Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0298

Datum uitspraak2009-03-31
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4715 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak haar beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb - beperkt tot het besluit op bezwaar van de datum in geding. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat het besluit, als besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb nu dat besluit niet geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, mede in de beoordeling had dienen te worden betrokken. Indiening bezwaarschrift na afloop van de termijn. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Geen sprake van dringende redenen die moeten leiden tot verdergaande matiging van de terugvordering.


Uitspraak

07/4715 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 juni 2007, 06/1199 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College) Datum uitspraak: 31 maart 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.A. Jonker-van Dijk, advocaat te Hoogezand-Sappemeer, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. Voor appellante is verschenen mr. Jonker-Van Dijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontving sinds 2 augustus 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. 1.2. Bij besluit van 20 april 2006 heeft het College de bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 maart 2006. Bij besluit van 21 april 2006 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 8 augustus 2002 tot 1 maart 2006 en de kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 49.388,98. 1.3. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 20 april en 21 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard op grond van - kort gezegd - niet-verschoonbare termijnoverschrijding. 1.4. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het College de terugvordering gematigd tot een bedrag van € 9.217,08. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2006 ongegrond verklaard. Met betrekking tot het besluit van 9 maart 2007 heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van intrekking of wijziging van een besluit waartegen het beroep zich richt waardoor een situatie als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich niet voordoet. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Namens appellante is aangevoerd dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daartoe is betoogd dat appellante tijdens haar ziekenhuisopname - die plaatsvond van 28 mei 2006 tot 2 juni 2006 - slechts gedeeltelijk in staat was haar belangen te behartigen; appellante heeft de enige mogelijkheid die haar ter beschikking stond aangegrepen en mogen vertrouwen op tijdige verzending van haar bezwaarschrift door de medewerker van het ziekenhuis aan wie zij het bezwaarschrift heeft overhandigd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad stelt allereerst, ambtshalve, vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak haar beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb - heeft beperkt tot het besluit op bezwaar van 12 juli 2006. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat het besluit van 9 maart 2007, welk besluit de Raad aanmerkt als besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb nu dat besluit niet geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, mede in de beoordeling had dienen te worden betrokken. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. 4.2. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemende dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. 4.3. De Raad stelt vast dat met de verzending van de besluiten op 20 en 21 april 2006 de termijn om bezwaar te maken aanving op 21 april respectievelijk 22 april 2006 en eindigde op 1 juni respectievelijk 2 juni 2006. Uit de gedingstukken volgt dat appellante tijdens voornoemde ziekenhuisopname het bezwaarschrift op 30 mei 2006 ter verzending aan een medewerker van het ziekenhuis heeft overhandigd. Het bezwaarschrift is eerst op 12 juni 2006 door het College ontvangen. 4.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener daarvan in verzuim is geweest. 4.5. In hetgeen namens appellante is aangevoerd, is ook naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat appellante ter zake van het verzuim redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad volgt het College in zijn standpunt dat de gevolgen van (processueel) handelen of nalaten van een belangenbehartiger voor rekening dienen te blijven van degene die de behartiging van zijn belangen aan een ander heeft toevertrouwd. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellante door te wachten met het maken van bezwaar tot het einde van de bezwaartermijn, een risico heeft genomen dat voor haar rekening dient te blijven. Voorts is ook de Raad niet gebleken dat appellante gedurende de gehele bezwaartermijn buiten staat is geweest tijdig bezwaar te maken. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 12 juli 2006 dan ook ongegrond verklaren. 5. Met betrekking tot het besluit van 9 maart 2007 ziet de Raad in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen dringende redenen die moeten leiden tot verdergaande matiging van de terugvordering. Dit betekent dat de Raad ook het beroep tegen het besluit van 9 maart 2007 ongegrond zal verklaren. 6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitpraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2006 en het beroep tegen het besluit van 9 maart 2007 ongegrond; Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2009. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) N.L.E.M. Bynoe. OA