
Jurisprudentie
BI0390
Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5539 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5539 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Het ontstane misverstand over het tijdstip van de hoorzitting met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van de datum in geding komt voor rekening en risico van appellant. Het Uwv heeft de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde hoorplicht niet geschonden. Geen sprake van dusdanige medische beperkingen dat appellant zijn arbeid niet kon verrichten. De mededeling dat de uitkering op grond van de ZW met ingang van de datum in geding wordt beëindigd ten opzichte van het besluit roept geen nieuw rechtsgevolg in het leven en is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
07/5539 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2007, 07/969 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is werkzaam geweest als rozenplukker voor 40 uur per week. Met ingang van 11 juli 2003 is aan hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Per 11 oktober 2005 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, ziek gemeld met longklachten. Daarnaast was sprake van rugklachten, hoofdpijnklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding is het Uwv overgegaan tot verlening van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2. Op 2 oktober 2006 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. Deze achtte appellant per 3 oktober 2006 geschikt voor zijn arbeid. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 3 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.3. Appellant heeft zich per 9 oktober 2006 opnieuw ziek gemeld. Op 24 oktober 2006 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft geconcludeerd dat appellant ook op 9 oktober 2006 geschikt was voor zijn arbeid. Bij besluit van 25 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat wordt geweigerd om hem met ingang van
9 oktober 2006 ziekengeld te verlenen. Hierna heeft het Uwv bij brief van 27 december 2006 aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de ZW met ingang van 9 oktober 2006 wordt beëindigd.
1.4. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen de hierboven genoemde besluiten van 2 en 25 oktober 2006 en de brief van 27 december 2006. Op 14 december 2006 heeft, in tegenwoordigheid van een bezwaarverzekeringsarts, een hoorzitting plaatsgevonden met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2006. Op dezelfde datum heeft de bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat appellant terecht op 3 oktober 2006 en 9 oktober 2006 geschikt is geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 5 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 2 oktober 2006 en 25 oktober 2006 ongegrond verklaard. Verder is bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de brief van 27 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij is aangegeven dat deze brief een herhaling inhoudt van het besluit van
25 oktober 2006 en daarom niet op rechtsgevolg is gericht en mitsdien geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2006. Hierbij heeft hij erop gewezen dat een uitnodiging voor een hoorzitting is verzonden en dat vervolgens, na telefonisch overleg tussen een medewerker van het Uwv en de secretaresse van zijn gemachtigde, het tijdstip is vervroegd, zonder dat het Uwv het nieuwe tijdstip schriftelijk heeft bevestigd. Aan de zijde van appellant is een misverstand ontstaan over het tijdstip van de hoorzitting, waardoor hij de hoorzitting heeft gemist. Volgens appellant moet een en ander aan het Uwv worden toegerekend. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat zijn psychische klachten en rugklachten zijn onderschat en dat hij ten onrechte geschikt is geacht voor zijn arbeid. Tot slot is volgens appellant het bezwaar tegen de beslissing van 27 december 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij er belang bij had deze beslissing aan te vechten.
3.2. Volgens het Uwv moet het misverstand over het tijdstip van de hoorzitting voor risico van appellant blijven. Verder is volgens het Uwv terecht aangenomen dat appellant op 3 oktober 2006 en 9 oktober 2006 geschikt was voor zijn arbeid. Tot slot heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat de brief van 27 december 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het hiertegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontstane misverstand over het tijdstip van de hoorzitting met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2006 voor rekening en risico van appellant komt. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard dat hij het in zijn agenda genoteerde tijdstip van de hoorzitting, te weten 12:15 uur, per abuis heeft gelezen als 14:15 uur. Naar het oordeel van de Raad kan in dit geval niet worden gezegd dat het Uwv de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde hoorplicht heeft geschonden.
4.2. Appellant is op 2 oktober 2006 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft, mede onder verwijzing naar informatie van de huisarts, gerapporteerd dat bij appellant onder meer sprake is van chronische rugklachten en spierspanningshoofdpijn. Volgens de verzekeringsarts waren er in medisch opzicht geen dusdanige belemmeringen dat appellant zijn arbeid niet kon verrichten. Naar aanleiding van de ziekmelding per 9 oktober 2006 is appellant op 24 oktober 2006 door een verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft gerapporteerd dat de ziekmelding betrekking had op dezelfde klachten, dat geen sprake was van toegenomen medische beperkingen en dat appellant ook op 9 oktober 2006 geschikt was voor zijn arbeid. Op 14 december 2006 is appellant aanvullend onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. Verder heeft de bezwaar-verzekeringsarts de door appellant ingebrachte aanvullende informatie van de huisarts meegewogen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts waren de klachten van appellant weliswaar reëel, maar was er, mede gezien de informatie uit de behandelend sector, geen sprake van dusdanige medische beperkingen dat appellant zijn arbeid niet kon verrichten. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant geen nadere medische stukken heeft ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat de betrokken verzekeringsartsen de medische toestand van appellant op 3 oktober 2006 en 9 oktober 2006 onjuist hebben ingeschat.
4.3. Bij de brief van 27 december 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de ZW met ingang van 9 oktober 2006 wordt beëindigd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze mededeling ten opzichte van het besluit van 25 oktober 2006 geen nieuw rechtsgevolg in het leven roept en daarom niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het tegen de mededeling van 27 december 2006 gemaakte bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen de gemachtigde in dit verband heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.
4.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
MH