
Jurisprudentie
BI0367
Datum uitspraak2009-04-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
ZaaknummersAWB 08/2265, 08/2266, 09/595 en 09/641
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
ZaaknummersAWB 08/2265, 08/2266, 09/595 en 09/641
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Voorlopige voorzieningen. Kortsluiten. Verplaatsing vrijdagmarkt Leeuwarden en in verband hiermee een verkeersbesluit. Marktverordening. Beleidsregels. Belangenafweging.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummers: AWB 08/2265, 08/2266, 09/595 en 09/641
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2009 op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in de gedingen tussen
de vereniging "Vereniging de Nieuwestad" en een aantal leden van deze vereniging,
allen gevestigd te Leeuwarden,
verzoekers (hierna: de Vereniging),
gemachtigde: mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden,
verweerder (hierna: het college),
gemachtigde: mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden.
Procesverloop
Bij brief van 30 september 2008 heeft het college de Vereniging bericht dat de vrijdagmarkt op het Wilhelminaplein in Leeuwarden, naar verwachting met ingang van 31 oktober 2008, voor de duur van drie jaar wordt verplaatst naar de Nieuwestad en de Wirdumerdijk (het verplaatsingsbesluit) en dat in verband hiermee winkels, restaurants en andere bedrijven op de Nieuwestad en de Wirdumerdijk ongeveer drie jaar niet op vrijdag bevoorraad kunnen worden (het bevoorradingsbesluit). Tegen deze twee besluiten heeft de Vereniging bezwaar gemaakt.
Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de Vereniging zich voorts tot de voorzieningenrechter gewend met verzoeken om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voorlopige voorzieningen te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de procedurenummers 08/2265 (verplaatsingsbesluit) en 08/2266 (bevoorradingsbesluit).
Op 7 november 2008 heeft het college besloten om met een verkeersbesluit de laad- en lostijden aan de Nieuwestad en De Wirdumerdijk te wijzigen (het verkeersbesluit). Ook tegen dat besluit heeft de Vereniging bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college de bezwaren van de Vereniging tegen het verplaatsingsbesluit ongegrond verklaard. In dit besluit is aangegeven dat de vrijdagmarkt met ingang van 3 april 2009 wordt verplaatst. De Vereniging heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 05/595.
Ten slotte heeft het college bij besluit van 27 maart 2009 besloten het bezwaar van de Vereniging tegen het verkeersbesluit ongegrond te verklaren. Tegen het besluit van 27 maart 2009 heeft de Vereniging beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 09/641.
De rechtbank merkt de verzoeken van de Vereniging om voorlopige voorzieningen die hangende bezwaar tegen het verplaatsingsbesluit en het bevoorradingsbesluit zijn ingediend, thans aan als zijnde gericht tegen de besluiten op bezwaar van 23 maart 2009 respectievelijk 27 maart 2009.
De rechtbank heeft de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel (CVAH), die de marktkooplieden vertegenwoordigt, op de voet van artikel 8:26 van de Awb in deze gedingen aangemerkt als derde-belanghebbende.
De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 1 april 2009. De Vereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was namens de Vereniging aanwezig [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door J. Mulder en H. van der Meer, beiden werkzaam bij de gemeente Leeuwarden. Namens de CVAH is [naam] verschenen.
Motivering
Formele aspecten
1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om de Vereniging te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.
1.2 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit, mede gelet op het feit dat alle partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat zij hun standpunten voldoende hebben kunnen toelichten, het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaken.
Standpunt van het college
2.1 Voor de motivering voor de verplaatsing van de vrijdagmarkt naar de Nieuwestad en de Wirdumerdijk verwijst het college in zijn besluit van 23 maart 2009 naar het advies van 10 februari 2009 van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden (hierna: de Commissie). Het college is - onder meer en samengevat - van mening dat de Marktverordening Gemeente Leeuwarden van 14 april 2003 (hierna: de Marktverordening) de besluitvorming over de markten aan hem toekent en dat dit een discretionaire bevoegdheid betreft. Een goed lopende vrijdagmarkt is van groot belang, omdat die veel bezoekers trekt en de levendigheid van de binnenstad stimuleert. De Nieuwestad en de Wirdumerdijk behoren tot het kernwinkelgebied en zijn voor het publiek goed herkenbaar. Deze locatie is na uitgebreid overleg met winkeliers, marktkooplui en brandweer als meest geschikte beoordeeld. Ook eerder heeft de vrijdagmarkt al, tijdens het graven van de parkeerkelder onder het Wilhelminaplein, twee jaar lang zonder problemen op de Nieuwestad en de Wirdumerdijk gestaan. Volgens het college moet de ambulante handel, als "slachtoffer" van de herinrichting van het Zaailand en het Wilhelminaplein, een stevige stem hebben als het gaat om de verplaatsing van de vrijdagmarkt. Nu het Oldehoofsterkerkhof als alternatief minder geschikt wordt geacht en de voorkeur van de ambulante handel niet naar deze plek uitgaat, moet zorgvuldig worden beoordeeld of de Nieuwestad en de Wirdumerdijk aan alle eisen voldoen, ook op het gebied van veiligheid. Voor wat betreft dit laatste punt hecht het college meer waarde aan de conclusies van de Leeuwarder brandweer dan aan de conclusies in de rapporten van Safe Building, die de Vereniging heeft ingediend.
2.2 Voor de motivering van het verkeersbesluit verwijst het college voorts in zijn besluit van 27 maart 2009 naar het advies van 24 februari 2009 van de Commissie. Het college is - onder meer en samengevat - van mening dat enerzijds het belang van de verkeersveiligheid ermee is gediend dat er tijdens de markttijden geen bevoorrading van de bij de marktkramen gelegen winkels plaatsvindt door middel van vracht-, bestel- en andere auto's. Het gaat daarbij om de verkeersveiligheid van de bezoekers van de vrijdagmarkt en het vrijhouden van de doorgang voor de hulpdiensten. Anderzijds hebben de winkeliers er belang bij dat zij hun winkels kunnen bevoorraden. Het college vindt dat er sprake is geweest van een gedegen belangenafweging. Alleen op vrijdagochtend verandert de zogenaamde "venstertijd", met dien verstande dat voor de Nieuwestad en de Wirdumerdijk de laad- en lostijden, die voorheen lagen tussen 07.30 uur en 12.00 uur, worden veranderd en komen te liggen tussen 05.00 uur en 08.30 uur. Het college is van mening dat het verkeersbesluit moet gelden voor de gehele Nieuwestad en de Wirdumerdijk, omdat als het lossen aan de noordzijde van de Nieuwestad wel zou worden toegestaan, al het desbetreffende verkeer daar langs zou moeten gaan, in twee richtingen. Daarvoor is de noordzijde van de Nieuwestad te nauw. Ten slotte verwijst het college in het besluit van 27 maart 2009 voor de verbetering van de motivering en de afweging van de wederzijdse belangen, waartoe de Commissie heeft geadviseerd, naar het verweerschrift in de bezwaarschriftprocedure en naar het betoog van het college ter hoorzitting.
Standpunt van de Vereniging
3.1 De Vereniging is - onder meer en samengevat - ten aanzien van de verplaatsing van de vrijdagmarkt van mening dat artikel 2, tweede lid, van de Marktverordening, dat de grond vormt voor het verplaatsingsbesluit, slechts een beperkte reikwijdte heeft. Slechts enkele malen per jaar mag de vrijdagmarkt worden verplaatst in verband met bijvoorbeeld evenementen op het Wilhelminaplein. Dat blijkt uit de beleidsregels die ter uitvoering van de Marktverordening zijn opgesteld en die zijn neergelegd in het marktbeleid onder de naam "Leeuwarden, de marktstad van Friesland; rapportage over het marktbeleid van de gemeente Leeuwarden" (hierna: de Rapportage). De Marktverordening houdt dus uitdrukkelijk geen rekening met een verplaatsing van de vrijdagmarkt voor de duur van drie jaar. Afwijking van dit beleid is op grond van artikel 4:84 van de Awb in beginsel mogelijk, maar dan zijn het Oldehoofsterkerkhof en de Schrans de beste locaties voor de vrijdagmarkt. De Vereniging vraagt zich verder af op grond van welk onderzoek het college betoogt dat het Oldehoofsterkerkhof als locatie voor de vrijdagmarkt minder geschikt is. Voorts betoogt de Vereniging dat uit het onderzoek van Safe Building blijkt, dat tijdens de op- en afbouwfase van de markt de bereikbaarheid door de hulpdiensten niet kan worden gegarandeerd. De oefening van de brandweer waarop het college zich beroept en waarvan geen rapport voorhanden is, kan niet als representatief worden aangemerkt, omdat die plaatsvond toen de opbouwfase van de vrijdagmarkt al achter de rug was en alle vrachtwagens, aanhangers, heftrucks, etcetera al verwijderd waren.
3.2 Voorts is de Vereniging - onder meer en samengevat - ten aanzien van het verkeersbesluit van mening dat het college uit het oog verliest dat de winkels om 09.30 uur opengaan en de bevoorrading tot nu toe plaatsvindt tussen 09.30 uur en 12.00 uur. De winkeliers moeten voortaan dus de goederen in alle vroegte ontvangen en die goederen, die veelal van buiten Fryslân moeten komen, door hun vervoerders op een erg vroeg tijdstip laten afleveren. Het is de vraag of die vervoerders daarmee kunnen instemmen, immers, dat levert extra kosten op. Dit besluit is dan ook genomen op basis van aannames, gebaseerd op uitlatingen van de marktkooplui, die elke grond en elk bewijs ontberen. Weliswaar is de vrijdagmarkt ook eerder naar de Nieuwestad en de Wirdumerdijk verplaatst in verband met de bouw van de parkeergarage, maar toen waren er geen laad- en losverboden en was er ook nog geen sprake van strenge veiligheidseisen. Verder ziet de Vereniging niet in waarom het laden en lossen tijdens de vrijdagmarkt ook aan de noordzijde van de Nieuwestad zou leiden tot veiligheidsproblemen. Ten slotte komen uit het besluit de ingangsdatum van de venstertijden en de duur ervan niet duidelijk naar voren, aldus de Vereniging.
Beoordeling van het besluit van 23 maart 2009: de verplaatsing van de vrijdagmarkt
4.1 Uit artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, zoals dit luidt vanaf 2 november 2005, blijkt dat het college bevoegd is jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen.
4.2 In artikel 2, eerste lid, van de Marktverordening is geregeld waar markten plaatsvinden. Onder meer blijkt uit die bepaling dat op vrijdag in Leeuwarden op het Wilhelminaplein (en het Ruiterskwartier) de algemene warenmarkt wordt gehouden. Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Marktverordening kan het college op grond van dringende redenen, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de markt tijdelijk op een andere plaats zal plaatsvinden. Artikel 2, tweede lid, van de Marktverordening bevat een discretionaire bevoegdheid van het college. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik maakt terughoudend moet toetsen.
4.3 Ter zitting is gebleken dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat dringende redenen een verplaatsing van de vrijdagmarkt noodzakelijk maken. Ook de voorzieningenrechter gaat van dat gegeven uit. Op het Wilhelminaplein wordt immers op dit moment gestart met grote bouwprojecten. Voor de vrijdagmarkt zal dan op die plek geen plaats meer zijn, naar verwachting gedurende drie jaar.
4.4 Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de vraag aan de orde gesteld welke rol in de besluitvorming van het college de Rapportage heeft gespeeld. De Vereniging heeft zich er namelijk op beroepen dat in dit stuk beleid is neergelegd dat erop neerkomt - kort gezegd - dat de vrijdagmarkt slechts drie keer per jaar zal worden verplaatst in verband met de kermis en bepaalde andere evenementen en dat het Oldehoofsterkerkhof en de Schrans de beste locaties zijn om de vrijdagmarkt te plaatsen; volgens haar had het college niet van dat beleid mogen afwijken, dan wel is het op onvoldoende gronden daarvan afgeweken.
4.5 Het is de voorzieningenrechter opgevallen dat uit de Rapportage zelf niet duidelijk wordt welke status dit stuk heeft. Enerzijds blijkt uit de gedingstukken dat de raad de Rapportage op 14 april 2003 op voorstel van het college als "beleidsplan" heeft vastgesteld. Anderzijds doet de aanduiding "Rapportage" op voorhand niet vermoeden dat het hier om beleidsregels in de zin van de Awb gaat. Wel beoogt het stuk kennelijk een nieuw "marktbeleid" te beschrijven, dat samen met de CVAH en diverse sectoren binnen de gemeente Leeuwarden is ontwikkeld. Daarnaast bevat het onder meer overzichten van financiële aspecten en van marktstandplaatsen en een beschrijving van mogelijke andere locaties voor de vrijdagmarkt. Het rapport eindigt met een aantal "aanbevelingen", waaronder de aanbeveling om de vrijdagmarkt maximaal drie keer per jaar op een alternatieve locatie te houden. Ter zitting heeft het college betoogd dat de Rapportage geen beleidsregels bevat en bovendien niet door het college, maar door de raad is vastgesteld, zodat het college daaraan niet gebonden is.
4.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevat deze Rapportage inderdaad geen beleidsregels in de zin van de Awb die het college bij de toepassing van de Marktverordening kunnen binden. Daartoe is het te beschrijvend van aard en kunnen de daarin opgenomen aanbevelingen bezwaarlijk als beleidsregels worden beschouwd. Ook als de Rapportage wél als beleidsregels als bovenbedoeld zouden kunnen worden aangemerkt, dan geldt dat het college bij de invulling van zijn bevoegdheid op grond van de Marktverordening niet kan worden gebonden door regels die door een ander orgaan, in dit geval de raad, zijn vastgesteld. Terecht heeft het college in dit verband verwezen naar onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2006, LJN: AZ0345.
4.7 De voorzieningenrechter moet vervolgens de vragen beantwoorden of het college met gebruikmaking van de hem op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Marktverordening toekomende bevoegdheid in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen om ingaande 3 april 2009 de vrijdagmarkt te verplaatsen naar de Nieuwestad en de Wirdumerdijk en of hij daarbij in voldoende mate de daarbij betrokken belangen heeft afgewogen. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat hij zal moeten beoordelen of de uitdrukkelijke keuze die het college in het onderhavige geval voor de Nieuwestad en De Wirdumerdijk heeft gemaakt, deze terughoudende toets kan doorstaan en dat in het kader van die beoordeling niet op voorhand doorslaggevend is of andere locaties geschikter zouden zijn.
4.8 De voorzieningenrechter beantwoordt deze vragen bevestigend. Er is sprake van dringende redenen. Niets staat eraan in de weg om onder "tijdelijk" te verstaan een periode van - in dit geval - drie jaar. Het college was bevoegd om het verplaatsingsbesluit te nemen. Het college heeft voorts in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Het heeft daarbij in voldoende mate de belangen van de Vereniging meegewogen. Deze heeft aangevoerd dat haar leden omzetverlies zullen lijden, maar hebben dat standpunt niet met concrete gegevens onderbouwd. In redelijkheid heeft het college kunnen verwijzen naar de conclusies in het rapport "Markten: overal thuis? Effectstudie naar langdurige marktverplaatsing" uit 2007, opgesteld door het Hoofdbedrijfschap Detailhandel. Uit dit rapport blijkt - kort gezegd - dat marktkooplieden en winkeliers over en weer van elkaars aanwezigheid kunnen profiteren en dat een marktverplaatsing eerder voor de marktkooplieden tot omzetverlies lijdt dan voor de winkeliers. Weliswaar betreft dit rapport een algemene studie die niet is toegespitst op de situatie in Leeuwarden, maar bij gebreke van onderbouwing van enig omzetverlies door de Vereniging ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de conclusies van het rapport ook voor Leeuwarden kunnen gelden.
4.9 Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat, zoals de Vereniging bepleit, andere locaties de voorkeur zouden verdienen boven de Nieuwestad en de Wirdumerdijk. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het college erop heeft gewezen dat er voor diverse vrijdagen in 2009 al evenementen op het Oldehoofsterkerkhof staan gepland (Straatfestival, Sportdag City Beach Tour, de opbouw voor het Vechtsportgala en voor Dance Tour, Leeuwarden Culinair, het Winterfeest), hetgeen ook opgaat voor 2010, en dat het slecht zou zijn voor de vrijdagmarkt als die telkens op die dagen niet zou kunnen doorgaan. Ook heeft het college voldoende gemotiveerd dat de Schrans na de herinrichting niet langer geschikt is voor de vrijdagmarkt.
4.10 Voor wat betreft de veiligheid van de vrijdagmarkt na de verplaatsing is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zich in redelijkheid heeft kunnen baseren op het standpunt van de Leeuwarder brandweer. Deze kent de Leeuwarder situatie en heeft, toen de vrijdagmarkt eerder al eens op de Nieuwestad en de Wirdumerdijk stond, een aantal malen gecontroleerd en de veiligheidssituatie in orde bevonden. Zij heeft blijkens haar memo van 21 oktober 2008 een zevental voorwaarden gesteld om de doorrijdbaarheid en bereikbaarheid voldoende te waarborgen. Weliswaar heeft Safe Building blijkens haar rapport van 30 oktober 2008 een inspectie op de Nieuwestad en de Wirdumerdijk uitgevoerd, maar niet tijdens de aanwezigheid van de markt op die plek. Voorts gaat Safe Building uit van modellen en aannames, terwijl de brandweer blijkens haar reactie op het rapport van 30 oktober 2008, neergelegd in de brief van het college van 16 december 2008, put uit haar eigen praktijkervaring en kennis van de situatie ter plaatse. Zo blijken er volgens de brandweer meer of andere aanrijdroutes te zijn dan Safe Building aanneemt en wordt in het rapport van 30 oktober 2008 weliswaar de uitruktijd gesteld op 1,5 minuut, maar is in Leeuwarden de eerste brandweerauto al binnen één minuut vertrokken. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat deze feiten onjuist zijn. Hij gaat er verder van uit dat de brandweer, zoals het college ter zitting heeft betoogd, vanaf de eerste dag de doorrijdbaarheid zal controleren en minimaal een keer per maand zal inspecteren. In het rapport van 30 oktober 2008 heeft Safe Building verder betoogd dat met name tijdens de opbouwfase van de vrijdagmarkt in verband met een enorme menigte of een blokkade problemen kunnen ontstaan, maar het college heeft ter zitting voldoende gemotiveerd dat van een onveilige situatie geen sprake kan zijn, omdat dan de winkels nog niet geopend zijn. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat met de voorwaarden en met het toezicht die de brandweer voorstaat, de veiligheid van de vrijdagmarkt op de Nieuwestad en de Wirdumerdijk voldoende zal zijn gewaarborgd.
4.11 Nu niet gebleken is van andere omstandigheden op grond waarvan het college niet in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen, concludeert de voorzieningenrechter dat het besluit van 23 maart 2009 de rechterlijke toets kan doorstaan.
Beoordeling van het besluit van 27 maart 2009: het verkeersbesluit
5.1 In artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers. In artikel 15, eerste lid, van die wet is voorts bepaald dat de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit. Ten slotte is in artikel 18, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bepaald dat - voor zover hier van belang - verkeersbesluiten worden genomen:
a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;
d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders.
5.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college bevoegd was om het verkeersbesluit te nemen en in redelijkheid tot dat besluit is gekomen. Daartoe heeft het college kunnen overwegen dat het verkeersbesluit noodzakelijk is om de veiligheid op de weg, de bescherming van weggebruikers en de toegankelijkheid voor hulpdiensten te waarborgen. Verder heeft het kunnen besluiten om het verkeersbesluit ook te laten gelden voor de noordzijde van de Nieuwestad, omdat die te nauw is voor bevoorradingsverkeer in twee richtingen. De voorzieningenrechter wijst erop, dat door dit besluit de bevoorrading niet onmogelijk wordt, maar moet plaatsvinden op een vroeger tijdstip, voordat de vrijdagmarkt begint. De Vereniging heeft haar standpunt, dat dit voor de leveranciers problemen zou opleveren en meer kosten zou betekenen, niet met concrete gegevens onderbouwd. Zo is niet gebleken van enig overleg met leveranciers, waaruit die problemen naar voren zijn gekomen. Het college heeft de daarvoor in aanmerking komende belangen - het belang van de verkeersveiligheid enerzijds en de belangen van de winkeliers anderzijds - op juiste wijze tegen elkaar afgewogen en heeft op zitting verklaard dat het verkeersbesluit zal gelden van 3 april 2009 tot het moment dat de vrijdagmarkt terugkeert naar het Wilhelminaplein.
5.3 De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het besluit van 27 maart 2009 zelf geen enkele bepaling bevat over de ingangsdatum en de duur van de verkeersmaatregel. Het verwijst daarvoor slechts naar het verweerschrift van het college in de bezwaarschriftprocedure. In dat verweerschrift wordt echter voor de ingangsdatum juist verwezen naar een nadere precisering in het nog te nemen besluit op bezwaar, omdat op dat moment de exacte datum van de verplaatsing van de vrijdagmarkt nog niet bekend was. Het feit dat het college, zoals boven overwogen, op de zitting van 1 april 2009 zijn standpunt nader heeft verduidelijkt, neemt niet weg dat het besluit van 27 maart 2009 op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd.
5.4 Het beroep tegen dat besluit zal dan ook gegrond worden verklaard en dat besluit zal in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Het ligt voor de hand dat het college een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met een ingangsdatum en geldingsduur die niet afwijken van hetgeen het college op de zitting van 1 april 2009 heeft aangegeven. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien als in het dictum nader aan te geven. Hij zal in deze procedure het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
5.5 Op grond van artikel 8:75 juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van de Vereniging € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Leeuwarden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
in de zaken 08/2265 en 09/595 (het verplaatsingsbesluit):
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
in de zaken 08/2266 en 09/641 (het verkeersbesluit):
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2009 gegrond en vernietigt dit besluit, voor zover dit niet de ingangsdatum en de duur van de verkeersmaatregel vermeldt;
- verklaart het bezwaar van de Vereniging ongegrond en bepaalt dat het verkeersbesluit geldt met ingang van 3 april 2009 tot de datum dat de vrijdagmarkt weer naar het Wilhelminaplein terugkeert;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de gemeente Leeuwarden het in de zaak 09/641 door de Vereniging gestorte griffierecht ad € 297,= aan haar vergoedt;
- veroordeelt het college in de zaak 09/641 in de proceskosten van de Vereniging ten bedrage van € 644,= , aan haar te betalen door de gemeente Leeuwarden.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009.
w.g. J.R. Leegsma
w.g. P.G. Wijtsma
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak in het verzoeken om een voorlopige voorziening met de procedurenummers 08/2265 en 09/2266 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Tegen de uitspraak in de hoofdzaken met de procedurenummers 09/595 en 09/641 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.