
Jurisprudentie
BI0405
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805551/1/H1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805551/1/H1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] bouwvergunning eerste fase en vrijstelling te verlenen voor het oprichten van 6 bedrijfswoningen met schuur op een perceel gelegen aan de Kleiweg te Aduard (hierna: het perceel).
Uitspraak
200805551/1/H1.
Datum uitspraak: 8 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 juni 2008 in zaak nr. 07/440 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] bouwvergunning eerste fase en vrijstelling te verlenen voor het oprichten van 6 bedrijfswoningen met schuur op een perceel gelegen aan de Kleiweg te Aduard (hierna: het perceel).
Bij besluit van 16 april 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 augustus 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R. Zomer en J. Gramsbergen, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van 6 bedrijfswoningen met schuur op het perceel.
2.2. Ingevolge het ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Plan in Hoofdzaak, gemeente Aduard" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Landelijke bebouwing II".
Ingevolge het planvoorschrift wordt onder "landelijke bebouwing" verstaan, bebouwing met:
a) woningen en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, uitsluitend ten dienste van de uitoefening van de akkerbouw, de veehouderij, de pluimveehouderij, de tuinbouw of enige andere tak van bodemcultuur, met een bijbehorende terreingrootte van tenminste 1 ha, waarbij een zijdelingse afstand van enig gebouw tot de terreingrens van tenminste 10 m in acht genomen moet worden;
b) […];
c) bedrijfsgebouwen bij bedrijfswoningen of bedrijfsgebouwen zonder woningen, die blijkens hun aard en inrichting rechtstreeks en uitsluitend verband houden met de akkerbouw, de veehouderij, de pluimveehouderij, de tuinbouw of enige andere tak van bodemcultuur.
Tussen de in genoemde bepaling genoemde gebouwen, die niet op hetzelfde erf zijn gelegen, moet een onderlinge afstand in acht worden genomen:
voor landelijke bebouwing I van tenminste 500 m, evenwijdig langs de weg gemeten en
voor landelijke bebouwing II van tenminste 200 m, evenwijdig langs de weg gemeten.
De diepte van de bebouwingstroken langs de verharde wegen bedraagt 100 m.
2.3. Het college heeft de gevraagde vergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in strijd wordt gehandeld met onderdeel a van het planvoorschrift, nu de onderlinge afstand tussen de op te richten woningen met schuur - evenwijdig langs de weg gemeten - minder dan 200 m bedraagt. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de aangevraagde bedrijfswoningen met schuur ten dienste van de agrarische bedrijfsbestemming zullen worden gebruikt.
Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan, nu het bouwen van de bedrijfswoningen in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid inzake bouwen in het buitengebied en het voorts uit stedenbouwkundige overwegingen ongewenst is om woningbouw op het perceel toe te staan.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank het bestemmingsplan onjuist heeft geïnterpreteerd en heeft miskend dat de in het planvoorschrift opgenomen afstandscriteria alleen van toepassing zijn op onderdeel c van het planvoorschrift en niet op de gehele bepaling. [appellant] wijst dienaangaande naar de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 1995, nr. E01.94.0156, betreffende zijn percelen, waaruit zijns inziens volgt dat nieuwe gebouwen op het perceel kunnen worden opgericht.
2.4.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de onderdelen a tot met c van het planvoorschrift tezamen met de aanhef één bepaling vormen. De in het planvoorschrift opgenomen afstandseisen gelden derhalve zowel voor onderdeel a als voor onderdeel c van het planvoorschrift. Nu niet aan de in het planvoorschrift opgenomen afstanden tussen de op te richten gebouwen, die niet op hetzelfde erf zijn gelegen, wordt voldaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan reeds hierom in strijd is met het bestemmingsplan.
Anders dan [appellant] betoogt, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 1995, nr. E01.94.0156, niet worden afgeleid dat de in het planvoorschrift opgenomen afstandscriteria niet van toepassing zijn op het oprichten van bedrijfswoningen met bedrijfsgebouwen zoals bedoeld onder a van het planvoorschrift. Uit deze uitspraak kan slechts worden afgeleid dat door het niet opnemen van alle gronden van [appellant] in het bestemmingsplan "Buitengebied Aduard" hij niet in zijn bedrijfsbelangen wordt geschaad, nu het geldende bestemmingsplan "Plan in Hoofdzaak, gemeente Aduard" niet in de weg staat aan een verplaatsing van het bedrijf binnen de in dit bestemmingsplan gelegen gronden van [appellant] dan wel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf op deze gronden.
Dit betekent evenwel niet dat niet aan het in het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgenomen voorschrift met afstandseisen dient te worden voldaan. Voorts brengt een bebouwingsstrook van 100 m langs een verharde weg niet mee dat aan de overige eisen van het planvoorschrift, te weten het plaatsen van gebouwen op een bepaalde afstand van elkaar, niet behoeft te worden voldaan.
Ook anderszins bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet aan de in het planvoorschrift opgenomen afstanden behoeft te worden voldaan.
2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk moet worden geacht dat daadwerkelijk 6 volwaardige agrarische bedrijven van 1 ha ter plaatse worden gevestigd. [appellant] voert daartoe aan dat het college niet om aanvullende gegevens inzake de economische haalbaarheid van het bouwplan heeft verzocht en stelt bovendien dat de bedrijfsplannen reeds in het bezit zijn van het college, zodat hij deze plannen niet nogmaals hoeft te overleggen. [appellant] stelt voorts dat voor de onderbouwing of het bouwplan overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt, rekening dient te worden gehouden met de randvoorwaarden die in het bestemmingsplan worden genoemd.
2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 21 november 1996 in zaak nr. H01.96.0154, JB 1997/7, en 9 november 2005 in zaak nr. 200501078/1) moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] de bebouwing niet zelf in gebruik zal nemen maar ter verkoop zal aanbieden aan derden. Vast staat voorts dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen van de bedrijfswoningen met schuur was verkocht en dat zich daarvoor ook geen concrete gegadigden hadden gemeld. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat op dat moment onvoldoende duidelijkheid bestond over de vraag of voormelde woningen - in overeenstemming met het bestemmingsplan - als woningen konden worden aangemerkt die uitsluitend ten dienste staan aan de uitoefening van de akkerbouw, de veehouderij, de pluimveehouderij, de tuinbouw of enige andere tak van bodemcultuur. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.
Nu ingevolge het planvoorschrift woningen niet zonder meer zijn toegestaan maar afhankelijk zijn gesteld van de aard en omvang van de bedrijfsvoering, brengt artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mee, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 mei 2004 in zaak nr. 200306005/1) dat het op de weg van [appellant] lag gegevens en bescheiden te verschaffen waaruit het college van zodanige overeenstemming met het bestemmingsplan had kunnen blijken. Dergelijke gegevens en bescheiden zijn door hem evenwel niet overgelegd. De volgens [appellant] reeds sinds 2001 bij het college bekende bedrijfsplannen, wat hier van zij, heeft het college, reeds vanwege het tijdsverloop, niet behoeven aan te merken als gegevens die voor de beslissing op de onderhavige aanvraag van belang zijn. Bovendien blijkt uit het door [appellant] als nader stuk overgelegde bedrijfsplan niet dat het plan ziet op 6 separate bedrijven, nu dit plan slechts ziet op een nieuw op te starten bedrijf op één van de naastgelegen percelen van het bestaande bedrijf van [appellant].
2.6. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van vrijstelling ongewenst is, omdat dit in strijd komt met het provinciaal ruimtelijk beleid inzake het bouwen in het buitengebied en omdat het uit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is woningbouw op deze locatie toe te staan, nu de westelijke bebouwingsrand van de kern van Aduard is voltooid.
2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Volgens hem heeft het college bij een eerder op 11 juni 2002 verleende bouwvergunning voor een boerderij met ligboxenstal geen rekening gehouden met de in het planvoorschrift opgenomen afstanden.
Dit betoog faalt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat het college een gemaakte fout, indien hiervan al sprake is, zou moeten herhalen.
2.8. Voor zover [appellant] betoogt dat het college met vooringenomenheid heeft gehandeld, wordt overwogen dat de stukken geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de weigering bouwvergunning en vrijstelling te verlenen in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen.
2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Montagne
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009
374.