Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0413

Datum uitspraak2009-04-03
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200901535/1/M1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een shovelbedrijf, zand- en grindhandel en container-verhuurbedrijf aan de [locatie] te [plaats] geweigerd.


Uitspraak

200901535/1/M1. Datum uitspraak: 3 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder. 1. Procesverloop. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een shovelbedrijf, zand- en grindhandel en container-verhuurbedrijf aan de [locatie] te [plaats] geweigerd. Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door B. Tapper en P. Klooster, beiden werkzaam bij de gemeente Almelo, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. [verzoeker] voert aan dat de gestelde overtredingen als bedoeld in de last onder dwangsom van 13 maart 2008 zijn opgeheven, zoals blijkt uit de brief van 27 februari 2009, die is verstuurd naar aanleiding van een controlebezoek. [verzoeker] wil door de melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer voorkomen dat hij dwangsommen verbeurt en hij wil daarmee bewerkstelligen dat hij zijn gebruikelijke activiteiten kan uitvoeren. Volgens [verzoeker] gaat het om geringe wijzigingen die niet tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu leiden en die de aard van de inrichting niet veranderen. [verzoeker] is bezig een aanvraag voor een milieuvergunning op te stellen. Hij stelt dat zijn bedrijf door de last onder dwangsom niet meer winstgevend is. 2.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de veranderingen niet alleen leiden tot andere en grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen mag veroorzaken, maar bovendien leiden tot een andere inrichting dan waarvoor de vergunning is verleend. 2.3. Uit de bij de melding verstrekte gegevens en het betoog van [verzoeker] volgt niet zonder meer dat de veranderingen niet leiden tot grotere of andere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen mag veroorzaken. Dit neemt niet weg dat het college in zijn besluit van 18 februari 2009 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom de veranderingen niet leiden tot grotere en andere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen mag veroorzaken en waarom deze veranderingen leiden tot een andere inrichting dan waarvoor de vergunning is verleend. 2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 18 februari 2009, kenmerk 2009/4666, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almelo tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Almelo aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. gelast dat de gemeente Almelo aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Bijleveld voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009 433.