
Jurisprudentie
BI0299
Datum uitspraak2009-03-06
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/4643 WRB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/4643 WRB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Advocaat heeft verzuimd verkregen toevoegingen rechtsbijstand tijdig over te leggen aan de rechter voor wie de zaak dient. In de (niet op toevoeging) gevoerde procedure zijn partijen over en weer veroordeeld in bepaalde proceskosten. Er heeft dus geen afrekening via de griffier (art. 243, tweede lid, Rv.) plaatsgevonden. Bij het vaststellen van de vergoeding voor de advocaat moet de Raad voor Rechtsbijstand dan de aan de cliënten toegekende proceskosten (alsmede de vastgestelde eigen bijdragen) op de vergoeding voor de advocaat in mindering brengen. Artikel 29, tweede lid, van de Wrb. is door de wetgever bedoeld als sanctiebepaling en is van dwingendrechtelijke aard. Op verweerder rust geen verplichting om daarbij een (na saldering) netto verrekening van de proceskosten waarin partijen over en weer zijn veroordeeld toe te passen. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
derde afdeling, enkelvoudige kamer
Reg.nr.: AWB 08/4643 WRB
UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
mr. [eiser], kantoorhoudende te [plaats],
en
de Raad voor Rechtsbijstand 's-Gravenhage, verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Eiser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft verweerder verzocht om vaststelling van de vergoeding ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor zijn werkzaamheden als rechtsbijstandverlener in vier samenhangende zaken.
Bij besluit van 29 november 2007 heeft verweerder onder nummer [nummer 1] de vergoeding in alle zaken vastgesteld; onder de drie andere nummers ([nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4]) is geen vergoeding toegekend. Aangezien eisers cliënten volgens opgave van de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam (Hof) niet op toevoeging hebben geprocedeerd, heeft verweerder op de vergoeding van eiser de aan de cliënten van eiser toegekende proceskostenvergoeding geheel in mindering gebracht.
Tegen dat besluit heeft eiser op 4 december 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 mei 2008 (verzonden: 29 mei 2008) heeft verweerder, met overneming van het advies van de Commissie voor Bezwaar van 16 mei 2008, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit heeft eiser op 24 juni 2008 bij de rechtbank beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
Het beroep is op 10 februari 2009 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [A].
II. Motivering
1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.
2. Dit beroep betreft de wijze van vaststelling van de vergoeding van eiser als rechtsbijstandverlener. Eiser moet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat bij besluiten over de vergoeding het belang van de rechtsbijstandverlener rechtstreeks is betrokken. Eiser kan daarom in zijn beroep worden ontvangen.
3. Eiser heeft in beroep slechts aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het vaststellen van zijn vergoeding als rechtsbijstandverlener de volledige aan zijn cliënten toekomende proceskostenvergoeding van de wederpartij in aftrek heeft gebracht op de aan eiser toekomende vergoeding. Verweerder is daarmee voorbijgegaan aan het feit dat eisers cliënten ook zijn veroordeeld tot een (lagere) proceskostenvergoeding aan de wederpartij. Door niet een netto verrekening toe te passen heeft verweerder artikel 29, tweede lid, van de Wrb niet juist toegepast. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de rechtsbijstandverlener voor zijn vergoeding afhankelijk is van het al dan niet betalen van een eventuele proceskostenvergoeding van zijn cliënt aan de wederpartij. Het is redelijk en logisch om, in een geval als hier, waarin partijen over en weer in elkaars kosten zijn verdeeld, bij de vaststelling van de vergoeding voor de rechtsbijstandverlener uit te gaan van het bedrag dat na verrekening op de wederpartij verhaalbaar is. Een andere opvatting betekent dat de rechtsbijstandverlener mogelijk het risico loopt dat hij zijn vergoeding niet bij zijn cliënt kan incasseren.
Ook vanuit het gezichtspunt van de rechtzoekende moet het uitgangspunt zijn dat alleen een negatief saldo van de proceskosten waarin partijen over en weer zijn veroordeeld ten laste van de vergoeding van de rechtsbijstandverlener moet worden gebracht.
4. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet tijdig de aan zijn cliënten verleende toevoegingen aan het Hof heeft overgelegd. Desgevraagd heeft de griffier van het Hof verweerder bericht dat door de cliënten van eiser niet op toevoeging is geprocedeerd. Dat betekent dat de verrekening van de proceskosten waarin partijen zijn veroordeeld niet ingevolge artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) via die griffier heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval wordt de sanctie van artikel 29, tweede lid, van de Wrb toegepast en houdt verweerder rekening met het volledige bedrag aan proceskosten waarop de cliënt van de rechtsbijstandverlener aanspraak heeft jegens de wederpartij. In een geval als hier aan de orde, waarin partijen over en weer in elkaars proceskosten zijn veroordeeld, vindt geen netto verrekening (na saldering) plaats.
5. Artikel 29, eerste lid, van de Wrb bepaalt dat een afschrift van het besluit tot toevoeging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan, wordt overgelegd aan de rechter voor wie de zaak dient.
Artikel 29, tweede lid, van de Wrb bepaalt dat, indien de rechtsbijstandverlener de toevoeging niet overeenkomstig het eerste lid aan de rechter heeft overgelegd en als gevolg daarvan geen toepassing is gegeven aan - voor zover thans van belang - artikel 57b, eerste lid, [de rechtbank leest: artikel 243, tweede lid,] van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op het bedrag dat als vergoeding is vastgesteld in mindering wordt gebracht het bedrag dat de tegenpartij in een procedure na een veroordeling in de proceskosten aan de rechtzoekende moet betalen.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.
Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wrb omvat de vergoeding mede de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen overige kosten die verband houden met de verlening van rechtsbijstand alsmede de omzetbelasting die over de vergoeding is verschuldigd.
Ingevolge artikel 37, derde lid, van de Wrb wordt de voor de rechtzoekende vastgestelde eigen bijdrage op de vergoeding in mindering gebracht.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1 De in dit beroep te beantwoorden rechtsvraag is of verweerder, in een geval als hier aan de orde waarin niet op toevoeging is geprocedeerd vanwege het niet (tijdig) overleggen van de toevoeging aan de rechter voor wie de zaak dient en waarin partijen over en weer in de proceskosten zijn veroordeeld, gehouden is om, bij de toepassing van artikel 29, tweede lid van de Wrb, uit te gaan van een verrekening van het saldo van de proceskosten waarop de rechtzoekende jegens de wederpartij aanspraak kan maken onderscheidenlijk waartoe hij is veroordeeld jegens de wederpartij.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
6.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Eiser heeft een toevoeging voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 24 van de Wrb verkregen voor vier cliënten ([B], [C], [D] en [E]), die als verwerende partij zijn betrokken in een incidenteel appel, aanhangig gemaakt door de Staat der Nederlanden. Eiser heeft nagelaten de toevoegingen tijdig via zijn procureur aan de griffier van het Hof over te leggen. Genoemde griffier heeft desgevraagd bij brief van
19 november 2007 aan verweerder medegedeeld dat in de procedure tegen de cliënten van eiser door hen niet op toevoeging is geprocedeerd. Bij arrest van 4 oktober 2007, rolnummer 48/06 KG, heeft het Hof de Staat veroordeeld in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [D] begroot op € 291,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris procureur, [B], [C] en [E] veroordeeld in de kosten van het principaal appel aan de zijde van de Staat, begroot op nihil en tenslotte [B] c.s. veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van de Staat, begroot op € 1.341,- voor salaris procureur. Deze kostenveroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Doordat eiser niet (tijdig) heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van de Wrb, heeft geen verrekening van de proceskosten via de griffier van het Hof plaatsgevon-den. Daardoor diende verweerder het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wrb toe te passen.
6.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wrb door op de aan eiser toekomende vergoeding, behalve de gesommeerde eigen bijdrage van de vier cliënten, de volledige proceskosten-vergoeding aan [D] in mindering te brengen, waardoor uiteindelijk geen betaling aan eiser resteert.
Uit de wetsgeschiedenis van het tweede lid van artikel 29 van de Wrb (Tweede Kamer, 2000-2001, 27 553, nr. 3, blz. 10, onderdeel X) blijkt dat dat artikellid als sanctiebepaling in de Wrb is ingevoegd. Het werd door de wetgever niet redelijk geacht dat verweerder aan de advocaat de volledige vergoeding voor rechtsbijstand zou moeten betalen, terwijl door zijn eigen nalatigheid geen betaling via de griffier van het gerecht kon plaatsvinden. Bij verrekening via de griffier ingevolge artikel 243, tweede lid, Rv. ontvangt de advocaat immers uit de aan de griffier betaalde proceskostenvergoeding een deel daarvan dat een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand omvat.
De Memorie van toelichting (blz. 10, onderdeel X) stelt:
"Voorgesteld wordt om de raad de mogelijkheid te geven een sanctie op het niet nakomen van voornoemde verplichting op te leggen. Deze sanctie komt erop neer dat de raad een bedrag ter grootte van de gehele proceskostenveroordeling in mindering kan brengen op de vastgestelde vergoeding. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht op de vergoeding is dus groter dan het bedrag dat in mindering zou zijn gebracht, indien de rechter artikel 57b [thans: artikel 243 Rv.] zou hebben toegepast. De reden hiervan is dat zonder toepassing van artikel 57b [thans: artikel 243 Rv.] niet goed is vast te stellen welk deel van de proceskosten als vergoeding voor de rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt."
(Zie ook aantekening 2 op artikel 29 van de Wrb in het Handboek toevoegen 2007, 03-29, blz. 4.)
De hier besproken sanctiebepaling is bij wet van 4 december 2003, Stb. 502 in de Wrb ingevoegd en is met ingang van 1 mei 2004 in werking getreden. Ten tijde van de in dit beroep aan de orde zijnde procedure voor het Hof was deze bepaling derhalve geldend recht.
Uit het aangehaalde citaat uit de Memorie van toelichting op de wijziging van de Wrb blijkt dat de wetgever de sanctiebepaling van het tweede lid van artikel 29 met de consequentie waartegen eiser bezwaar heeft gemaakt bewust heeft gewild. Nu artikel 29, tweede lid, van de Wrb bovendien als een dwingendrechtelijke bepaling is geformuleerd, heeft verweerder geen mogelijkheid om deze sanctiebepaling anders toe te passen dan zoals zij van meet af aan is bedoeld. Dat eiser mogelijk blijft zitten met een door verweerder in mindering gebracht, maar niet door eiser ontvangen bedrag aan voor hem bestemde vergoeding die hij wellicht niet op de betrokken cliënt(en) kan verhalen, maakt het voorgaande niet anders. Daarin is immers nu juist het sanctie-element gelegen.
Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij een professioneel dilemma ervaart ten aanzien van de proceskosten van de Staat, die aan zijn cliënt [D] toekomt. Eiser heeft het arrest van het Hof niet laten executeren, omdat hij aarzelt hoe hij dat moet doen. Eist hij ten behoeve van zijn cliënt [D] het gehele bedrag, dan doet hij zichzelf tekort, eist hij het netto bedrag (onder verrekening met de proceskosten waarin zijn cliënten gezamenlijk zijn veroordeeld), dan doet hij zijn cliënt [D] tekort.
De rechtbank is van oordeel dat dilemma, wat daar overigens van zij, verweerder niet aangaat. Hij is gebonden aan de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 29, tweede lid, van de Wrb. Dit argument van eiser leidt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.
6.4 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep van eiser ongegrond worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op
6 maart 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H. Jannink.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.