
Jurisprudentie
BI0305
Datum uitspraak2009-03-30
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers138211/KG ZA 09-83
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers138211/KG ZA 09-83
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
nakoming, "anticipatory breach", opschorting, vastgestelde prijzen, betalingscondities, prijsafspraken, tussentijdse prijsverhogingen, toeleveranciers, redelijkheid en billijkheid
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak: 30 maart 2009
Zaaknummer : 138211 / KG ZA 09-83
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
de societa a responsabilita limitata W.O.P. SRL.,
handelend onder de naam [EISER]
gevestigd te Lana, Italië,
eiseres,
procesadvocaat mr. E.J.J.M. Kneepkens,
advocaat mr. R.C. van Wieringhen Borski;
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEDAAGDE]
gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
gedaagde,
advocaat mr. W.B.J. van Overbeek.
1.Het verloop van de procedure
Eiseres, hierna te noemen: “[eiseres]” , heeft gedaagde, hierna te noemen: “[gedaagde]” bij exploot van 17 maart 2009 gedagvaard in kort geding. Aan de dagvaarding zijn 9 producties gehecht. Op de dienende dag, 26 maart 2009, heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.
[gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.
Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het (verkort) vonnis is vanwege de bijzondere spoedeisendheid geschied op 30 maart 2009. De schriftelijke uitwerking van dit vonnis is heden, 3 april 2009, afgegeven.
2.Het geschil
Het geschil kan, voor zover van belang kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
2.1. [eiseres] vordert als voorziening [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad te bevelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de leveringen aan [eiseres] te hervatten conform de tussen partijen geldende overeenkomst en tegen de vastgestelde prijzen en betalingscondities, op verbeurte van een direct opeisbare dwangsom voor iedere overtreding dan wel niet-nakoming van het bevel van € 50.000,--, te vermeerderen met € 5.000,-- voor de dag of gedeelte daarvan dat de overtreding dan wel niet-nakoming voortduurt, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
2.2. [eiseres] legt aan deze vordering het volgende ten grondslag.
2.2.1. [eiseres] is onderdeel van de [eiseres] groep met vestigingen in Italië, Duitsland en Slowakijje. [eiseres] ontwerpt, ontwikkelt, produceert en assembleert onderdelen en accessoires ten behoeve van de auto-industrie. Zij levert haar producten en diensten direct aan autofabrikanten als Volkswagen, Audi, Skoda en Seat.
2.2.2. Op 2 juni 2005 heeft [eiseres] met [gedaagde], leverancier van prototypen en mallen en producent van onderdelen in kleine volumes voor de auto-industrie en niet-auto-industrie,
een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] voor [eiseres] enkele van de Audi Q7 offroadset onderdelen zal produceren (hierna: “de overeenkomst”). De overeenkomst bestaat uit drie onderscheiden verplichtingen van [gedaagde], te weten:
1. voor de verschillende offroadset onderdelen een mal maken (onderdeel A van de overeenkomst);
2. de onderdelen in kunststof produceren (onderdeel B van de overeenkomst);
3. de onderdelen lakken (onderdeel C van de overeenkomst).
2.2.3. De belangrijkste afspraken waar partijen zich door middel van deze overeenkomst aan hebben gebonden, zijn de volgende:
“Art. 14). Bestellvorgang: Die Mindestbestellmenge beträgt 500 Stück pro Teil. (..) Der Liefertermin für 500 Bausätze darf keinesfalls die Frist von 20 Kalendertagen ab Bestelldatum überschreiten. (..)“
“Art. 25). Preise und Zahlungsbedingungen: (..)Die festgelegten Teilepreise sind Fixpreise für eine Dauer von 7 Jahren. Preiserhöhungen sind dem Auftraggeber in Schriftform bis 30.06 des siebten Jahres mitzuteilen. Die geforderte Preiserhöhung hat nach Genehmigung durch den Auftraggeber ab dem 01.01 des Folgesjahres Gültigkeit. (..)“
“Art. 32). Termintreue: (..)
Termintreue in der Serienlieferung: Die in den Auftragsbestätigungen festgelegten Liefertermine, die den Festlegungen von Art. 14 entsprechen müssen, sind verbindlich. Ab Ablauf der Lieferfrist wird eine Vertragsstrafe von 10% des Auftragsvolumen der Mindestbestellmenge pro Tag in Rechnung gestellt. (..)“
“Art. 39). Dieser Vertrag einschließlich der nachstehend genannten Anlagen enthält die gesamte Vereinbarung zwischen den Vertragsparteien. Mündliche Nebenabreden sind nicht rechtsverbindlich. Änderungen dieses Vertrages bedürfen der Schriftform.“
“Art. 41). Dieser Vertrag wir ausschließlich durch das italienische Recht geregelt.(..)“
“Art. 43). Nachstehende Anlagen sind untrennbare Bestandteile des Vertrages:
(..)
(..)
Angebot vom 02/06 0504K12153E – 0504K12192E
(..)“
Een kopie van de overeenkomst is als productie 2 door [eiseres] overgelegd.
2.2.4. Gaandeweg de uitvoering van de overeenkomst heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat het project voor haar verliesgevend is. Volgens [eiseres] hebben haar twee leveranciers kennelijk prijsverhogingen doorgevoerd. Het betreft Polimoon/Promens, de producent van alle plastic onderdelen (onderdeel B van de overeenkomst) en WCA-Alro NV (hierna: Alro) die het lakken van alle plastic onderdelen voor haar rekening heeft genomen (onderdeel C van de Overeenkomst).
[gedaagde] wenst in weerwil van de overeengekomen vaste prijsafspraken met [eiseres], de prijsverhoging van Alro op [eiseres] af te wentelen.
2.2.5. [gedaagde] wenst volgens [eiseres] onder het contract uit te komen en stelt zich onder verwijzing naar de respectievelijke notulen op het standpunt dat partijen naar aanleiding van een bespreking in maart 2008 en een bespreking in september 2008 overeenstemming zouden hebben bereikt omtrent:
1.de prijsverhoging per 1 juni 2008 en
2.de beëindiging van de overeenkomst per week 20 van het jaar 2009.
[eiseres] heeft hierop meermalen schriftelijk bevestigd dat de overeenkomst tussen hen niet is beëindigd en dat zij nimmer akkoord is gegaan met enige prijsverhoging.
2.2.6. [gedaagde] heeft in januari 2009 geweigerd een vrachtwagen van [eiseres] te beladen met door [eiseres] bestelde producten, omdat zij er ten onrechte vanuit ging dat [eiseres] bij vooruitbetaling een verhoogde prijs moest betalen, terwijl geen enkele rekening openstond en sinds de aanvang van de overeenkomst een betaaltermijn van 45 dagen gold. Per
25 februari 2009 weigert [gedaagde] nog verder aan [eiseres] te leveren, tenzij [eiseres] eerst de door [gedaagde] gewenst prijsverhoging betaalt ad € 134.000,-- ter zake van eerder geleverde producten en [gedaagde]’s vermeende investering ad
€ 783.597,-- vergoedt.
2.2.7. Als gevolg van deze weigering van [gedaagde] aan [eiseres] te leveren, kan [eiseres] niet meer voldoen aan haar contractuele verplichtingen jegens Audi AG, met alle gevolgen van dien. De directe schade die [eiseres] hierdoor lijdt, loopt in de miljoenen. [eiseres] heeft derhalve spoedeisend belang bij een bevel jegens [gedaagde] de levering jegens [eiseres] voort te zetten conform de overeenkomst.
2.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, op dit verweer wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.
3.De beoordeling
3.1. Het spoedeisend belang volgt uit de aard der zaak nu het nakoming betreft van een contractuele verplichting en aannemelijk is, dat het niet meer kunnen voldoen aan haar contractuele verplichtingen jegens Audi, [eiseres] aanzienlijke schade zal berokkenen.
3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het gevorderde alleen dán kan worden toegewezen indien waarschijnlijk of voldoende aannemelijk is dat ook de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat de contractuele afspraken tussen [eiseres] en [gedaagde] niet zijn beëindigd noch gewijzigd en onveranderd van kracht zijn.
3.3. Volgens [gedaagde] dient er onderscheid gemaakt te worden tussen de nakomingsvordering enerzijds en de prijs anderzijds. Zij voert met betrekking tot de nakoming als verweer dat deze vordering dient te worden afgewezen nu er sprake is van “anticipatory breach” vanwege het feit dat op basis van schriftelijke verklaringen van [eiseres] vaststaat dat zij op korte termijn (week 20 van 2009) zelf jegens [gedaagde] tekort zal schieten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting tot afname van alle in de overeenkomst van 2005 overeengekomen delen. [gedaagde] stelt dat zij derhalve terecht haar prestaties jegens [eiseres] heeft opgeschort.
3.3.1. Dit verweer faalt. Zoals [eiseres] terecht stelt is in de overeenkomst géén verplichting tot minimale afname overeengekomen. Weliswaar geldt tussen partijen, zoals [gedaagde] terecht stelt, dat de offerte deel uitmaakt van de overeenkomst (artikel 43 van de overeenkomst), maar daaruit volgt géén verplichting tot minimale afname. De omstandigheid dat [eiseres] vanaf week 20 van 2009, als gevolg van de door Audi doorgevoerde “facelift”, niet meer alle overeengekomen delen zal afnemen, let wel, [eiseres] heeft verklaard de overige onderdelen ook na week 20 van 2009 af te zullen nemen nu Audi haar overeenkomst met [eiseres] niet heeft opgezegd, levert derhalve geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op, zodat [gedaagde] onterecht tot opschorting van haar prestaties is overgegaan.
3.4. Met betrekking tot de overeengekomen prijzen stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat in de overeenkomst niet is overeengekomen dat de prijzen voor zeven jaar zouden vastliggen, zoals [eiseres] beweert op basis van artikel 25 van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] zijn er verschillende argumenten waarom het doorberekenen van 50% van de prijsverhogingen van Alro per 1 juni 2008 en feitelijk per 1 januari 2009 wel degelijk aan de orde is, namelijk:
“a.de mogelijkheid van tussentijdse prijsverhogingen blijkt uit hetgeen volgt na de eerste zin van artikel 25 van de overeenkomst;
b. de prijsverhoging is tussen partijen overeengekomen op 19 maart 2008. Weliswaar stond het niet in het eerste protocol, maar [gedaagde] heeft daarop gewezen, waarna [eiseres] met haar e-mail van 10 april 2008 de juistheid van deze afspraak heeft bevestigd. Bovendien paste deze afspraak in het geheel van de overige afspraken;
c.[gedaagde] heeft uit coulance-overwegingen per 1 juni 2008 de prijsverhoging nog niet in laten gaan, om [eiseres] in staat te stellen met Audi en Rehau tot een vergelijk te komen. Op de facturen maakte zij evenwel een voorbehoud. [eiseres] heeft zich daar nooit tegen verzet;
d. Alle leveringen die in 2009 hebben plaatsgevonden zijn tegen de nieuwe prijzen geweest. Deze zijn ook door [eiseres] betaald. In haar brief van 22 januari 2009 (productie 3), waarin zij die prijzen accepteerde, heeft zij geen voorbehoud opgenomen;
e.Het zou ook overigens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, indien [eiseres] – gegeven de sterk gedaalde volumes – zou vasthouden aan ongewijzigde prijzen;
f.Op 19 maart 2008 zijn ook afspraken gemaakt die gunstig zijn voor [eiseres] (zoals het feit dat [gedaagde] 50% van de transportkosten draagt), welke ook door partijen zijn nagekomen. Wat [eiseres] doet is cherry picking. In dit licht bezien is haar vordering (prijzen zoals overeengekomen in 2005) ook merkwaardig. Wil [eiseres] de voor haar op 19 maart 2008 gemaakte prijsafspraken weer terugdraaien?”
3.4.1. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.
Ad. a: De mogelijkheid van tussentijdse prijsverhogingen blijkt inderdaad uit hetgeen volgt na de eerste zin van artikel 25 van de overeenkomst, echter uit deze zinsnede: “Preiserhöhungen sind dem Auftraggeber in Schriftform bis 30.06 des siebten Jahres mitzuteilen. Die geforderte Preiserhöhung hat nach Genehmigung durch den Auftraggeber ab dem 01.01 des Folgesjahres Gültigkeit. (..)“ volgt dat prijsverhogingen schriftelijk tot 30 juni van het zevende jaar aan de opdrachtgever kunnen worden medegedeeld en dat de gevraagde prijsverhoging na pas goedkeuring door de opdrachtgever vanaf
1 januari in het daaropvolgende jaar geldig zijn. Een door [eiseres] gegeven goedkeuring wordt door haar ontkend en blijkt niet uit de notulen van de besprekingen van maart 2008 en september 2008 noch uit de overige gedingstukken en is ook overigens niet gebleken.
Ad. b. [gedaagde] wordt niet gevolgd in de stelling dat de prijsverhoging tussen partijen is overeengekomen, omdat [eiseres] in haar e-mail van 10 april 2008 enkel heeft bevestigd dat in de betreffende bespreking [gedaagde] haar wens heeft geuit de prijsverhoging van haar toeleverancier op [eiseres] af te wentelen. Dat betekent niet dat er sprake is van een toezegging en derhalve wilsovereenstemming omtrent de prijsverhoging. Dat blijkt bovendien niet uit de overige gedingstukken waaronder de notulen van de bespreking in september 2008.
Ad. c. Nu partijen gelet op het voorgaande geen prijsverhoging zijn overeengekomen, zijn de “coulance-overwegingen” voor rekening van [gedaagde].
Ad. d. [eiseres] heeft in haar brief van 22 januari 2009 (productie 3 [gedaagde]) wel degelijk een voorbehoud gemaakt. Zij vindt het immers: “vernünftiger wenn die Parteien untereinander zu einer Einigung finden“ reden waarom zij: „bereit ist die letzte Lieferung zu den geforderten Bedingungen zu beziehen“. Daaruit volgt het voorbehoud dat zij alleen de laatste levering tegen de door [gedaagde] gevorderde prijs afneemt om met elkaar in gesprek te blijven en [eiseres] doet daartoe vervolgens een datumvoorstel om elkaar te treffen in Amsterdam op 9 of 10 februari 2009 teneinde tot een oplossing te komen.
Een aanvaarding van de door [gedaagde] voorgestelde prijsverhoging blijkt daar derhalve geenszins uit.
Ad. e. Voor zover deze beginselen ook naar Italiaans recht gelden wordt ook deze contractuele relatie beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. [eiseres] wordt gevolgd in haar betoog dat [gedaagde] er kennelijk vanaf heeft gezien om prijsafspraken te maken met haar toeleveranciers op het moment dat zij met [eiseres] prijsafspraken maakte. Dat [gedaagde] nu geconfronteerd wordt met prijsverhogingen bij haar toeleveranciers dient voor haar rekening en risico te blijven en levert gelet op de belangen van [eiseres] naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter geen strijd op met de redelijkheid en billijkheid.
Ad. f. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat op 19 maart 2008 geen wilsovereenstemming is bereikt omtrent de door [gedaagde] gewenste prijsverhogingen. Hetgeen is opgetekend in het “protocol” betreft notulen van deze bespreking, hetgeen in de e-mail is verklaard is een bevestiging van hetgeen tijdens de bespreking is besproken.
3.5. Gelet op al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat ook de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] zonder enige grond haar prestaties jegens [eiseres] heeft opgeschort en onverkort verplicht is aan [eiseres] te leveren conform de tussen partijen geldende overeenkomst tegen de vastgestelde prijzen en betalingscondities. De vordering tot nakoming zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsommen zullen worden gemaximeerd zoals hierna in het dictum is bepaald.
3.6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
4.De beslissing
De voorzieningenrechter:
beveelt [gedaagde] met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de leveringen aan [eiseres] te hervatten conform de tussen partijen geldende overeenkomst en tegen de vastgestelde prijzen en betalingscondities, op verbeurte van een direct opeisbare dwangsom voor iedere overtreding dan wel niet-nakoming van het bevel van € 50.000,--, te vermeerderen met € 5.000,-- voor de dag of gedeelte daarvan dat de overtreding dan wel niet-nakoming voortduurt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van
€ 500.000,-- ;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [eiseres] begroot op € 262,-- aan vast recht, € 85,98 aan kosten exploot en € 816,-- voor salaris advocaat;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.Ph. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
EvdP