Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0292

Datum uitspraak2009-03-24
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/754098-06
Statusgepubliceerd
SectorPresident


Indicatie

Verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), vergoeding kosten raadsvrouw ivm ontnemingsvordering. De rechtbank overweegt dat niet blijkt dat het verzoeker is geweest die de declaratie van de raadsvrouw heeft voldaan, zodat niet kan worden vastgesteld dat het verzoeker, in de betekenis van 'gewezen verdachte', is geweest die de schade heeft geleden, zodat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector strafrecht Parketnummer: 09/754098-06 Kenmerk RK: 08/2130 Beschikking van de president van de rechtbank 's-Gravenhage op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] geboren op [geboortedatum] 1969 te [plaats] wonende [adres] ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 23 juli 2008, strekkende tot een vergoeding ten laste van de Staat van de kosten van zijn raadsvrouw tot een bedrag van in totaal € 1.947,65, vermeerderd met een bedrag van in totaal € 540,00 in verband met de kosten van onderhavig verzoekschrift. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer. De behandeling in raadkamer. De rechtbank heeft op 10 maart 2009 dit verzoekschrift in raadkamer behandeld. Verzoeker is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsvrouw, mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage. De advocaat heeft in raadkamer haar standpunt dat de ontnemingsvordering door de officier van justitie in de strafzaak tegen verzoeker niet is aangekondigd, laten vallen, nadat de vice-president aan haar mededeling heeft gedaan dat zich in het dossier schriftelijk zittingsaantekeningen van de griffier bevinden waaruit blijkt dat de ontnemingsvordering in de strafzaak tegen verzoeker door de officier van justitie is aangekondigd. De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Beoordeling van het verzoekschrift. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek. Het verzoek is tijdig ingekomen. Ingevolge artikel 591a, tweede lid, Sv kan aan de gewezen verdachte een vergoeding ten laste van de Staat worden toegekend voor vergoeding van kosten voor een raadsman. Hiertoe is dan vereist dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Op 8 december 2006 is verzoeker bij vonnis van de politierechter veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Dit betrof een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op 24 april 2008 is de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de politierechter afgewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat verzoeker recht heeft op vergoeding van de kosten van zijn raadsman gemaakt ten behoeve van de ontnemingsprocedure om de volgende reden. De ontnemingsvordering had rechtstreeks verband op de aan verzoeker tenlastegelegde feiten 1 en 2, feiten waarvoor verzoeker is vrijgesproken. Vóór de zitting is door een parketsecretaris telefonisch aan de advocaat aangekondigd dat de vordering in volle omvang zou worden gevorderd. Hierop heeft de advocaat zich gedegen voorbereid op de zitting, terwijl de zittingsofficier van justitie ter terechtzitting de politierechter om afwijzing van de vordering heeft verzocht. De raadsvrouw heeft met verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 1 maart 2007 in de zaak Geerings vs. Nederland aangevoerd dat bij de verzoeker slechts ontnomen kan worden het bedrag dat hij wederrechtelijk zou hebben verworven als gevolg van strafbare feiten waarvoor hij door de politierechter uiteindelijk is veroordeeld. De ontnemingsvordering van de officier van justitie had betrekking op feiten waarvoor verzoeker is vrijgesproken, weshalve de vordering van de officier van justitie nodeloos is doorgezet, reden waarom de kosten van die procedure niet voor rekening van verzoeker dienen te komen. In de zaak Geerings tegen Nederland (EHRM 1 maart 2007, NbSr 2007, 118, NJ 2007, 349) heeft het EHRM een schending van artikel 6 lid 2 EVRM aangenomen. Het EHRM achtte daarvoor van doorslaggevend belang dat de ontnemingsmaatregel in belangrijke mate was gebaseerd op voordeel uit feiten waarvan veroordeelde was vrijgesproken. Een belangrijk element in de beoordeling van deze zaak betrof de berekeningsmethode die aan de vordering ten grondslag lag. In geval van een berekening op basis van vermogensvergelijking staat het ontbreken van een legale herkomst centraal. Een vrijspraak ter zake van een bepaald feit behoeft in zo'n geval niet relevant te zijn, omdat met een vermogensvergelijking geen directe relatie wordt gelegd tussen dat feit en het aangetroffen vermogen. Van een schending van artikel 6 lid 2 EVRM is in dat geval geen sprake. In de genoemde zaak Geerings was van deze berekeningsmethode echter geen gebruik gemaakt, maar werd ontnomen met betrekking tot concrete feiten. Nu Geerings van die feiten was vrijgesproken, leverde dit een schending van art. 6 lid 2 van het EVRM op. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van veroordeelde alleen een bedrag kan worden ontnomen waarvan aanwijzingen bestaan dat zij wederrechtelijk zijn verkregen van een strafbaar feit waarvoor hij is veroordeeld. Verzoeker is veroordeeld wegens het medeplegen van vervoeren van hennep op 7 februari 2006. De veroordeelde is derhalve in de hoofdzaak vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van bedoelde hoeveelheid hennepplanten. Deze vrijspraak betreft de gehele ten laste gelegde periode. Blijkens het ontnemingsrapport is de ontnemingsvordering van de officier van justitie gebaseerd op het uitgangspunt dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit het telen van hennep in de periode van 20 september 2005 tot en met 7 januari 2006. Gelet op voornoemde vrijspraak in de hoofdzaak verzet de in art. 6, tweede lid, van het EVRM verwoorde onschuldpresumptie zich evenwel tegen het ontnemen van voordeel dat door die feiten (telen etc.) zou zijn verkregen. De rechtbank acht - gelet op het vorenstaande - gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding tot te kennen voor de ten behoeve van de ontnemingsprocedure gemaakte kosten van zijn raadsvrouw. Omtrent de hoogte overweegt de rechtbank als volgt. De door verzoeker overgelegde declaratie is gericht aan "[bedrijf A.] B.V." met daaronder vermeld 'De heer [naam verzoeker]'. De raadsvrouw heeft in raadkamer bepleit dat verzoeker is te vereenzelvigen met [bedrijf A.] B.V. en heeft ter onderbouwing van haar standpunt verschillende uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd. Uit deze uittreksels blijkt dat [X.] Tussenholding B.V. als enig aandeelhouder van [bedrijf A.] B.V. staat geregistreerd. De enig aandeelhouder van [X.] Tussenholding B.V. is Stichting Administratiekantoor [X.]. Van deze stichting is verzoeker één van de drie geregistreerde bestuurders. De rechtbank overweegt dat uit deze uittreksels niet blijkt dat het verzoeker is geweest die de declaratie van de raadsvrouw heeft voldaan, zodat niet kan worden vastgesteld dat het verzoeker, in de betekenis van 'gewezen verdachte', is geweest die de schade heeft geleden, zodat verzoeker reeds om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Beslissing. De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. I.P.A. van Engelen, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2009