Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0351

Datum uitspraak2009-03-27
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 08/2310
Statusgepubliceerd


Indicatie

Belanghebbende woont in België en is op 1 mei 2002 toegetreden tot de maatschap radiologen van een ziekenhuis. Op 15 december 2006 heeft belanghebbende een BV opgericht. Per 1 januari 2007 heeft belanghebbende haar maatschapsaandeel in deze BV ingebracht. Vanaf deze datum is zij als directeur in dienst bij deze BV. In geschil is of belanghebbende met ingang van 1 januari 2007 recht heeft op toepassing van de 30%-regeling. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, zulks gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2006, nr. 41 919, VN 2006/25.18. Op het moment dat belanghebbende de arbeidsovereenkomst met de BV sloot, was zij namelijk - anders dan als stage of opleiding - werkzaam in Nederland. Dat belanghebbende haar werkzaamheden in Nederland niet in dienstbetrekking verrichtte, doet daar niet aan af.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 08/2310 Uitspraakdatum: 27 maart 2009 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats] (België), eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 9 april 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking inzake de 30%-regeling. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2009 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, alsmede de inspecteur. 1. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2. Gronden 2.1. Belanghebbende woont in België en is op 1 mei 2002 toegetreden tot de maatschap radiologen van het [ziekenhuis] in [woonplaats]. Op 15 december 2006 heeft belanghebbende [BV] (hierna: de BV) opgericht. Per 1 januari 2007 heeft belanghebbende haar maatschapsaandeel in deze BV ingebracht. Vanaf deze datum is zij als directeur in dienst bij deze BV. 2.2. In geschil is of belanghebbende met ingang van 1 januari 2007 recht heeft op toepassing van de 30%-regeling als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) juncto hoofdstuk 3, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: Uitvoeringsbesluit). 2.3. Eén van de voorwaarden voor het recht op toepassing van de 30%-regeling is dat er sprake is van een ingekomen werknemer. Artikel 8, tweede lid, sub b, van het Uitvoeringsbesluit, definieert het begrip ingekomen werknemer als volgt: ‘door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is’ Niet in geschil is dat belanghebbende beschikt over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. 2.4. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2006, nr. 41 919, onder meer gepubliceerd in VN 2006/25.18 volgt (voor zover hier van belang): ‘Degeen die een arbeidsovereenkomst aangaat met een inhoudingsplichtige op een tijdstip waarop hij woonplaats buiten Nederland heeft en niet - anders dan in situaties als opleiding of stage - in Nederland werkzaam is, kan worden aangemerkt als "door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven".’ 2.5. Op het moment dat belanghebbende de arbeidsovereenkomst met de BV sloot, was zij - anders dan als stage of opleiding - werkzaam in Nederland. Gelet op voornoemd arrest brengt dit met zich mee dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als ‘door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven’. Dat belanghebbende haar werkzaamheden in Nederland niet in dienstbetrekking verrichtte, doet daar niet aan af. In het arrest is immers sprake van ‘in Nederland werkzaam’ en niet ‘in Nederland in dienstbetrekking werkzaam’. Belanghebbende is derhalve geen ingekomen werknemer als bedoeld in artikel 8, tweede lid, sub b, van het Uitvoeringsbesluit en heeft geen recht op toepassing van de 30%-regeling als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB. 2.6. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2006, nr. 04/0757, onder meer gepubliceerd in VN 2006/31.2.13 en op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, nr. 42 969, onder meer gepubliceerd in VN 2007/47.17. De rechtbank verwerpt dit beroep, nu de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van een verkeersvlieger in dienstbetrekking of een commissaris. 2.7. Belanghebbende heeft gesteld dat indien zij op 1 mei 2002 in dienst was getreden van het ziekenhuis, zij met ingang van 1 januari 2007 wel recht zou hebben op toepassing van de 30%-regeling. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat deze ongelijke behandeling in strijd is met artikel 43 van het EG-Verdrag. De rechtbank verwerpt deze stelling. Dat bij de toepassing van de 30%-regeling een onderscheid wordt gemaakt tussen personen werkzaam in dienstbetrekking en personen die niet in dienstbetrekking zijn, levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met de vrijheid van vestiging. 2.8. Gelet op hetgeen in 2.5 tot en met 2.7 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de 30%-regeling. Het beroep is derhalve ongegrond verklaard. 3. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Aldus gedaan door mr. W. Brouwer, rechter, en door deze en mr. J.M.J.F. Jansen, griffier ondertekend. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009. Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.