
Jurisprudentie
BI0277
Datum uitspraak2009-04-03
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1332 WSF
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1332 WSF
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing verzoek om peiljaarverlegging bij de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Het besluit heeft geen betrekking op het verzoek van appellant om voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2004 uit te gaan van het gezamenlijke inkomen in 2003 in plaats van het gezamenlijke inkomen in het peiljaar 2002.
Uitspraak
08/1332 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 januari 2008, 07/286 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 3 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 18 december 2006 heeft de IB-Groep het bezwaar ongegrond verklaard dat appellant heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om bij de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2004 uit te gaan van het gemiddelde van zijn verzamelinkomen in 2001 en zijn verzamelinkomen in 2002. Dit besluit berust op de overweging dat de Wet studiefinanciering 2000 niet voorziet in middeling.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 18 december 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat – kort samengevat – de wettelijke regeling bepaalt dat de maatstaf voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het gecorrigeerde verzamelinkomen in het peiljaar.
3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Daartoe heeft hij als enige grief aangevoerd dat de IB-Groep bij besluit van 27 maart 2004 op onjuiste gronden zijn verzoek heeft afgewezen om voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2004 uit te gaan van het gezamenlijk inkomen van zijn echtgenote en hem in 2003 in plaats van hun gezamenlijk inkomen in het peiljaar 2002, aangezien de inkomensdaling in 2003 ten opzichte van het peiljaar 2002 – anders dan door de IB-Groep is aangenomen – wel degelijk ten minste 15% bedroeg.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Het besluit van 18 december 2006 heeft geen betrekking op het verzoek van appellant om voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2004 uit te gaan van het gezamenlijk inkomen in 2003 in plaats van het gezamenlijk inkomen in het peiljaar 2002. Reeds omdat op dit zogenoemde verzoek om peiljaarverlegging al is beslist bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 27 maart 2004 was dit ook niet aangewezen.
4.3. Uit overweging 4.2 volgt dat de onder 3 weergegeven grief van appellant de omvang van het geding te buiten gaat. Daarom faalt het hoger beroep van appellant en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
KR