
Jurisprudentie
BI0317
Datum uitspraak2009-03-17
Datum gepubliceerd2009-05-27
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.002.240/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-05-27
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.002.240/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Naar het oordeel van het hof is het redelijk om voor de schuldsaneringen die in de loop van 2005 zijn begonnen het uitgangspunt te hanteren dat niet al het gedurende het eerste jaar van de schuldsanering te verrichten werk reeds in 2005 is verricht. Het eerste jaar eindigt in die gevallen immers pas in de loop van 2006. Aan Rechtshulp Noord kan worden toegegeven dat de door de deskundige toegepaste correctie in zekere mate willekeurig is. Dat geldt echter voor iedere correctie die niet is gebaseerd op de in de diverse zaken daadwerkelijk bestede tijd. Nu Rechtshulp Noord niet aangeeft op welke wijze de correctie dan wel zou moeten plaatsvinden, gaat het hof voorbij aan haar bezwaren tegen de door de deskundige toegepaste, en door de kantonrechter overgenomen, correctie.
Uitspraak
Arrest d.d. 14 oktober 2008
Zaaknummer 107.002.240/01 (voorheen onder rolnummer 0700759)
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
Stichting Rechtsbijstand Groningen, h.o.d.n. rechtshulp Noord,
gevestigd te Groningen,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in gedeeltelijk voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Rechtshulp Noord,
advocaat: mr. A. Speksnijder te Leeuwarden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in gedeeltelijk voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. P.R. van den Elst te Leeuwarden.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 maart 2006, 11 mei 2006, 23 november 2006 en 16 augustus 2007 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 9 november 2007 is door Rechtshulp Noord hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 9 maart 2006, 11 mei 2006 en 16 augustus 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 28 november 2007.
De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:
"het vonnis van de rechtbank Groningen van 16 augustus 2007 te vernietigen voorzover het door [geïntimeerde] aan de Stichting te betalen bedrag is bepaald op € 16.644,72 en, opnieuw rechtdoende, het door [geïntimeerde] te betalen bedrag te bepalen op € 48.829,--, zulks met de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de deskundige en de proceskosten in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:
"bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden, het een en ander met veroordeling van de Stichting Rechtsbijstand Groningen in de kosten van dit geding in hoger beroep."
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
Rechtshulp Noord heeft twee grieven opgeworpen.
De beoordeling
Omvang van de rechtsstrijd
1. Rechtshulp Noord is, blijkens de appeldagvaarding, in beroep gekomen tegen de vonnissen van 9 maart 2006, 11 mei 2006 en 16 augustus 2007. Zij heeft echter geen grieven gericht tegen de vonnissen van 9 maart 2006 en 11 mei 2006. In de conclusie van de memorie van grieven vordert zij ook niet langer de vernietiging van beide laatstgenoemde vonnissen. Rechtshulp Noord moet dan ook in zoverre in haar beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vaststaande feiten
2. Tegen de vaststelling van de feiten in rechtsoverweging 1 van het vonnis van de kantonrechter van 11 mei 2006 zijn geen grieven gericht, zodat ook in appel van deze feiten kan worden uitgegaan. Deze feiten komen, in het kort, op het volgende neer.
2.1. [geïntimeerde] is, als werknemer van Rechtshulp Noord, vanaf 1 januari 2005 werkzaam geweest als bewindvoerder in schuldsaneringen natuurlijke personen Wsnp.
2.2. [geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst met Rechtshulp Noord opgezegd tegen 1 januari 2006. Zij wilde haar werkzaamheden als bewindvoerder in dienst van [persoonsnaam] Bewindvoering voortzetten.
2.3. Omdat de insolventiekamer van de rechtbank Groningen een verzoek van Rechtshulp Noord om de gedurende 2005 aan [geïntimeerde] toegewezen Wsnp-zaken toe te wijzen aan een andere medewerker van Rechtshulp Noord afwees, kon [geïntimeerde] de behandeling van de zaken waarin zij als bewindvoerder was benoemd voortzetten op het kantoor van [persoonsnaam].
2.4. Op 16 december 2005, de in verband met het opnemen van vakantiedagen laatste werkdag van [geïntimeerde], heeft [geïntimeerde] de dossiers van de door haar behandelde Wsnp-zaken, zonder voorafgaand overleg daarover, afgevoerd.
2.5. In een brief van 19 december 2005 heeft Rechtshulp Noord [geïntimeerde] op staande voet ontslagen.
Het geschil en de procedure bij de kantonrechter
3. In de door [geïntimeerde] bij de kantonrechter aanhangig gemaakte procedure hebben twee onderwerpen centraal gestaan, de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet (alsmede de daaraan verbonden vorderingen over en weer) en de afrekening van de door [geïntimeerde] meegenomen zaken.
4. In haar vonnis van 11 mei 2006 heeft de kantonrechter overwogen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. In het eindvonnis heeft zij de loonvordering van [geïntimeerde] over de eerste helft van 2006 laten wegvallen tegen de schadevergoedingsvordering van Rechtshulp Noord uit hoofde van onregelmatig ontslag. Tegen deze beslissingen is in appel niet opgekomen. De rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet staat in appel dan ook niet meer ter discussie.
5. Over de afrekening van de bewindzaken heeft de kantonrechter in het vonnis van 11 mei 2006 overwogen dat, nu daarover geen afspraken zijn gemaakt tussen partijen, de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat afgerekend moet worden op basis van de verhouding tussen de verrichte en nog te verrichten werkzaamheden. Om de juiste verhouding tussen de werkzaamheden verricht vóór en na 1 januari 2006 te kunnen vaststellen, achtte de kantonrechter de benoeming van een deskundige gewenst. In het vonnis van 23 november 2005 heeft de kantonrechter mr. [deskundige], werkzaam op het Ministerie van Justitie als hoofd van de afdeling die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Wsnp, tot deskundige benoemd, om de vraag naar de verhouding tussen de werkzaamheden verricht vóór en na 1 januari 2006 te beantwoorden.
Nadat de deskundige een, uitgebreid, rapport had opgesteld, heeft de kantonrechter in het vonnis van 16 augustus 2007 het rapport van de deskundige, in grote lijnen, gevolgd. Op basis daarvan heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld om in het kader van de afrekening van de Wsnp-zaken een bedrag van € 16.644,72 aan Rechtshulp Noord te betalen. Genoemd bedrag is het saldo van een door Rechtshulp Noord aan [geïntimeerde] verschuldigd bedrag van € 10.705,00 (wegens door Rechtshulp Noord ontvangen subsidie) en van een door [geïntimeerde] aan Rechtshulp Noord verschuldigd bedrag van € 27.349,72 aan salaris.
Bespreking van de grieven
6. Met grief I komt Rechtshulp Noord op tegen het overnemen door de kantonrechter van het rapport van de deskundige. In de toelichting op de grief voert Rechtshulp Noord enkele bezwaren tegen het rapport van de deskundige aan. Volgens haar is de kantonrechter ten onrechte aan deze bezwaren voorbij gegaan.
7. Het hof stelt voorop dat tussen partijen, ook in appel, het door de kantonrechter in het vonnis van 11 mei 2006 geformuleerde uitgangspunt voor de afrekening van de dossiers, dat afgerekend moet worden op basis van de verhouding tussen de verrichte en nog te verrichten werkzaamheden, niet ter discussie staat. Daarmee staat evenmin ter discussie dat het om de afrekening te kunnen maken noodzakelijk is om de verhouding tussen de werkzaamheden verricht vóór en na 1 januari 2006 vast te stellen. De grief richt zich ook niet tegen dit uitgangspunt, maar tegen de wijze waarop het door de deskundige is toegepast. Ook [geïntimeerde] heeft dit uitgangspunt, in eerste aanleg noch in hoger beroep, bestreden.
8. Dit uitgangspunt kan dan ook in appel worden gehanteerd, zelfs wanneer de grief gedeeltelijk slaagt en het hof gelet op de devolutieve werking van het appel gehouden is om de in eerste aanleg gepasseerde of niet behandelde stellingen van [geïntimeerde] te bespreken.
9. Rechtshulp Noord heeft er, allereerst, bezwaar tegen dat de deskundige het zogenaamde eigen bijdragedeel van de opbrengsten uitsluitend tijdsevenredig verdeeld heeft, door de maandelijkse eigen bijdrage van vóór 1 januari 2006 aan Rechtshulp Noord en die van na 1 januari 2006 aan [geïntimeerde] toe te rekenen, zonder bij de verdeling van de eigen bijdrage rekening te houden met de verhouding tussen vóór en na 1 januari 2006 verrichte werkzaamheden.
10. Een bewindvoerder ontvangt in elke schuldsanering zowel salaris van de rechtbank (art. 320 Fw), dat ten laste van de boedel komt, als subsidie van de Raad voor Rechtsbijstand.
Op grond van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering (Besluit van 6 februari 2001, Stb. 2001, 81) is het uitgangspunt dat het salaris bestaat uit een vast bedrag per maand voor iedere maand gedurende de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling. Er is derhalve geen sprake van een verband tussen de in een maand door de bewindvoerder bestede tijd en het salaris gedurende die maand.
Voor de subsidie geldt, op grond van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering (Besluit van 6 februari 2001, Stb. 2001, 80), dat per afgewikkelde schuldsanering een subsidiebedrag wordt betaald. Het subsidiebedrag wordt in drie delen betaald, 50% van het subsidiebedrag vermeerderd met een toeslag voor te maken (porti)kosten bij aanvang van de schuldsanering, 25% na 18 maanden en de resterende 25% na beëindiging van de schuldsanering.
11. Voor zowel de subsidie als het salaris geldt aldus dat de bewindvoerder aanspraak heeft op een vast bedrag, onafhankelijk van de daadwerkelijk door hem aan de zaak bestede tijd. Voor het salaris geldt dan wel dat het te ontvangen (vaste) bedrag mede afhankelijk is van de duur van de schuldsanering.
12. Nu zowel het salaris als de subsidie van de bewindvoerder uit een vast bedrag bestaat, waarvan de hoogte niet wordt bepaald door de in concreto aan een zaak bestede tijd, maar hooguit mede afhankelijk is van de duur van de schuldsanering, ziet het hof geen reden om, in het kader van een afrekening op basis van de daadwerkelijk aan een zaak bestede tijd, enerzijds een verdeling van de subsidie naar werklast en anderzijds een tijdsevenredige verdeling van het salaris te hanteren. Voor zover Rechtshulp Noord er over klaagt dat de kantonrechter de deskundige is gevolgd in een tijdsevenredige afrekening van het salaris slaagt de grief derhalve.
13. De deskundige is er vanuit gegaan dat gedurende het eerste jaar van de schuldsanering ongeveer 50% van de werkzaamheden plaatsvindt. Rechtshulp Noord bestrijdt dat. Zij verwijst daartoe naar een notitie van de Raad voor de Rechtsbijstand te 's Hertogenbosch, bureau Wsnp, waaruit volgt dat in het eerste jaar van de schuldsanering 65% van het werk plaatsvindt, in het tweede jaar 13% en in het derde jaar 22%. Deze notitie is volgens Rechtshulp Noord gebaseerd op uitvoerig dossieronderzoek door onafhankelijke accountants.
14. Het hof volgt Rechtshulp Noord niet in haar kritiek op het door de deskundige toegepaste uitgangspunt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde], onbetwist door Rechtshulp Noord, heeft aangevoerd dat het bij de rechtbank Groningen beleid is dat de verificatievergadering niet aan het begin maar aan het einde van de schuldsanering plaatsvindt en dat er minimaal eenmaal per jaar draagkrachtberekeningen moeten worden uitgevoerd. In de notitie van de Raad voor de Rechtsbijstand wordt uitgegaan van een verificatievergadering in het eerste jaar en van slechts één draagkrachtberekening, alleen in het eerste jaar. De notitie behoeft, voor wat betreft de in het arrondissement Groningen aan schuldsaneringen bestede tijd, dan ook op een enkel punt aanpassing. Wanneer rekening wordt gehouden met een verificatievergadering in het laatste jaar van de schuldsanering en met het vervaardigen van meerdere draagkrachtberekeningen per zaak, komt de in het eerste jaar bestede tijd, uitgaande van de in de notitie vermelde gegevens, uit op ongeveer 50%. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat [geïntimeerde] stelt, overigens betwist door Rechtshulp Noord, dat in het eerste jaar geen huisbezoek werd gedaan.
15. De slotsom is dat het hof er, met [geïntimeerde], en in navolging van de kantonrechter vanuit gaat dat de deskundige terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat gedurende het eerste jaar van een schuldsanering 50% van het werk plaatsvindt.
16. De deskundige is er niet vanuit gegaan dat in alle door [geïntimeerde] in 2005 behandelde zaken in dat jaar 50% van alle werkzaamheden zijn verricht. Voor de zaken die vanaf medio augustus 2005 zijn begonnen heeft hij een correctie toegepast, door er bij die zaken vanuit te gaan dat de helft van het doorgaans in het eerste jaar verrichte werk nog in 2005 is verricht en door voor die zaken de subsidie vanwege (porti)kosten, door de deskundige op € 200,00 gesteld, niet aan het jaar 2005 toe te rekenen. Rechtshulp Noord komt daar tegenop. Volgens haar betreft het willekeurige correcties.
17. Naar het oordeel van het hof is het redelijk om voor de schuldsaneringen die in de loop van 2005 zijn begonnen het uitgangspunt te hanteren dat niet al het gedurende het eerste jaar van de schuldsanering te verrichten werk reeds in 2005 is verricht. Het eerste jaar eindigt in die gevallen immers pas in de loop van 2006. Aan Rechtshulp Noord kan worden toegegeven dat de door de deskundige toegepaste correctie in zekere mate willekeurig is. Dat geldt echter voor iedere correctie die niet is gebaseerd op de in de diverse zaken daadwerkelijk bestede tijd. Nu Rechtshulp Noord niet aangeeft op welke wijze de correctie dan wel zou moeten plaatsvinden, gaat het hof voorbij aan haar bezwaren tegen de door de deskundige toegepaste, en door de kantonrechter overgenomen, correctie.
18. Uit het voorgaande volgt dat de door de deskundige voorgestelde afrekening van de subsidie geen aanpassing behoeft. Er kan worden uitgegaan van het door de deskundige vastgestelde bedrag van € 10.705,00 ten gunste van [geïntimeerde]. De afrekening van het salaris dient wel opnieuw vastgesteld te worden. Gelet op het tijdsverloop kan, naar het hof aanneemt, van de meeste in 2005 begonnen schuldsaneringen worden aangegeven wat de concrete salarisaanspraak is. Naar het oordeel van het hof dient bij de bepaling van die aanspraak ook rekening te worden gehouden met de eventuele oninbaarheid van (een deel van) het vastgestelde salaris. Het aldus bepaalde salaris dient vervolgens te worden verdeeld aan de hand van de door de deskundige voor de subsidie vastgestelde verdeelsleutel. Bij deze wijze van afrekenen kan in het midden blijven of nu 16 december of 31 december 2005 als einddatum gehanteerd moet worden. Er vindt immers geen afrekening naar tijdsevenredigheid maar naar evenredigheid van het verrichte werk plaats.
19. Bij de berekening dient te worden uitgegaan van de door [geïntimeerde] bij de inleidende dagvaarding overgelegde lijst met zaken. Ook de deskundige, en in diens voetspoor de kantonrechter, zijn immers van deze lijst uitgegaan en niet van de daarvan afwijkende lijst van Rechtshulp Noord. Daartegen is geen grief gericht.
20. Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen bij akte een berekening in het geding te brengen die voldoet aan de in rechtsoverwegingen 18 en 19 vermelde uitgangspunten. Rechtshulp Noord kan vervolgens op die akte reageren.
21. Het hof houdt de verdere bespreking van deze grief, en de bespreking van grief II, aan.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart Rechtshulp Noord niet-ontvankelijk in haar beroep, voor zover gericht tegen de vonnissen van 9 maart 2006 en 23 november 2006;
en alvorens verder te beslissen:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 11 november 2008 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] (akte G (p.i.) AP);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 14 oktober 2008 in bijzijn van de griffier.