Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0267

Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers302833 CV EXPL 08-3294
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Loon bij wachtdienst. Differentiatie in beloning voor inactieve en actieve deel van de wachtdienst is in beginsel toelaatbaar, mits ingevolge Europese rechtspraak de arbeidsovereenkomst bewezen dat een heldere en objectieve maatstaf bevat waarop de differentiatie is gebaseerd. De toepasselijke cao-regeling voor beloning van wachtdienst is ontoereikend. Partijen hebben buiten de cao evenmin een heldere objectieve maatstaf vastgesteld. De wachtdiensten dienen bij gebreke van de vereiste heldere en objectieve maatstaf in de arbeidsovereenkomst, alsnog volledig verloond te worden. Art. 7: 616, 618 en 627 BW, art. 42 cao Beroepsgoederenvervoer over de weg.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Kanton locatie Maastricht vonnis d.d. 1 april 2009 zaak/rolnr.: 302833 cv expl 08/3294 typ.: coll.: De kantonrechter van de locatie Maastricht heeft het navolgende vonnis gewezen inzake [eisende partij], wonende te [woonplaats], terzake domicilie kiezende aan de [adres], gemachtigde mr. A. van den Broek, advocaat, eisende partij, tegen De besloten vennootschap LOGICX BERGING BV, gevestigde kantoorhoudende aan de Boogschutterstraat 40 te Apeldoorn, gemachtigde mr. R. Willemsen, advocaat, gedaagde partij. 1. Het verloop van de procedure partijen wisselden de volgende stukken: - exploot van dagvaarding met producties, uitgebracht op 7 augustus 2008, - conclusie van antwoord met producties, - conclusie van repliek met producties, - conclusie van dupliek. Daarna heeft de kantonrechter vonnis bepaald en de uitspraak daarvan nader bepaald op heden. De inhoud van alle stukken geldt als hier ingelast. 2. De vordering en het verweer 2.1. Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van € 4414,05 ter zake van te weinig betaald loon, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 700,--, exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag dat zij verschuldigd zijn, alsmede de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW ten belope van 50 % over het eerstgemelde bedrag, alsmede veroordeling in de proceskosten. 2.2. De eisende partij baseert de vorderingen op volgende stellingen. Eiser is vanaf 1 mei 2005 tot en met 31 januari 2007 bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest in de functie van chauffeur. Op de arbeidsovereenkomst zijn van toepassing de regels van de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen. De werkzaamheden werd verricht vanuit de vestiging van gedaagde in Valkenburg aan de Geul. Naar mening van eiser heeft hij tijdens zijn dienstverband te weinig loon ontvangen. Gedaagde exploiteert een bergingsbedrijf dat 24-uurs service verleent. Vanuit de locatie Valkenburg aan de Geul heeft gedaagde zich jegens haar opdrachtgever Rijkswaterstaat verplicht om gedurende 24 uur per dag binnen twintig minuten na de melding van een de noodzaak daartoe, met een berging zijn auto op de plaats van bestemming te arriveren. Om dit te kunnen doen was de locatie Valkenburg aan de Geul elke nacht in elk weekend bemand. Eiser vervulde in dienst en in opdracht van gedaagde op basis van een door gedaagde vastgestelde werkrooster gedurende de avonden en de weekend diensten. De weekenddiensten startten 's middags om 18:00 uur en eindigden in de regel op de volgende dag om 8:00, 9:00 of 10:00 uur. Tijdens de nacht en tijdens de weekenddiensten was eiser op de locatie Valkenburg aan de Geul fysiek aanwezig, op deze locatie staat ook de bergingsauto geparkeerd. Tijdens de diensten kon eiser eventueel slapen, maar moest hij aan de verplichting voldoen dat hij binnen het rayon ingeval van een melding binnen de gestelde twintig minuten op de plaats van bestemming zou arriveren. Opdrachtgever Rijkswaterstaat controleerde dit. Naar mening van eiser heeft gedaagde hem niet alle uren van de door hem verrichte nacht - en weekenddiensten betaald. Op grond van de in de dagvaarding geciteerde (Europese) jurisprudentie is eiser van opvatting dat hem alle uren die hij gedurende de nacht en in het weekend heeft gewerkt, volledig vergoed moeten worden. In de periode van 6 juni 2006 tot en met 15 januari 2007 heeft gedaagde naar stelling van eiser in totaal 289 arbeidsuren niet aan eiser voldaan. Eiser heeft dit aan de hand van zijn arbeidsrooster uitgerekend, welke berekening hij bij dagvaarding als productie 1 in het geding heeft gebracht. Als volgens de in de dagvaarding opgenomen berekeningen dient ter zake van deze 289 uren nog aan eiser te worden uitbetaald de € 4414,05 bruto. Ondanks verzoek en sommatie blijft gedaagde nalatig het voormelde bedrag te voldoen. Nu het betreft niet-tijdig betaald loon, maakt eiser aanspraak op de verhoging ex artikel 7:625 BW juncto 18c WMM, alsmede de wettelijke rente. Eiser heeft tevens kosten gemaakt om te trachten tot de buitengerechtelijke incasso te komen, welke door hem worden begroot op € 700,--. 2.3. De gedaagde partij weerspreekt het gevorderde zakelijk weergegeven, stellende dat zij, zoals ook door eiser gesteld, o.a. vanuit Valkenburg aan de Geul in opdracht van Rijkswaterstaat bergingsactiviteiten uitvoert. In dat kader was eiser van 1 mei 2005 tot 1 februari 2007 bij haar in dienst was als chauffeur. De door eiser genoemde cao is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. Omdat de bedrijfsactiviteit een 24-uursservice is, werkte eiser in piketnacht- en piketweekenddiensten. Bij piketdiensten moet de medewerker beschikbaar zijn, maar hoeft deze in beginsel geen werkzaamheden te verrichten, uitgezonderd bij een oproep tot hulpverlening. In een dergelijk geval moet hij als hulpverlener binnen 20 minuten na een oproep ter plaatse zijn. Omdat aanwezigheid op de plaats van arbeid, de werkplaats in Valkenburg, niet is vereist, zijn de meeste bergingsmedewerkers zijn tijdens piketdiensten niet daar aanwezig, maar alleen telefonisch bereikbaar. Omdat eiser niet in de buurt van de arbeidsplaats woonachtig was en aldus het 20-minutenvereiste niet kon vervullen, verbleef hij bij piketdiensten in de werkplaats. Er was sprake van aanwezigheid in de zin van art. 1:1 van het Arbeidstijdenbesluit. Ingevolge het bepaalde in de cao werd eisers arbeidstijd bij oproep tijdens piketdienst volgens het normale uurloon vergoed, een en ander zoals volgens de bij antwoord in het geding gebrachte opstelling. Pas tien maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft eiser gedaagde op grond van Europese jurisprudentie aangesproken. Gedaagde stelt dat voorzover eiser zijn vordering baseert op het bij dagvaarding in het geding gebrachte schema, dit schema niet automatisch duidelijkheid verschaft over de door hem in piketdienst feitelijk gewerkte uren. De uren waarin eiser zich alleen beschikbaar heeft gesteld, zijn overeenkomstig de cao beloond met de daarin opgenomen beschikbaarheidsvergoeding. Verschil in beloning over de piketdiensten naar soorten werk is niet in strijd met (Europese) jurisprudentie of wet- en regelgeving. De aanwezigheidsdiensten moeten wel als arbeidstijd worden aangemerkt, maar dat deze zonder onderscheid met hetzelfde uurloon moeten worden vergoed heeft geen basis in jurisprudentie of regelgeving. Uit lagere jurisprudentie volgt naar mening van gedaagde dat bij piketdiensten het principe van beloning naar soort arbeid aanvaard is. Voor het geval de cao-bepaling volgens de kantonrechter niet in overeenstemming met de geldende jurisprudentie is, stelt gedaagde dat de bepaling niet nietig is, maar vernietigd moet worden, waardoor teruggevallen moet worden op eerdere (individuele of collectieve) overeenkomsten waarin eveneens op gelijke wijze de beloning is geregeld. Mocht dit niet het geval zijn, dan meent gedaagde dat eiser ingevolge art. 7:618 BW alleen aanspraak op het bij aanvang van de arbeidsovereenkomst gebruikelijke loon, c.q. het in die omstandigheden billijke loon kan maken. Het vergoeden van inactieve piketdiensten tegen het volledige uurloon als bij het verrichten van normale arbeid, is onbillijk. Het gevorderde dient naar stelling van gedaagde te worden afgewezen. Voor het geval de vordering wordt toegewezen, dient deze met € 301,54 te worden verminderd, zijnde de door gedaagde betaalde piketvergoeding. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging moeten in dit geval gematigd worden omdat het aan eiser zelf toe te rekenen is dat hij de vordering pas laat in rechte laat beoordelen. De buitengerechtelijke kosten worden betwist. 2.4. De eisende partij heeft daarop bij repliek, zakelijk en voorzover als van belang weergegeven, nog gesteld dat hij bij de nacht- en weekenddiensten niet alleen als chauffeur werkzaam was, maar ook de werkzaamheden van telefonist uitvoerde. Ingeval van een melding moest hij het telefoonverkeer dirigeren. Dat hield in het zonodig oproepen van andere collega’s, het verstrekken van vervangende auto’s, afrekenen van kosten, uitgeven van afgevoerde auto’s, communicatie met de alarmcentrale en bijkomende taken. Er was ten tijde van zijn dienstverband in het werkrooster een duidelijk onderscheid tussen piketdienst en aanwezigheidsdienst. In de toenmalige vestiging in Bocholtz was sprake van piketdienst, in de Maastrichtse, later Valkenburgse vestiging was dit aanwezigheidsdienst. Gedaagde beloonde deze diensten verschillend: in Bocholtz werd een beschikbaarheidsvergoeding betaald, in Maastricht/Valkenburg werd 8 uren aanwezigheidsvergoeding betaald voor een dienst van 15 uur (het cao-maximum). De “beschikbaarheidsvergoeding” die gedaagde eiser betaalde wasvoor piketdiensten die eiser naast de aanwezigheidsdiensten draaide. Gedaagde haalt piketdiensten en aanwezigheidsdiensten door elkaar. In de vestiging te Bocholtz kreeg eiser een beschikbaarheidsvergoeding wanneer hij niet werd opgeroepen, die verviel wanneer hij werd opgeroepen. In dat geval werden de daadwerkelijk gewerkte uren beloond. In de Valkenburgse vestiging kreeg eiser aanwezigheidsvergoeding ten belope van 8 uur voor 15 daadwerkelijke arbeidsuren en geen beschikbaarheidsvergoeding. De € 301,54 is eiser vergoed voor verrichte piketdiensten, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is. Gedaagde heeft de aanwezigheidsbeloning altijd vaag gehouden, ondanks dat eiser deze kwestie in of rond april 2006 aan de orde heeft gesteld. De door eiser in aanwezigheidsdienst gewerkte uren heeft hij altijd nauwkeurig geadministreerd aan de hand van gedaagdes werkroosters. Gedaagde benadrukt dat de vordering omvat de over aanwezigheidsdienst van 15 uren niet-betaalde 7 uren: 8 uren werden wél verloond. Het geschil betreft niet onderscheid van beloning, maar het onbeloond laten van gewerkte uren. Gedurende het dienstverband gold tussen partijen geen afspraak dat de arbeidsuren verricht bij aanwezigheidsdienst niet- of lager zouden worden beloond: het loon was het cao-loon. Eiser verrichtte tijdens zijn aanwezigheidsdienst feitelijke arbeid: hij kende geen tijden van inactiviteit. Gedaagde zorgde er voor dat de werktijd effectief werd benut, zowel door de reeds genoemde werkzaamheden, als door administratief werk en, naar de kantonrechter begrijpt het laden en lossen van “laders”. Eiser volhardt in het gevorderde. 2.5. De gedaagde partij heeft bij dupliek, zakelijk en voorzover als van belang weergegeven, nog gesteld dat zij in verband met het feit dat uit de conclusie van repliek (pas) blijkt dat eiser aanvullend loon vordert, zij haar stellingen feitelijk moet aanvullen. Zij erkent dat eiser naast piketdiensten ook beschikbaarheidsdiensten heeft verricht, waarbij aanwezigheid op de werkplek, i.c. Maastricht, later Valkenburg, verplicht was. Sinds 1 april 2007 worden deze op basis van het Arbeidstijdenbesluit als aanwezigheidsdiensten gekwalificeerd. Het werkrooster dat eiser produceert is niet door gedaagde opgemaakt en heeft geen bewijskracht ten aanzien van de werkelijk door eiser gewerkte uren. De werknemer moest bij de aanwezigheidsdienst wel op de arbeidsplaats aanwezig zijn, maar hoefde niet de bedongen werkzaamheden te verrichten, dit gold alleen wanneer er een oproep binnenkwam. De omvang daarvan is uiteraard vooraf niet te overzien. De niet “gevulde” arbeidstijd mocht de werknemer vrij besteden, waaronder desgewenst met slapen. Voor dit laatste was er een speciale voorziening. Aldus is onjuist dat bij de aanwezigheidsdienst geen tijden van inactiviteit bestond, hetgeen gedaagde aanbiedt te bewijzen. De cao kende destijds geen expliciete regeling voor beloning van aanwezigheidsdiensten, zodat eiser alleen aanspraak op beschikbaarheidsvergoeding aangevuld met het uurloon over de daadwerkelijk gewerkte uren zou hebben. Voor de overname per 1 augustus 2004 van Direcks Berging Maastricht BV door gedaagde, genoten de daar werkzame werknemers voor een hogere beloning voor beschikbaarheidsdiensten dan bij cao bepaald. Eiseres was door de overname aan deze afspraken gebonden en paste die uit hoofde van het gelijkheidsbeginsel ook toe op nieuw aantredende werknemers. Deze afspraak was dat gedaagde onafhankelijk van het aantal oproepen en werkzaamheden een vaste beloning voor beschikbaarheidsdiensten toepaste, gelijk aan acht arbeidsuren met een eventuele toeslag voor zaterdag (50%) en zondag (100%). Alle uren zijn beloond, maar tegen een lager loon dan het uurloon bij een gewone dienst. Dit is bij indiensttreding met iedereen, ook eiser,besproken en overeengekomen. Gedaagde biedt aan dit te bewijzen. Aldus heeft gedaagde eiser wel degelijk voor de beschikbaarheidsdienst beloond, maar tegen een lager uurtarief het normale. Eiser beroept zich op Europese jurisprudentie (HvJEG 11 januari 2007, C-437/05, JAR 2008/92). De essentie van die uitspraak is dat de werknemer beschermd moet worden tegen onvoldoende rust. Subsidiair dienen de vorderingen naar stelling van gedaagde te worden afgewezen nu de cao slechts recht geeft op beschikbaarheidsvergoeding voor de tijd doorgebracht zonder oproepwerkzaamheden en vergoeding van de gewerkte uren op basis van het normale loon. Eiser maakt niet duidelijk waarom dit voor de ten processe bedoelde beschikbaarheidsdiensten niet zou gelden. Voor het overige volhardt gedaagde in haar stellingen. 3. De beoordeling 3.1. de vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gaat de kantonrechter uit van de navolgende vaststaande feiten. Tussen partijen heeft van 1 mei 2005 tot 1 februari 2007 een arbeidsovereenkomst bestaan, krachtens welke eiser bij gedaagde als chauffeur van een bergingsvoertuig in dienst was. Onderdeel van de arbeidsovereenkomst was dat de chauffeur wachtdiensten van 15 uur werkte in de avond en nacht en op zaterdag of zondag. Eiser verbleef ter uitvoering van de wachtdienst in de vestiging van gedaagde te Maastricht, later Valkenburg aan de Geul. De ratio van de wachtdienst en eisers verblijf in deze vestiging was dat de werkgever zich jegens Rijkswaterstaat had gebonden om bij elke oproep tot hulpverlening binnen 20 minuten met een chauffeur en voertuig ter plaatse te zijn om bergingswerkzaamheden uit te voeren. Op de overeenkomst is van toepassing de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en mobiele kranen. Deze cao kent voor de beloning van wachtdiensten de regeling zoals vervat in artikel 42, luidende: "de werknemer, die opdracht heeft gekregen zich beschikbaar te houden voor de verrichte werkzaamheden, heeft het recht op de navolgende vergoeding voor de uren waarvoor hij zich overeenkomstig de opdracht beschikbaar heeft gehouden. Deze bedragen worden per 1 januari 2006 verhoogd naar € 2,07 per uur met een maximum van € 16,56 per maal. Per 1 oktober 2006 worden de bedragen verhoogd naar € 2,09 per uur en € 16,56 per etmaal. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. aan de werknemer dient vooraf te zijn meegedeeld, dat hij zich gedurende een bepaalde vooraf vastgezette tijdsruimte beschikbaar moet houden voor het verrichten van werk en verplicht is gehoor te geven aan een oproep de dienst aan te vangen. b. de werknemer komt voor beschikbaarheidsvergoeding niet in aanmerking indien er sprake is van diensttijd en hij zich in de bedrijfsruimte en/of op of rondom het voertuig bevindt. c. de werknemer komt evenmin voor de beschikbaarheidsvergoeding in aanmerking indien hij een eenmalige oproep per etmaal ontvangt om de dienst op een bepaald tijdstip aan te vangen. d. er kan geen samenloop plaatsvinden van loon en/of andere toeslagen met deze beschikbaarheidsvergoeding." Gedaagde beloonde de wachtdiensten door betaling van 8 uren arbeidstijd volgens normaal cao-loon en keerde voor het surplus van de doorgebrachte tijd waarin geen oproepwerkzaamheden werden verricht, de beschikbaarheidsvergoeding als volgens de cao uit. 3.2. het oordeel 3.2.1 Hoe ook betiteld, eiser is in opdracht van gedaagde en ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst in haar vestiging te Maastricht en later Valkenburg aan de Geul buiten zijn reguliere arbeid volgens een door de werkgever opgesteld rooster beschikbaar geweest voor werkzaamheden buiten de normale arbeidstijd, en wel in de avond en nacht, alsook op de zaterdag en zondag. De kantonrechter duidt dit hierna aan als “wachtdienst(en)”. 3.2.2. De werkgever heeft de werknemer voor deze uren opgedragen om bij elke oproep onmiddellijk met het bergingsvoertuig naar de aangegeven plaats te gaan en daar de nodige bergingswerkzaamheden te verrichten. Daartoe horen volgens gedaagde ook op de plaats van de wachtdienst uitvoeren van werkzaamheden als telefoonverkeer, administratie en laders inladen of leegmaken. 3.2.3. De werknemer stelt zich op het standpunt dat over alle uren dat hij tijdens de wachtdiensten aanwezig was, hem (alsnog) het volle cao-loon moeten worden toegekend. 3.2.4. De werkgever stelt in essentie dat de werknemer aanspraak had op de bij cao bepaalde beschikbaarheidsvergoeding over de uren dat hij niet feitelijk door oproep werkzaam was, en over de feitelijk gewerkte uren het normale (cao-)loon, e.e.a. met toepassing van voorgeschreven toeslagen voor zaterdag en zondag. Feitelijk is naar stelling van de werkgever méér dan waartoe verplicht uitbetaald, namelijk per 15 uren wachtdienst 8 uren loon, en bij een het laatste overstijgend aantal werkuren ook het meerdere. Zij acht zich niet gehouden om de niet-gewerkte uren aanwezigheid in de Valkenburgse vestiging tegen het volle uurloon te belonen. 3.2.5. Het geschil is in essentie de vraag of er differentiatie mag bestaan bij de beloning van wachtdiensten naar feitelijke arbeidsuren en naar uren dat geen arbeid werd verricht: mogen deze laatste uren omdat er geen feitelijke arbeid is verricht op een lager niveau worden beloond? 3.2.6. Op grond van HvJ EG 1 december 2005, C-14/04 (Dellas) en HvJ/EG 11 januari 2007, C-437/05 (Vorel) zijn wachtdiensten volledige arbeidstijd, waarbij de werknemer voor de uren dat hij wachtdienst (met inactieve uren) verricht wel anders mag worden beloond dan voor reguliere arbeidsuren. Het Hof geeft echter wel aan dat het hierop gerichte (belonings-)beleid ook dient te zijn uitgewerkt aan de hand van heldere en objectieve maatstaven, echter zonder verdere aanwijzing te geven wat onder heldere en objectieve maatstaven wordt verstaan. De stelling van de werkgever dat de wachtdienst gedifferentieerde beloond mag worden is op zich juist, maar de differentiatie moet gebaseerd zijn op een heldere en objectieve maatstaf. 3.2.6. De kantonrechter dient derhalve te onderzoeken of in de arbeidsovereenkomst tussen partijen een heldere een heldere en objectieve maatstaf is overeengekomen waarop de differentiatie in de beloning voor wachtdiensten is gebaseerd. 3.2.6.1. De collectief vormgegeven inhoud van de arbeidsovereenkomst kent de algemene regeling zoals vervat in art. 42 van de cao, de beschikbaarheidsvergoeding. Onderzocht moet worden of deze regeling een heldere en objectieve maatstaf geeft voor differentiatie in beloning bij wachtdienst. Direct in het oog springt de plaatsing van dit artikel: het is in de cao opgenomen in hoofdstuk XII, “vergoedingen” en niet onder de hoofdstukken V t/m X (art 16 t/m 35) over het loon. Daaruit valt af te leiden dat de cao-partijen niet beoogden de wachtdienstvergoeding als arbeidsbeloning aan te merken, maar te plaatsen in de groep tegemoetkomingen voor genoegdoening voor inconveniënten of extra’s, zoals reiskosten,verblijfkosten, verblijf buiten standplaatsscholing, studiekosten en uitkering bij overlijden. Voorts is dit artikel allerminst helder wat betreft de beschrijving van de werkzaamheden waarop het betrekking heeft en onder welke omstandigheden en op welke plaats deze verricht moeten worden. Uit de bewoording van het artikel kan niet worden opgemaakt of met wachtdienst wordt bedoeld het thuis telefonisch beschikbaar zijn voor (incidentele) oproepen voor werkzaamheden die mogelijk niet direct tot de kernactiviteiten van de onderneming behoren (bijvoorbeeld storingsdienst of inbraakmelding), of het beschikbaar zijn volgens door de werkgever bepaalde tijd en rooster, voor de duur van de normale arbeidstijd of langer, in de avond en nacht en op zaterdag en/of zondag, en daarbij fysiek in de bedrijfsruimte aanwezig te zijn, om direct en (zeer) frequent aan tot de kernactiviteit van het bedrijf behorende oproepen tot het verrichten van de reguliere arbeid te voldoen. Tussen beide vormen van wachtdienst bestaat een buitengewoon groot verschil. Niet alleen de feitelijke arbeid en arbeidsplaats verschilt hemelsbreed, ook de invloed op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer is fundamenteel verschillend. Elke wachtdiensten is per definitie buiten de normale arbeidstijd. In de lichtste vorm thuis een incidenteel telefoontje mogen verwachten is vergaand anders dan in de intensieve vorm permanent op de werkplaats aanwezig moeten zijn en continu gereed zijn om de direct arbeid behorende tot de kernactiviteit van de onderneming te verrichten. In verhouding tot de eerste, grijpt deze intensieve vorm van wachtdienst gezien de tijdstippen en omvang diep in op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. Bij het eerste type wachtdienst gaat een dermate geringe invloed op de persoonlijke levenssfeer uit, dat aanspraak op het volle loon niet in redelijke verhouding staat tot de mate van beschikbaarheid. Het tweede type wachtdienst, de intensieve, grijpt zodanig diep in op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer, dat elke lagere vergoeding dan het loon met toeslagen als volgens de cao, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is. Uit artikel 42 van de cao is onmogelijk op te maken voor welk type wachtdienst de vergoeding geldt, waardoor dit artikel niet als een heldere en objectieve maatstaf voor de differentiatie van de beloning van wachtdiensten kan worden aangemerkt. 3.2.6.2. Als tweede dient onderzocht te worden of partijen de individueel, ten gunste van de werknemer boven het cao-niveau uitstijgend, een heldere en objectieve maatstaf voor verschil in beloning van wachtdiensturen zijn overeengekomen. Niet gesteld noch gebleken is van een (ten gunste van de werknemer van de cao afwijkend) individueel aangegaan expliciet beding in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de wachtdienstbeloning. 3.2.6.2. Ten derde en tot slot dient te worden onderzocht of er anderszins feiten of omstandigheden zijn waaruit het bestaan van een duidelijke en objectieve maatstaf voor verschil in beloning van wachtdiensten voorhanden is. Partijen hebben daaromtrent niets gesteld, zodat de kantonrechter deze niet aanwezig acht. 3.2.7. De kantonrechter kan mitsdien in de onderhavige zaak niet het bestaan van een heldere objectieve maatstaf voor de gedifferentieerde beloning voor wachtdiensten vaststellen, waardoor de wachtdienst in het geheel dient te gelden als arbeidstijd en daardoor gelijk beloond moet worden als arbeid buiten wachtdienst. Aldus oordeelt de kantonrechter dat wachtdienst zoals in dit geschil aan de orde, beloond moet worden naar het overeengekomen of bij cao bepaalde uurloon keer het aantal uren van de wachtdienst, eventueel te vermeerderen met nacht-, zaterdag- of zondagtoeslagen indien dat uit de cao of de individuele arbeidsovereenkomst volgt. De kantonrechter is daarom voornemens te oordelen dat de werknemer aanspraak heeft op loon over de door hem in wachtdienst gewerkte uren over de periode vanaf 1 mei 2005 tot en met 31 januari 2007. 3.2.8. Gedaagde heeft de urenopgave van eiser gemotiveerd bestreden, ondermeer stellende dat die niet van haar afkomstig is. De kantonrechter gelast een comparitie om met partijen te bespreken of minnelijk gekomen kan worden tot vaststelling van het aantal alsnog te belonen uren. De gedaagde partij wordt verzocht om twintig werkdagen voor de comparitie aan de kantonrechter en aan de eisende partij een overzicht uit haar administratie te overleggen betreffende de volgens haar door eiser verrichte wachtdiensten. De comparitie dient tevens om een regeling te treffen. 3.2.9. Gezien de aard van de beslissing en de mogelijke verderstrekkende gevolgen voor gedaagde waar het betreft andere werknemers binnen haar onderneming, stelt de kantonrechter tegen dit tussenvonnis de mogelijkheid van hoger beroep open. 3.2.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4. De beslissing de kantonrechter: Bepaalt dat partijen in persoon en, deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd is om zo mogelijk een regeling te treffen, terwijl partijen zich desgewenst kunnen doen bijstaan door een procesgemachtigde, voor de kantonrechter zullen verschijnen op een nader te bepalen datum en uur, teneinde nadere inlichtingen te verstrekken, waarbij dan tevens kan worden bezien of een regeling tussen partijen mogelijk is; Deze datum zal gelegen zijn in de periode mei t/m juli 2009 en beide partijen, dan wel hun gemachtigden. Partijen dienen ter rolle van 29 april 2009 bij akte opgave te doen van hun verhinderdata in genoemde periode, waarna een definitief tijdstip voor de comparitie zal worden bepaald. Bepaalt dat partijen alle relevante stukken, zo mogelijk de originelen, zullen toezenden aan de griffier uiterlijk een week vóór de comparitie met een kopie aan de tegenpartij. Bepaalt dat hoger beroep van dit tussenvonnis is toegestaan. Houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus gewezen door, kantonrechter en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting op, in tegenwoordigheid van de griffier.