
Jurisprudentie
BI0296
Datum uitspraak2009-03-24
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2935 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-14
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2935 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep. Bij besluit is appellant tot zijn 65e jaar ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Het College is met het besluit van de datum in geding volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Dit brengt met zich mee dat appellant geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
Uitspraak
07/2935 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2007, 05/4962 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het College appellant mededeling gedaan van voor hem geldende - aan de bijstandverlening ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verbonden - verplichtingen tot inschakeling in de arbeid, en hem voorts tot 21 november 2006 ontheffing verleend van de verplichting om te solliciteren.
1.2. Bij besluit van 22 september 2005 heeft het College het tegen het besluit van 5 juli 2004 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 22 september 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende dat beroep heeft het College op 6 april 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2004 ongegrond is verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belang meer had bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 22 september 2005, aangezien hij in verband met de indiening van het beroepschrift tegen dat besluit griffierecht heeft moeten betalen.
4. Bij brief van 20 januari 2009 heeft het College de Raad meegedeeld dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2004 bij nader besluit van 20 januari 2009 gegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is appellant tot zijn 65e jaar ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Bij brief van 5 februari 2009 heeft het College de Raad voorts meegedeeld bereid te zijn tot vergoeding aan appellant van het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- en van de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken om te verschijnen op de zitting van de rechtbank van 15 januari 2007.
5. Naar het oordeel van de Raad is het College met het besluit van 20 januari 2009 en de brief van 5 februari 2009 volledig aan appellant tegemoet gekomen. Dit brengt met zich mee dat appellant geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft niet gesteld dat er grond is voor het toekennen van schadevergoeding anders dan gelegen in de kosten die hij heeft moeten maken voor het beroep en het hoger beroep. Ook overigens is de Raad niet van enig resterend rechtens relevant belang gebleken. De Raad zal het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaren.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) B.E. Giesen.
NW