Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0402

Datum uitspraak2009-04-02
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200900861/2/M2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NedTrain Componentenbedrijf B.V. (hierna: NedTrain) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het reinigen, onderhouden, repareren, keuren of proefdraaien van onderdelen van spoorwegvoertuigen, aan de verlengde Nederlandweg te Tilburg. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200900861/2/M2. Datum uitspraak: 2 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NedTrain Componentenbedrijf B.V. (hierna: NedTrain) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het reinigen, onderhouden, repareren, keuren of proefdraaien van onderdelen van spoorwegvoertuigen, aan de verlengde Nederlandweg te Tilburg. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2009. Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. ing. R.M. van den Berg, en het college, vertegenwoordigd door L.J. van Wissen, ambtenaar van de gemeente, I.M. Fedder, J.H.P.M. Kieboom, W.A.J.J. Hoogveld en L.J.W. Kuisters, zijn verschenen. Voorts is ter zitting NedTrain, vertegenwoordigd door mr. G.C.W van der Feltz, mr. M. van Harten, beiden advocaat te Den Haag, R. Rodrigues de Miranda, M.A.W.A. van de Klundert, J.A.L. Baak, J.M. van Doremalen en J.C.M. Halters, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. [verzoeker] stelt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Hiertoe voert hij aan dat het college bij het bepalen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de omgeving ten onrechte heeft aangemerkt als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Bovendien had het college voor de te hanteren geluidgrenswaarden aansluiting moeten zoeken bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid, aldus [verzoeker]. Verder meent hij dat de in vergunningvoorschrift 5.1.2 voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode gestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 56 dB(A) te hoog is. 2.2.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidoverlast heeft het college onder meer de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 aan de vergunning verbonden, waarin grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidniveau, respectievelijk het maximale geluidniveau zijn neergelegd. 2.2.2. Het college heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 wordt, voor zover hier van belang, voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Het college heeft de omgeving gekwalificeerd als rustige woonwijk met weinig verkeer, waarvoor als richtwaarden 45, 40 en 35 dB(A) gelden voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De voorzitter ziet, gelet op de aanwezigheid van de spoorlijn Tilburg-Den Bosch en een autoweg in de omgeving, geen aanleiding voor het oordeel dat het college van een onjuiste omgevingscategorie is uitgegaan. Vaststaat dat de in voorschrift 5.1.1 gestelde geluidgrenswaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet hoger zijn dan de in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor deze omgevingscategorie aanbevolen richtwaarden. Indien zoals hier de grenswaarden worden afgestemd op de richtwaarden, eist de Handreiking niet om daarbij tevens het referentieniveau van het omgevingsgeluid te hanteren. Het maximale geluidniveau wordt volgens de Handreiking bij voorkeur bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde voor de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maar maximaal op 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in voorschrift 5.1.2 voorgeschreven maximale geluidgrenswaarden zijn lager dan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar worden geacht. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college zich, gezien het door hem gehanteerde beoordelingskader, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. 2.3. [verzoeker] stelt dat niet zeker is dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften kunnen worden nageleefd. Hiertoe voert hij aan dat onduidelijk is van welk geluidrapport van Oranjewoud moet worden uitgegaan, omdat in het bestreden besluit met betrekking tot dat geluidrapport verschillende data worden gehanteerd. Verder voert hij aan dat het geluidrapport op onjuiste uitgangspunten berust. Volgens hem zijn niet alle geluidbronnen bij de beoordeling van de geluidniveaus in aanmerking genomen, waardoor de gestelde grenswaarden zullen worden overschreden. Het geluid van de heftrucks en het warmdraaien van de diesellocomotief zijn ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus [verzoeker]. Bovendien meent hij dat in het geluidrapport ten onrechte voor het gehele terrein de bodemfactor 1.0 voor een geluidsabsorberende bodem is gehanteerd. 2.3.1. De voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit één geluidrapport is overgelegd en dat dit geluidrapport van Oranjewoud B.V. van 13 juni 2008 (hierna: het geluidrapport) deel uitmaakt van de aanvraag. Naar het oordeel van de voorzitter kan daarover geen misverstand bestaan. Dat de considerans een kennelijke verschrijving bevat ten aanzien van de datum van het geluidrapport, doet daaraan niet af. 2.3.2. Uit het geluidrapport blijkt - anders dan [verzoeker] meent - dat het geluid van de heftrucks en de diesellocomotief in de berekeningen is meegenomen. Ter zitting is gebleken dat het warmdraaien van de diesellocomotief niet in de inrichting plaatsvindt. Gelet hierop is daarmee in het geluidrapport terecht geen rekening gehouden. Wat betreft de bodemfactor, is ter zitting erkend dat ten onrechte geen rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Daarom is een nader geluidrapport van 17 maart 2009 overgelegd. In dit geluidrapport van 17 maart 2009, dat is opgesteld door Oranjewoud B.V. als bijlage bij een namens NedTrain in te dienen verzoek om een veranderingsvergunning, is uitgegaan van een bodemfactor van 0,5 voor een deels verharde bodem. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen 0,8 dB(A) hoger zal zijn, maar dat daarmee nog altijd aan de grenswaarden van de Handreiking kan worden voldaan. Gezien het voorafgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Taal voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009 325-584.