
Jurisprudentie
BI0407
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805628/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805628/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Muziekkoepel Winterswijk (hierna: Stichting Muziekkoepel Winterswijk) voor het bouwen van een muziekkoepel in de Scholtenbrug te Winterswijk.
Uitspraak
200805628/1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de vereniging Vereniging Het Museum, gevestigd te Winterswijk,
[appellant A], wonend te [woonplaats], [appellant B] en anderen, wonend te [woonplaats] en de vereniging Vereniging Monumentenbelangen Winterswijk, gevestigd te Winterswijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 13 juni 2008 in zaken nrs. 08/696, 08/697, 08/889 t/m 08/894 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Muziekkoepel Winterswijk (hierna: Stichting Muziekkoepel Winterswijk) voor het bouwen van een muziekkoepel in de Scholtenbrug te Winterswijk.
Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college het door onder meer
de vereniging Vereniging Het Museum, [appellant A], [appellant B] en anderen en de vereniging Vereniging Monumentenbelangen Winterswijk (hierna: Vereniging Het Museum en anderen) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2008, verzonden op 16 juni 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover van belang, het door Vereniging Het Museum en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben Vereniging Het Museum en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, hoger beroep ingesteld.
Stichting Muziekkoepel Winterswijk heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2009, waar Vereniging Het Museum, vertegenwoordigd door J.W. Scholtz en J.H. Goorhuis, [appellant A], [appellant B] en Vereniging Monumentenbelangen, vertegenwoordigd door J.P. Donderwinkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.C.B. Tollkamp en mr. L.J. Roeterink, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan is gesitueerd in de Scholtenbrug, een park in het centrum van Winterswijk. De oprichting van een muziekkoepel ter plaatse is in strijd met het bestemmingsplan "Scholtenbrug", waarin aan de gronden waarop de muziekkoepel is voorzien, de bestemming "Groenvoorzieningen" is gegeven. Om de bouw van de muziekkoepel mogelijk te maken heeft het college hiervoor vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).
2.2. Vereniging Het Museum en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen vrijstelling heeft mogen verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan een radicale ingreep in het park tot gevolg zal hebben en voornoemd artikel niet mag worden toegepast bij dergelijke ingrijpende ruimtelijke ontwikkelingen.
2.2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
2.2.2. Artikel 19, tweede lid, van de WRO betreft een zelfstandige projectprocedure, waarbij geen regel zich ertegen verzet die toe te passen bij belangrijke ruimtelijke ingrepen, zolang dit in overeenstemming met de daarvoor geldende besluitvormingsprocedure geschiedt. Is aan de toepassingsvoorwaarden voldaan, waaronder het vereiste dat een vrijstelling moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, dan komt het bestuur bij de besluitvorming omtrent de vrijstelling grote beleidsvrijheid toe, in aanmerking genomen de aard van de daarbij te maken afweging die in hoge mate politiek en bestuurlijk is. De rechter dient de beslissing terughoudend te toetsen, dat wil zeggen zich te beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.
2.2.3. Het bouwplan past in de door gedeputeerde staten van Gelderland aangegeven categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat hierin geen beletsel is gelegen voor de toepassing van dat artikellid. Het door Vereniging Het Museum en anderen gestelde dat de Scholtenbrug een kwetsbaar gebied is, doet hier niet aan af. Dit aspect kan wel een rol spelen bij de ruimtelijke onderbouwing en de voor verlening van vrijstelling te verrichten belangenafweging. Dat het college zonder vooroverleg heeft besloten toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO leidt evenmin tot een ander oordeel, aangezien er geen wettelijke plicht bestaat zodanig overleg te voeren.
2.3. Vereniging Het Museum en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij voeren daartoe aan dat het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen in de Scholtenbrug niet toestaat vanwege de daar bestaande cultuurhistorische waarden, zodat het niet mogelijk is voor het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing te geven.
2.3.1. Dit betoog faalt eveneens. In januari 2007 heeft het college de ruimtelijke onderbouwing "Muziekkoepel Scholtenbrug" vastgesteld. Daarin is, voor zover van belang, het volgende gesteld. "De Scholtenbrug is één van de weinige grootschalige groengebieden in het centrum van Winterswijk en zal mede in de recreatieve behoeften van de centrumbewoner alsook de centrumbezoeker moeten voorzien. Wat het gebruik betreft past een muziekkoepel in de doelstelling van het geldende plan, het draagt namelijk bij aan het recreatieve doel en de verblijfsfunctie van het park". Voorts blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat de oprichting van een muziekkoepel in een park met cultuurhistorische waarden in overeenstemming is met provinciaal beleid, zoals neergelegd in het Streekplan 2005. In paragraaf 2.6 van het Streekplan is gesteld dat het provinciaal beleid, wat cultuurhistorie betreft, is gericht op behoud door ontwikkeling. Het omgaan met cultuurhistorische kwaliteiten houdt niet in dat ontwikkelingen dienen te worden bevroren, maar dat zodanig met ontwikkelingen wordt omgegaan dat de cultuurhistorische gegevenheden worden ingepast, waarbij ze beleefbaar worden of juist blijven. Ook het gemeentelijk beleid is erop gericht om gebieden met een cultuurhistorische waarde niet op slot te zetten.
De voorzieningenrechter heeft de ruimtelijke onderbouwing terecht voldoende geacht en in hetgeen Vereniging Het Museum en anderen hebben aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor een andere conclusie. Het door Vereniging Het Museum en anderen in dit verband gedane beroep op het Koninklijk besluit van 13 januari 1989, no. 89.000681, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter heeft er terecht op gewezen dat dit besluit betrekking had op de bouw van woningen op een andere locatie en dat de omstandigheid dat daarin een afstand van 50 meter tot de beek moest worden aangehouden niet betekent dat die afstand ook dient te gelden voor de muziekkoepel.
2.4. Hoewel Vereniging Het Museum en anderen terecht klagen dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieven, leidt dit niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Het college heeft eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat uitgaande van de wensen van Stichting Muziekkoepel Winterwijk onderzoek is gedaan naar de plaatsing van een muziekkoepel op verschillende locaties. Geen van de alternatieve locaties voldeed echter aan de tot uitgangspunt voor de beoordeling genomen wensen van Stichting Muziekkoepel Winterswijk inzake een goede akoestiek, voldoende ruimte voor publiek en een centrale ligging in Winterswijk. Er is geen grond voor het oordeel dat bij dit locatieonderzoek niet met deze wensen van aanvrager rekening mocht worden gehouden.
2.5. Vereniging Het Museum en anderen betogen tot slot dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand is.
2.5.1. Ook dat betoog faalt. Het college heeft aan het besluit van 25 maart 2008 het positieve welstandsadvies van de gemandateerde rayonarchitect van het Gelders genootschap van 11 mei 2007 ten grondslag gelegd. Dit advies is bevestigd in het positieve welstandsadvies van de welstandscommissie van 12 oktober 2007. Vereniging Het Museum en anderen hebben ter zake daarvan geen advies overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. De adviezen van de Adviescommissie Cultuurhistorie van 3 oktober 2005 en 13 februari 2006 zijn niet als zodanig aan te merken. In die adviezen wordt ingegaan op de te verwachten aantasting van de cultuurhistorische en archeologische waarden in de Scholtenbrug en niet op de welstandelijke aspecten van het bouwplan. Onder deze omstandigheden heeft het college de welstandsadviezen aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Lodder
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
17-552.