Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0394

Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803662/1/M2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) vastgesteld dat het voormalige gasfabriekterrein van Oude Pekela en omringende percelen een geval van ernstige verontreiniging betreffen, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Verder heeft het college ingestemd met het voor dit geval van ernstige verontreiniging ingediende saneringsplan.


Uitspraak

200803662/1/M2. Datum uitspraak: 8 april 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en haar maten [maat A] en [maat B], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Groningen, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) vastgesteld dat het voormalige gasfabriekterrein van Oude Pekela en omringende percelen een geval van ernstige verontreiniging betreffen, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Verder heeft het college ingestemd met het voor dit geval van ernstige verontreiniging ingediende saneringsplan. Tegen dit besluit hebben [appellante] en haar maten [maat A] en [maat B] (hierna: [appellanten]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2008, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. drs. R. Lagerweij, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Dreise en ing. A. Bekkering, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college stelt dat het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk is, aangezien zij niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren hebben gebracht. Het e-mailbericht dat [appellanten] op 10 april 2008 aan het college hebben verzonden, is volgens het college na afloop van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen ingediend. Bovendien bestaat er volgens het college, onder verwijzing naar artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, geen mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen via een e-mailbericht. 2.2. [appellanten] voeren aan dat zij binnen de daarvoor geldende termijn zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren hebben gebracht. Zij stellen dat zij op 26 maart 2008 een e-mailbericht gestuurd hebben naar de contactpersoon van het college, R. Zevenberg. Op verzoek van het college hebben [appellanten] dit e-mailbericht op 2 april 2008 en op 10 april 2008 nogmaals aan het college verzonden. 2.3. Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Wet bodembescherming, in samenhang met artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan tegen een besluit op grond van eerstgenoemde wet beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht. 2.4. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerp van het besluit liep van 15 februari 2008 tot en met 27 maart 2008. Op 26 maart 2008 hebben [appellanten] naar eigen zeggen via een e-mailbericht zienswijzen naar voren gebracht. Ter zitting is gebleken dat het college niet kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid bestaat om via elektronische weg zienswijzen naar voren te brengen. [appellanten] konden hun zienswijzen derhalve niet per e-mail naar voren brengen. Evenmin hebben zij hun zienswijzen vóór het einde van de termijn schriftelijk of mondeling naar voren gebracht. 2.5. Nu niet gebleken is dat [appellanten] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig zienswijzen naar voren hebben gebracht, is het beroep, gelet op artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009 373-492.