Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0399

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806380/1/M2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij schrijven van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beesel (hierna: het college) aan [appellanten] onder meer medegedeeld dat geen verbeuring van de bij besluit van 26 februari 2007 met betrekking tot de horeca-inrichting [café] te [plaats] opgelegde last onder dwangsom heeft plaatsgevonden en dat derhalve niet tot invordering van een dwangsom wordt overgegaan.


Uitspraak

200806380/1/M2. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], allen wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Beesel, verweerder. 1. Procesverloop Bij schrijven van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beesel (hierna: het college) aan [appellanten] onder meer medegedeeld dat geen verbeuring van de bij besluit van 26 februari 2007 met betrekking tot de horeca-inrichting [café] te [plaats] opgelegde last onder dwangsom heeft plaatsgevonden en dat derhalve niet tot invordering van een dwangsom wordt overgegaan. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2009, waar [appellanten], in persoon, en het college vertegenwoordigd door mr. M.W.G. Gommans-Janssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is de drijver van [café], [naam], als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het college heeft het bezwaar van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard omdat de mededeling dat niet wordt overgegaan tot invordering van een - naar [appellanten] stellen verbeurde - dwangsom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.2. [appellanten] betogen dat het college hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stellen dat in de nacht van 24 op 25 november 2007 een overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) heeft plaatsgevonden, zodat een dwangsom is verbeurd. Nu het college niet tot inning van deze dwangsom is overgegaan, moet er volgens hen van worden uitgegaan dat het college, zo begrijpt de Afdeling het beroep, is teruggekomen op het besluit van 26 februari 2007 en aldus overtreding van voornoemd voorschrift van het Besluit gedoogt. 2.3. Het niet invorderen van een verbeurde dwangsom is een feitelijk handelen. Dit handelen is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Slechts indien hieruit moet worden opgemaakt dat het college hiermee is teruggekomen op het besluit van 26 februari 2007 tot het opleggen van een last onder dwangsom kan van een besluit in de zin van voornoemde bepaling worden gesproken. Aan de beslissing van het college niet tot invordering van de - naar [appellanten] stellen verbeurde - dwangsom over te gaan ligt uitsluitend ten grondslag het standpunt van het college dat in de nacht van 24 op 25 november 2007 geen overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B van het Besluit heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het college is teruggekomen op het besluit van 26 februari 2007. Derhalve gaat het hier niet om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het bezwaar van [appellanten] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 2.4. Het beroep is ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van Leeuwen lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 373-570.