Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0406

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805572/1/H1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 25 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het oprichten van twee vrijstaande woningen op het perceel gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200805572/1/H1. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juni 2008 in zaak nr. 07/2705 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk. 1. Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het oprichten van twee vrijstaande woningen op het perceel gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2008, verzonden op 10 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. W. Krijger, en het college, vertegenwoordigd door B. van Dorsten en A.L. Oosterwijk, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college heeft aan de weigering vrijstelling voor het bouwplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen, ten grondslag gelegd dat de beoogde bouw stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college betekenis toegekend aan de in de adviesnota's van 28 augustus 2006 en 20 september 2006 opgenomen stedenbouwkundige visie, waaruit volgt dat het bouwplan niet past binnen de ruimtelijke structuur van het gebied. De ruimtelijke structuur van het gebied wordt blijkens voornoemde adviesnota's gevormd door de bebouwing aan het historische lint Boshovensestraat-Voorderstraat, welke lint de scheiding vormt tussen kern en buitengebied. De twee beoogde woningen op het perceel zijn geprojecteerd op een open stuk grond tussen bestaande bebouwing aan de Dorpsstraat ten zuiden van de kern Riethoven. De woningen vallen buiten het historische lint Boshovensestraat-Voorderstraat. Het college acht het niet gewenst dat de desbetreffende locatie verder wordt verdicht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de invulling van de open plek het zicht op het achterliggende buitengebied ontneemt. Ook bestaat tussen de woningen Dorpsstraat 19 en Voorderstraat 1a reeds een bouwmogelijkheid die wel past binnen de ruimtelijke structuur. Indien deze bouwmogelijkheid wordt benut en het plan van [appellante] wordt toegestaan, krijgt deze locatie een te grote massaverdichting. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bezien, is het slechts verantwoord dat de bestaande bouwmogelijkheid wordt benut, aldus het college. 2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn besluiten kon baseren op de adviesnota's. Zij voert daartoe aan dat het college zijn stedenbouwkundige visie gedurende de procedure heeft gewijzigd en dat de adviesnota's niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Zij stelt voorts dat, nu het perceel is gelegen in een kernrandzone en bovendien direct aan een bebouwingszone grenst, enige verdichting en verstening is toegestaan. Voorts wijst zij op een historisch bebouwingslint ten zuiden van de Boshovensestraat-Voorderstraat, waar het bouwplan volgens haar onderdeel van uit maakt, zodat de invulling van dit gebied met twee vrijstaande woningen geen afbreuk doet aan de historische waarde van het gebied. 2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 september 2008 in zaak nr. 200708928/1) behoort de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen. 2.2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet hangende de procedure zijn stedenbouwkundige visie heeft gewijzigd. Naar aanleiding van de adviesnota van 28 augustus 2006, in welk advies is gesteld dat het ruimtelijk gezien niet verantwoord is om het gebied verder te verdichten, heeft het college gevraagd om een nadere toelichting op het aspect van de aanwezige bouwmogelijkheid en de argumentatie om het verzoek om vrijstelling af te wijzen. In het advies van 20 september 2006 is de nadere toelichting gegeven. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze adviezen onjuistheden bevatten en niet zouden voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. 2.2.3. Niet valt in te zien dat het college geen rekening heeft mogen houden met de stedenbouwkundige visie, zoals weergegeven in overweging 2.1. Daarbij wordt opgemerkt dat het plan weliswaar is gelegen in een kernrandzone, maar dat blijkens de provinciale beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling" ook in een dergelijke zone het behouden en waar mogelijk verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit voorop staat. In Bergeijk worden ter uitvoering van dit beleid als voorwaarden voor ontwikkelingen in kernrandzones gehanteerd dat het plan aansluit bij de ruimtelijke structuur, geen massaverdichting plaatsvindt en op basis van de nieuwe invulling de structuur en karakteristiek van het gebied verstrekt wordt, zodat een zorgvuldige overgang plaatsvindt van kern naar buitengebied. Het door [appellante] bedoelde historische lint is blijkens de gedingstukken niet meer aanwezig dan wel waarneembaar en kan derhalve niet als uitgangspunt dienen voor de beoordeling van de ruimtelijke structuur van het gebied. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat met de door [appellante] overgelegde tegenadviezen de stedenbouwkundige visie van het college onvoldoende wordt weerlegd, nu daaruit niet volgt dat het plan past binnen de ruimtelijke structuur van het gebied. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college in de stedenbouwkundige argumenten in redelijkheid voldoende aanleiding heeft kunnen zien vrijstelling voor het bouwplan te weigeren. 2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte onbesproken heeft gelaten of gezien de stedenbouwkundige visie van het college de bouw van één woning wel aanvaardbaar is. 2.3.1. De rechtbank is terecht niet ingegaan op de vraag of bij de realisatie van één in plaats van twee woningen wel van een ruimtelijk aanvaardbare inpassing van het plan kan worden gesproken. Slechts aan de orde is het bouwplan waarvoor op 2 maart 2006 door [appellante] vergunning is aangevraagd. Het college dient immers te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Gelet op de aanvraag, die betrekking heeft op de bouw van twee woningen en niet op de bouw van één woning, alsmede gezien het primaire besluit, kan de weigering vrijstelling te verlenen niet anders worden begrepen dan de weigering vrijstelling te verlenen voor de bouw van twee woningen. Uit het besluit op bezwaar blijkt niet dat het college dienaangaande een ander standpunt heeft ingenomen. De door [appellante] mondeling gedane mededeling dat zij het bouwplan wenst te wijzigen, leidt niet tot een ander oordeel, nu noch uit een aanvraag noch uit een ander schriftelijk stuk van een dergelijke wijziging van het bouwplan blijkt. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens w.g. Montagne lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 374.