteiten" opgenomen activiteiten, tijdens de geluidmeting van buiten de inrichting afkomstig geluid is waargenomen dat de geluidmeting heeft beïnvloed. Voorts overweegt de voorzitter dat het geluidrapport van Tauw B.V. van 15 februari 2002 niet representatief is, reeds omdat hierin wordt uitgegaan van een aantal van vier vertrekkende vrachtwagens in de nachtperiode, terwijl uit het voormelde "Rapport bedrijfsactiviteiten" blijkt dat dit aantal aanzienlijk hoger is. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusies van het geluidrapport van 23 oktober 2007 onjuist zijn. Deze conclusies bevestigen de uitkomsten van een eerder geluidonderzoek op 24 mei 2007. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gestelde normen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau.
2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordien indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5. [verzoekster] voert aan dat de omschrijving van de last onvoldoende duidelijk is, omdat het college in het besluit ten onrechte niet heeft vermeld welke maatregelen getroffen moeten worden om aan de last te voldoen.
2.5.1. De last schrijft voor dat de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, moet worden beëindigd. De voorzitter is van oordeel dat hieruit voldoende duidelijk blijkt welke overtreding door [verzoekster] dient te worden beëindigd. Het is aan de overtreder om te bepalen met welke maatregelen en of middelen zij de overtreding wenst te beëindigen. Gelet hierop heeft het college in de last terecht geen maatregelen voorgeschreven.
2.6. [verzoekster] voert aan dat het college ten onrechte niet van handhaving heeft afgezien. Volgens haar is de overtreding legaliseerbaar door met gebruikmaking van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bij maatwerkvoorschrift hogere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau vast te stellen.
2.6.1. Het college heeft blijkens het bestreden besluit voor zijn afwijkingsmogelijkheid aangesloten bij de Nota van Toelichting (hierna: de Toelichting) bij artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Hierin staat vermeld dat in beginsel het omgevingsgeluid bepalend kan zijn voor de mate van afwijking van de standaard geluidnorm en dat ook maatschappelijke ontwikkelingen en de al of niet hierdoor veranderende regelgeving daartoe aanleiding kan geven. Voorts staat hierin vermeld dat geluidgrenswaarden boven het omgevingsgeluid kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld indien individuele bedrijfseconomische redenen motief zijn om aan de behoeften van het bedrijfsleven tegemoet te komen, en indien is aangetoond dat maatregelen onvoldoende soelaas bieden.
Uit het geluidrapport blijkt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 40 dB(A) bedraagt. Voorts is niet gebleken dat het niet mogelijk is toereikende maatregelen te treffen om aan de ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, geldende grenswaarden te voldoen. Onder deze omstandigheden heeft het college zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat met toepassing van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit hogere grenswaarden te stellen.
2.7. [verzoekster] voert ten slotte aan dat de begunstigingstermijn te kort is, omdat voor een geluidscherm een bouwvergunning is vereist.
2.7.1. De in het besluit van 22 juli 2008 opgenomen termijn bedraagt drie maanden. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoekster] in dit verband heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de desbetreffende begunstigingstermijn heeft kunnen stellen.
2.8. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Taal
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009
325-584.