
Jurisprudentie
BI0408
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805654/1/H1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805654/1/H1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee units op het perceel [locatie] te Doetinchem (hierna: het perceel).
Uitspraak
200805654/1/H1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 juni 2008 in zaak nr. 07/1799 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee units op het perceel [locatie] te Doetinchem (hierna: het perceel).
Bij besluit van 7 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juni 2008, verzonden op 13 juni 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 augustus 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L. Hartogs, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, en ing. H.C. ten Boom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Harveld 1978, 12e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B1-".
Ingevolge artikel 1, onder 31, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, wordt onder seksinrichting verstaan een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden -B1-" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven. Middels het accent "1" wordt een seksinrichting expliciet toegestaan. Onder de in het artikellid vermelde bedrijven worden niet begrepen horecabedrijven, detailhandelsbedrijven en kantoren.
Ingevolge het vierde lid, onder A, is het bedrijven zijnde een seksinrichting toegestaan alcoholische dranken tegen vergoeding te schenken, mits het een ondergeschikte activiteit betreft die gekoppeld is aan een seksinrichting.
Ingevolge het vierde lid, onder C, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan ter plaatse aangegeven bestemming of subbestemming.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van de al gerealiseerde units, namelijk het bieden van een overnachtingsmogelijkheid aan zelfstandig werkende prostituees, in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hem kan uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2004 in zaak nr. 200305456/1 worden afgeleid dat het is toegestaan ter plaatse te overnachten.
2.2.1. In het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westervoortsedijk" dat in de uitspraak van 7 juli 2004 aan de orde was, werd ondergeschikte horeca ten behoeve van prostitutiedoeleinden uitdrukkelijk toegestaan, waarbij ingevolge de begripsbepalingen onder horeca onder meer het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf werd verstaan. In deze zaak worden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften horecabedrijven uitdrukkelijk niet begrepen onder de bedrijven die zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B1-". Voorts staat het vierde lid, onder A, anders dan [appellant] betoogt, ondergeschikte horeca niet toe. Ingevolge dat artikellid is het seksinrichtingen slechts toegestaan alcoholische dranken tegen vergoeding te schenken, mits het een ondergeschikte activiteit betreft die gekoppeld is aan een seksinrichting. Onder die omstandigheden, en nu ook de begripsbepaling van artikel 1, onder 31, van de planvoorschriften geen aanleiding biedt voor een ander oordeel, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het bestemmingsplan het bieden van een overnachtingsmogelijkheid op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B1-" niet toestaat. Dat door gedeputeerde staten van Gelderland goedkeuring is onthouden aan de bepaling dat het gebruik van gronden en bouwwerken als overnachtingsplaats in ieder geval wordt beschouwd als verboden gebruik als bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder C, van de planvoorschriften, leidt niet tot een ander oordeel, nu die omstandigheid niet afdoet aan de geldigheid van het in dat artikel neergelegde algemene gebruiksverbod.
Het betoog faalt.
2.3. Het betoog van [appellant]s dat de rechtbank heeft miskend dat het college krachtens artikel 4, vierde lid, onder C en onder 2, van de planvoorschriften vrijstelling kan verlenen ten behoeve van het plaatsen van de twee units, faalt evenzeer. In dat artikel is de zogenoemde toverformule neergelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2007 in zaak nr. 200700065/1) kan toepassing daarvan niet leiden tot verlening van bouwvergunningen.
2.4. Anders dan [appellant] voorts betoogt, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. De door het college aan de weigering ten grondslag gelegde motivering, namelijk dat het de units ziet als logiesverblijven en het de aanwezigheid daarvan op een bedrijventerrein niet wenselijk acht, onder meer omdat dit kan leiden tot milieutechnische beperkingen voor op het bedrijventerrein gelegen bedrijven, is voldoende draagkrachtig.
De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat bij [appellant] de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat vrijstelling en bouwvergunning voor de units zou worden verleend. De stelling dat uit de brief van de toenmalige burgemeester van 5 maart 2008 blijkt dat deze medewerking wilde verlenen aan legalisering van de units, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de burgemeester niet het terzake bevoegde bestuursorgaan is, hetgeen [appellant] had behoren te weten. Bovendien blijkt uit de door [appellant] overgelegde brief van 13 maart 2008 van de toenmalige burgemeester dat hij weliswaar medewerking wilde verlenen aan het legaliseren van overnachtingen, maar dat [appellant] daarvoor een voorziening diende te treffen die vergund kon worden. Van een onvoorwaardelijke toezegging dat vrijstelling en bouwvergunning zou worden verleend voor de hier aan de orde zijnde units is dan ook geen sprake.
De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellant] aan de enkele omstandigheid dat het college gedurende enkele jaren niet handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik van de units het rechtens te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat het college daarvoor vrijstelling zou verlenen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
457.