
Jurisprudentie
BI0344
Datum uitspraak2009-02-25
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers89406 / HA ZA 07-1044
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers89406 / HA ZA 07-1044
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzet tegen dwangbevel. Vraag of de maximale dwangsommen door overtreding van de opgelegde last zijn verbeurd. Beoordelingsruimte van de verzetsrechter. Formele rechtskracht van het dwangsombesluit. In het onderhavige geval geen ruimte voor een uitzondering.
Uitspraak
Vonnis
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Handel
Zaaknummer / rolnummer: 89406 / HA ZA 07-1044
Vonnis van 25 februari 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats, gemeente],
eiser in het verzet,
advocaat mr. J.H. Hermsen te Apeldoorn,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE VOORST,
zetelend te Twello, gemeente Voorst,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. A.J. Zeyl te Zutphen.
Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 februari 2008
- het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2009
- de akte overlegging producties van [eiser]
- de antwoordakte van de gemeente
- de akte uitlating van [eiser]
- de nadere antwoordakte van de gemeente
- de op 30 januari 2009 gehouden pleidooien, waarbij door [eiser] een productie is overgelegd.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser] is, samen met de mede-erfgenamen van zijn overleden [moeder] (hierna ook: de erven), eigenaar van het [landgoed te plaats] in de gemeente Voorst (hierna ook: het landgoed).
2.2. [eiser] is belast met het onderhoud van het landgoed. Het onderhoud van de paden en lanen op het landgoed geschiedt periodiek in de vorm van verharding en begrinting. Daarbij wordt reeds gedurende een aantal jaren gebruik gemaakt van puinmateriaal. Het puin wordt in grovere vorm gebruik voor de fundering van de verharding. Bovenop de funderingslaag wordt een laag van fijner puin en vervolgens een toplaag van zand, grind of nog kleiner puin aangebracht. Ook de zogeheten opsluitkanten van de paden en lanen worden gemaakt van grotere puinstukken.
2.3. Bij beschikking van 6 december 2005 (productie 3 bij akte overlegging producties d.d. 23 januari 2008 en productie 1 bij conclusie van antwoord) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) aan de erven en aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming opgeslagen hebben van afvalstoffen op en/of in de bodem op diverse percelen op het landgoed.
De last onder dwangsom houdt - kort samengevat - in dat de erven en [eiser] binnen een begunstigingstermijn van twaalf weken de puin- en afvalhopen, gemarkeerd op een bij de beschikking gevoegde fotomap, moeten (doen) verwijderen naar en/of door een erkend afval-inzamelbedrijf en in het vervolg geen bouw- en sloopafval mogen storten of op milieuonverantwoorde wijze aanwezig mogen hebben. De last is gegeven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per week dat de overtreding(en) voortduurt/voortduren, met een maximum van € 9.000,-.
2.4. [eiser] heeft tegen deze dwangsombeschikking een bezwaarschrift ingediend. De erven hebben geen bezwaarschrift tegen het besluit ingediend.
Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard. In het besluit op bezwaar heeft het college een nieuwe begunstigingstermijn opgenomen die loopt tot 13 april 2006.
Tegen het besluit op bezwaar heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ook: de Afdeling bestuursrechtspraak).
Bij uitspraak van 31 januari 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep ongegrond verklaard (productie 2 bij conclusie van antwoord).
2.5. In een brief van 7 september 2006, gericht aan de erven en aan [eiser], heeft de gemeente erop gewezen dat het maximale bedrag van € 9.000,- aan dwangsommen is verbeurd doordat geen uitvoering is gegeven aan de last onder dwangsom (productie 3A bij conclusie van antwoord). Ondanks aanmaningen zijn noch de erven, noch [eiser] overgegaan tot betaling van dit bedrag.
2.6. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college de erven en [eiser] bestuursdwang aangezegd. Het besluit ziet op dezelfde overtreding(en) als die welke in de last onder dwangsom aan de orde zijn.
2.7. Op 12 juli 2007 heeft de gemeente zowel tegen de erven als tegen [eiser] een dwangbevel (hierna ook: het dwangbevel) uitgevaardigd tot betaling van € 9.000,- aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met de wettelijke rente, invorderingskosten en explootkosten (productie 2 bij akte overlegging producties d.d. 23 januari 2008 en productie 5A bij conclusie van antwoord. Het dwangbevel is op 19 juli 2007 aan [eiser] en aan de erven betekend (productie 1 bij akte overlegging producties d.d. 23 januari 2008, alsmede de producties 5B en 5C bij conclusie van antwoord).
2.8. Bij exploot van 30 augustus 2007 heeft [eiser] verzet ingesteld tegen dit dwangbevel.
2.9. Het bezwaar van [eiser] tegen de last onder bestuursdwang is bij besluit van 26 oktober 2007 ongegrond verklaard.
Op 16 juli 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van [eiser] tegen de beschikking op bezwaar ongegrond verklaard (productie 1 bij akte overlegging producties d.d. 13 augustus 2008).
2.10. Op 23 juli 2008 heeft [eiser] het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland verzocht om ontheffing te verlenen van het stortverbod van artikel 10.2 lid 1 van de Wet Milieubeheer voor het in de bodem brengen van grote puinbrokken ten behoeve van het aanleggen van funderingen en opsluitkanten van te verharden paden en wegen op het landgoed (productie 2 bij akte overlegging producties van 13 augustus 2008).
2.11. Bij mondeling vonnis van 24 oktober 2008 heeft de voorlopige voorzieningenrechter van deze rechtbank de gemeente verboden om de voor 27 oktober 2008 aangekondigde feitelijke uitvoering van de aangezegde bestuursdwang door te zetten en bepaald dat de gemeente in elk geval moet wachten tot het moment waarop het college van gedeputeerde staten een beslissing heeft genomen op de ontheffingsaanvraag.
2.12. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten het verzoek om ontheffing afgewezen (productie 1 bij pleitaantekeningen [eiser]). Tegen deze beschikking heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank hem bij vonnis zal verklaren tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en dit dwangbevel buiten effect zal stellen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
3.2. Hij legt aan deze vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.
Het dwangbevel is gebaseerd op een niet bestaand dwangsombesluit van 7 september 2006 en ontbeert dus een juiste rechtsgrond.
Het dwangsombesluit is niet deugdelijk betekend. Omdat de woon- of verblijfplaatsen van de mede-eigenaren van het landgoed bekend zijn, mocht niet betekend worden op de wijze als vermeld in artikel 54 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
Het recht op invordering jegens [eiser] is verjaard omdat sedert het verbeuren van de dwangsommen meer dan zes maanden zijn verstreken zonder dat de gemeente tot invordering is overgegaan c.q. adequate stuitingshandelingen heeft verricht. De gemeente kan hem in elk geval niet aanspreken omdat de invorderingsbevoegdheid jegens de erven is verjaard.
Bovendien is niet het college maar gedeputeerde staten op grond van de geldende milieuregelgeving bevoegd om verwijdering van het puinmateriaal te eisen.
De formele rechtskracht van het dwangsombesluit en het beperkte toetsingskader van de verzetprocedure brengt niet met zich dat executie geoorloofd is als uit niets blijkt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan materiële rechtsschending. De gemeente blijft volhouden dat het puinmateriaal eerst moet worden gegranuleerd tot onbruikbaar materiaal, terwijl hiermee geen enkel milieubelang is gediend.Het puinmateriaal is gecertificeerd als schoon en levert geen nadeel op voor het milieu.
De uitspraak behoort aangehouden te worden totdat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak heeft gedaan in de ontheffingsprocedure omdat er, gelet op het ontwerp Landelijk Afvalstoffen Plan II dat op 4 maart 2009 in werking zal treden, gerede kans bestaat dat de zij zal oordelen dat ontheffing moet worden verleend. Gedeputeerde staten zijn in hun weigeringsbeschikking geheel aan dit nieuwe beleid voorbij gegaan en hebben bovendien het oude beleid verkeerd toegepast.
Indien de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat ontheffing moet worden verleend kan de gemeente geen aanspraak maken op betaling van € 9.000,- op de grond dat [eiser] de puinmaterialen niet heeft afgevoerd. Het feit dat de oorspronkelijke dwangsombeschikking formele rechtskracht heeft verkregen, wil niet zeggen dat de beschikking mag worden geeffectueerd als dat op grond van een nieuwe bestuursrechtelijke uitspraak over hetzelfde onderwerp niet geoorloofd is. In zo’n geval komt aan de gemeentelijke bevoegdheid tot uitvoering van de dwangsombeschikking de rechtsgrond te ontvallen en is de invordering onrechtmatig.
De hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wordt betwist. De opgevoerde kosten van “correspondentie en overleg” hebben niets te maken gehad met de invordering.
3.3. De gemeente voert verweer. Op haar stellingen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.
4.2. Het gaat in deze procedure om de vraag of de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat [eiser] wegens overtreding van de in de dwangsombeschikking van 6 december 2005 opgelegde last dwangsommen met een totale hoogte van € 9.000,- heeft verbeurd.
Het betoog van [eiser] dat het dwangbevel is gebaseerd op een niet bestaand dwangsombesluit wordt gepasseerd. Hiervoor is van belang dat [eiser] niet in zijn belangen is geschaad doordat in het dwangbevel is verwezen naar een dwangsombeschikking van 7 september 2006 in plaats van naar de dwangsombeschikking van 6 december 2005. Uit zijn stellingen blijkt immers dat hij weet dat het dwangbevel betrekking heeft op de dwangsombeschikking van 6 december 2005. Er was kennelijk ook geen sprake van een of meer andere dwangsombeschikkingen zodat hierover bij hem geen verwarring kon bestaan.
4.3. Bij de beoordeling dient vooropgesteld te worden dat de dwangsombeschikking van 6 december 2005 onherroepelijk is geworden doordat het daartegen ingestelde beroep is afgewezen door de Afdeling bestuursrechtspraak. In een verzetprocedure tegen een dwangsombeschikking dient de rechter in beginsel ervan uit te gaan dat de dwangsombeschikking, zo de daartegen openstaande rechtsgang niet is gebruikt of zonder succes is gebruikt, zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als wat betreft de inhoud in overeenstemming is met de wet en de algemene rechtsbeginselen. De toetsingsruimte van de verzetsrechter wordt door deze formele rechtskracht van de dwangsombeschikking dus beperkt.
Op grond hiervan kan het betoog dat niet het college doch gedeputeerde staten bevoegd zijn om verwijdering van het puinmateriaal te eisen in onderhavige procedure niet worden beoordeeld. Dit betoog betreft immers de totstandkoming van de dwangsombeschikking.
4.4. Op grond van de formele rechtskracht van de dwangsombeschikking is verder uitgangspunt dat er ten tijde van het geven van die beschikking sprake was van de overtreding zoals omschreven in die beschikking.
[eiser] heeft ook niet betwist dat hij deze overtreding tot op heden heeft laten voortduren, zodat vaststaat dat, zoals de gemeente heeft gesteld, het maximale bedrag aan dwangsommen (€ 9.000,-) is verbeurd.
4.5. Strick Van Linschoten kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen is verjaard, nu uit de door de gemeente overgelegde brieven (productie 3A, 4A, 4B, 4C bij conclusie van antwoord) blijkt dat de verjaring telkenmale tijdig is gestuit. [eiser] heeft niet betwist dat hij deze brieven van de gemeente heeft ontvangen.
Evenmin kan worden aangenomen dat het de gemeente niet meer vrijstaat in te vorderen omdat de invorderingsbevoegdheid jegens de erven zou zijn verjaard. Een eventuele verjaring van de invorderingsbevoegdheid jegens de erven laat de invorderingsbevoegdheid ten aanzien van [eiser] onverlet.
4.6. Er bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding om, zoals [eiser] heeft bepleit, de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak af te wachten. Hiervoor is het volgende van belang.
De invordering van de dwangsommen is gebaseerd op het dwangsombesluit dat, zoals gezegd, formele rechtskracht heeft. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan het beginsel van de formele rechtskracht in zeer klemmende gevallen uitzondering lijden, maar moet bij het aanvaarden van zulke uitzonderingen terughoudendheid worden betracht vanwege de zwaarwegende belangen die door het beginsel van formele rechtskracht worden gediend. Er bestaat in het onderhavige geval geen ruimte voor een uitzondering.
Ook indien de Afdeling bestuursrechtspraak beslist dat de gevraagde ontheffing moet worden verleend - bijvoorbeeld omdat gedeputeerde staten het oude beleid verkeerd heeft toegepast dan wel omdat ontheffing vanwege een wijziging in de regelgeving moet worden toegestaan - dan ontvalt hiermee niet de grondslag aan de dwangsombeschikking. De dwangsombeschikking is, gelet op de formele rechtskracht ervan, rechtmatig gegeven en blijft dit uiteraard. Zo er al sprake is van een wijziging in regelgeving waardoor de overtredingen ter zake waarvan de dwangsombeschikking is gegeven thans of in de nabije toekomst niet meer als overtredingen kunnen worden aangemerkt (indien ontheffing is verkregen), dan kan dit niet tot gevolg hebben dat de vanwege die overtredingen verbeurde dwangsommen niet meer verschuldigd zouden zijn. De gemeente is dan ook tot invordering van de dwangsommen bevoegd.
4.7. In het betekeningsexploot (productie 1 bij dagvaarding, productie 5B bij conclusie van antwoord) is door de gemeente wegens invorderingskosten een bedrag van € 1.606,50 in rekening gebracht. [eiser] heeft tegen de hoogte van dit bedrag verweer gevoerd.
Op grond van het bepaalde in de artikelen 5: 26 en 5: 33 van de Algemene wet bestuursrecht is de gemeente bevoegd de kosten van invordering op [eiser] te verhalen. De gemeente heeft echter niet gespecificeerd onderbouwd dat zij in verband met de invordering van de door [eiser] verschuldigde dwangsommen kosten heeft gemaakt tot een bedag van € 1.606,50, nu zij slechts heeft aangevoerd dat genoemd bedrag te billijken is omdat zij meerdere aanmaningen heeft verzonden, zij het dwangbevel heeft moeten voorbereiden en vervaardigen en er ook overigens veel tijd in de correspondentie en het overleg met [eiser] is gaan zitten.
Nu [eiser] niet heeft betwist dat er daadwerkelijk invorderingswerzaamheden zijn verricht, zullen de invorderingskosten, overeenkomstig het Rapport Voorwerk II, worden begroot op een bedrag van € 768,-.
4.8. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzet gegrond is, voor zover daarbij een hoger bedrag dan € 768,- aan invorderingskosten is gevorderd.
4.9. [eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:
- vast recht € 251,-
- salaris advocaat € 1.728,- (4,5 punt × tarief I: € 384,-)
Totaal € 1.979,-
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. stelt het dwangbevel van 12 juli 2007 buiten werking voor zover daarbij een hoger bedrag dan € 768,- aan invorderingskosten is gevorderd,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.979,-,
5.3. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.A.G. van Valderen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.