
Jurisprudentie
BI0266
Datum uitspraak2009-03-09
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529027-07 en13/529010-09
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529027-07 en13/529010-09
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tussenuitspraak Passage met betrekking tot gevoerde preliminaire (niet-ontvankelijkheids-) verweren, onderzoekswensen en/of voorlopige hechtenis.
Uitspraak
Tussenbeslissingen inzake [AA] d.d. 9 maart 2009
I. Preliminaire verweren
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging voor deelname aan een criminele organisatie en witwassen
Tijdstip van dagvaarding
De raadsman heeft aangevoerd – kort samengevat – dat het openbaar ministerie, gelet op de duur van het voorarrest en de omstandigheid dat de feiten die aan deze verwijten ten grondslag zijn gelegd reeds lang bekend zijn, te laat is met de vervolging van verdachte [AA] voor deze feiten.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat het aan de verdenking van deelname aan een criminele organisatie ten grondslag liggende dossier (hierna: 140 Sr-dossier) eerst onlangs is afgerond, zodat de tenlastelegging dienaangaande ook pas kortgeleden kon worden opgesteld. Het onderliggende dossier moet worden bezien als het resultaat van alle eerdere onderzoeksbevindingen, waaronder die van zeer recent, eind 2008, afgesloten onderzoeken. De rechtbank meent dat dit op zichzelf geen onredelijke uitleg geeft aan de omstandigheid dat het verwijt van deelname aan een criminele organisatie eerst thans aan verdachte wordt gemaakt.
Het witwasdossier is reeds in een eerder stadium bij de stukken gevoegd, doch onder uitdrukkelijke mededeling van de officier van justitie dat vervolging van verdachte voor dit feit werd beoogd, terwijl op geen enkel moment bij verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat alsnog van vervolging zou worden afgezien.
Gelet op de buitengewone omvang van het Passage-onderzoek, afgezet tegen de beschikbare capaciteit bij politie en justitie, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het onderzoek in de verschillende deelonderzoeken opeenvolgend heeft plaatsgevonden en dat ook de vervolgingsbeslissingen successievelijk – en (soms) in een later stadium – tot stand zijn gekomen, dan wel dat vervolgingshandelingen in een later stadium zijn uitgevoerd, zoals in de witwaszaak. Van bewuste vertraging van de kant van politie en/of het openbaar ministerie is niet gebleken. Overigens geldt dat de inhoudelijke behandeling van deze feiten eerst over een aantal maanden gepland staat. Er is derhalve, naar het zich thans laat aanzien, nog voldoende tijd om eventueel benodigde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten.
Gelijkheidsbeginsel
De raadsman heeft voorts betoogd – kort gezegd – dat vervolging ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu de medeverdachte [GlS] niet voor dit feit wordt vervolgd, terwijl uit de bewoordingen van de tenlastelegging volgt dat het openbaar ministerie genoemde [GlS] wel als een deelnemer aan de criminele organisatie aanmerkt.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooropgesteld dient te worden dat naar geldend recht krachtens het opportuniteitsbeginsel het openbaar ministerie in beginsel vrijheid van handelen toekomt in zijn vervolgingsbeslissingen. Alleen in gevallen dat een vervolgingsbeslissing evident strijd oplevert met beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel, kan dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die vervolging leiden. Daarvan is hier geen sprake. In het kader van de overeenkomst gesloten tussen het openbaar ministerie en [GlS] heeft het openbaar ministerie toegezegd, uitgaande van de juistheid en volledigheid van zijn verklaringen omtrent zijn eigen betrokkenheid, [GlS] voor niet meer feiten te vervolgen dan die welke in de overeenkomst zijn neergelegd en welke derhalve zijn meegewogen voor de in zijn zaak te formuleren strafeis. Uit de bewoordingen van de officier van justitie ter terechtzitting, gelijk hiervoor aangehaald, volgt dat het 140 Sr-dossier eerst recent en derhalve geruime tijd ná het sluiten van de overeenkomst met [GlS] gereed is gekomen en ook eerst nadien heeft geleid tot het besluit van het openbaar ministerie een aantal verdachten te vervolgen voor de deelneming aan een criminele organisatie. Ten tijde van het nemen van die vervolgingsbeslissingen, onder andere jegens [AA], kon het openbaar ministerie menen gebonden te zijn aan genoemde toezegging jegens [GlS], terwijl een dergelijke toezegging niet was gedaan jegens [AA] met wie geen overeenkomst is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hier mitsdien geen rechtens gelijke gevallen, die ertoe dwingen dat het openbaar ministerie, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet had mogen besluiten [AA] wel en [GlS] niet te vervolgen ter zake van deelneming aan een criminele organisatie.
II. Voorlopige hechtenis
Voorlopige hechtenis [AA] in zaak Nicht
De raadsman heeft de opheffing bepleit van de voorlopige hechtenis van verdachte in de zaak Nicht. Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat de nieuwste verklaring van [MH] in de zaak Agenda ongeloofwaardig is en dat dit zijn weerslag moet hebben op de waardering van haar verklaringen in de zaak Nicht, waarop de voorlopige hechtenis grotendeels is gestoeld. Daarbij heeft de raadsman aan de rechtbank in zijn algemeenheid verzocht om bij de afweging of de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven te betrekken – ten voordele van verdachte – de gang van zaken bij het samenstellen van het dossier. Het openbaar ministerie heeft de verdediging herhaaldelijk op achterstand gezet door – zo begrijpt de rechtbank het verweer – ten onrechte stukken niet of te laat aan het dossier toe te voegen, waarbij met name wordt gedoeld op de discussie omtrent de voeging van de verklaringen van getuige [getuige] en de verklaringen van zogenaamde ‘plaats delict-getuigen’ in de zaak Agenda.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verdenking, ernstige bezwaren en gronden nog in voldoende mate aanwezig om continuering van de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen. De rechtbank verwijst ter motivering in deze kortheidshalve naar haar beslissing van 25 november 2008, waarin de ernstige bezwaren uitgebreid, doch niet uitputtend, zijn verwoord. De door de raadsman geplaatste kanttekeningen bij de laatste verklaring van [MH] zijn voorshands niet van doorslaggevende betekenis voor de waardering van de bezwaren in de zaak Nicht. Voorts heeft het openbaar ministerie met name in de zaak Agenda enkele missers gemaakt bij de voeging van relevante getuigenverklaringen aan het dossier, doch deze missers zijn, naar het oordeel van de rechtbank, niet van invloed op de beoordeling van de voortduring van de voorlopige hechtenis in de zaak Nicht. Dit zou anders zijn indien deze missers aan een adequate verdediging in de zaak Nicht in de weg zouden staan. Hiervan is evenwel niet gebleken.
Vorderingen gevangenneming ten aanzien van de verwijten van deelname aan een criminele organisatie en witwassen
Het openbaar ministerie heeft jegens verdachte vorderingen gevangenneming ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen ingediend. De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze vorderingen, dan wel dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat deze vorderingen te laat zijn ingediend en/of het gerechtvaardigde vertrouwen bij verdachte is gewekt dat hij niet in voorlopige hechtenis zou worden genomen voor deze feiten, nu verdachte reeds twee jaar in voorarrest zit voor andere feiten. Voor het verwijt van witwassen geldt dat de officier van justitie ter terechtzitting van 27 augustus 2008 heeft verklaard weliswaar te hebben overwogen de voorlopige hechtenis voor dit feit te vorderen, doch daarvan af te zien omdat dat niet kies werd geacht. Niet valt in te zien waarom de voorlopige hechtenis voor dit feit thans wel kies zou zijn, aldus de raadsman.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij verwijst kortheidshalve naar hetgeen door haar hiervoor is overwogen ten aanzien van de tijdigheid van de strafvervolging door het openbaar ministerie van verdachte voor deze feiten, hetgeen eveneens in dit verband opgeld doet.
De rechtbank overweegt voorts dat de enkele opmerking van een officier van justitie ter terechtzitting van een proformabehandeling, dat het niet kies werd geacht om de voorlopige hechtenis te vorderen in de witwaszaak, niet zodanig juridisch te kwalificeren is, dat daarmee bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen kan zijn gewekt dat hij in geen enkel stadium alsnog voor dit feit voorlopig gehecht zou kunnen worden. Dat de vervolging van verdachte thans ongeveer twee jaar duurt, maakt op zichzelf een dergelijk beweerdelijk opgewekt vertrouwen evenmin gerechtvaardigd.
Nu tijdens het onderzoek ter terechtzitting de officier van justitie de gevangenneming heeft gevorderd, de rechtbank is gebleken dat er tegen verdachte ten aanzien van beide verwijten ernstige bezwaren zijn gerezen en voorts is gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, te weten, kort gezegd, recidivegevaar, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, dient verdachte dan ook gevangengenomen te worden ter zake van de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. De rechtbank zal de vorderingen derhalve toewijzen.
Vorderingen gevangenneming in de zaken Perugia en Agenda
Het openbaar ministerie heeft jegens verdachte eveneens vorderingen gevangenneming in de zaken Perugia en Agenda ingediend. De rechtbank wijst deze vorderingen af en overweegt daartoe dat zij geen termen ziet om in dit stadium van het geding het al dan niet bestaan van voldoende ernstige bezwaren om voorlopige hechtenis te rechtvaardigen, opnieuw te overwegen, nu de rechtbank voor deze zaken eerder de voorlopige hechtenis heeft opgeheven.
Verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis
Het verzoek van de raadsman tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Bij afweging van het persoonlijke belang van verdachte bij beëindiging van de voorlopige hechtenis tegenover het strafvorderlijk belang van de maatschappij bij voortduring daarvan, dient laatstgenoemd belang te prevaleren. De raadsman heeft betoogd – kort samengevat – dat de duur van de voorlopige hechtenis thans grond voor schorsing oplevert. Gelet op de buitengewone omvang van het Passage-onderzoek en de aard en de ernst van de verdenkingen, alsmede het feit dat voor verdachte duidelijkheid bestaat omtrent de planning van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – waarbij is meegewogen dat een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv nog niet aan de orde is – wordt dit verweer verworpen.
III. Onderzoekswensen
De raadsman heeft een aantal verzoeken tot nader onderzoek gedaan. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende.
• einddossier (verzoek a)
De raadsman heeft de rechtbank verzocht het openbaar ministerie aan te manen te voldoen aan de eerder gegeven opdracht zorg te dragen voor een werkbaar en compleet dossier.
De rechtbank legt dit verzoek naast zich neer, aangezien het openbaar ministerie, naar het zich thans laat aanzien, in voldoende mate aan de opdracht heeft voldaan. Voor zover de raadsman toelichting behoeft op het ordenen van aanvullende stukken, kan hij zich wenden tot de officier van justitie.
• overzicht van processen-verbaal, overgelegd tijdens proformazittingen, maar ontbrekend in het procesdossier (verzoek b)
Het verzoek om een overzicht van deze processen-verbaal, waarvan de officier van justitie heeft verklaard dat dit is opgemaakt, wordt toegewezen.
• beluisteren tapgesprekken [X] & [Y]-gesprekken Bijlmer (verzoek c)
Het verzoek om aan het openbaar ministerie een termijn te stellen om de zogenoemde [X]- en [Y]-gesprekken door de raadsman en verdachte te laten beluisteren, behoeft geen verdere bespreking, nu de officier van justitie heeft verklaard dat de mogelijkheid om deze gesprekken te beluisteren in de EBI inmiddels is gerealiseerd.
• glazen wand (verzoek d)
Op verzoek van de raadsman geeft de rechtbank wederom aan de officier van justitie in overweging het ertoe te geleiden dat, indien dit op enig moment binnen de invloedssfeer van het openbaar ministerie komt te liggen, verdachte en zijn raadsman zonder afscheidingswand contact kunnen hebben. Eerdere inspanningen van de officier van justitie op dit punt hebben echter niet tot het voor de raadsman en verdachte gewenste resultaat geleid, zodat de raadsman overigens wederom wordt verwezen naar de beklagprocedure in de EBI.
• tonen film schietproeven Kalashnikov en 3D-animatie (verzoeken e en g)
Het verzoek om het openbaar ministerie op te dragen de verdediging zo snel mogelijk in de gelegenheid te stellen om de film betreffende de schietproeven met de Kalashnikov en de 3D-animatie te kunnen bekijken, wordt afgewezen. Het komt de rechtbank geraden voor om zowel de film als de animatie eerst ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak Agenda gezamenlijk en gelijktijdig te tonen.
• Kalashnikovs beschikbaar op zitting (verzoek f)
Het verzoek te bepalen dat de veiliggestelde Kalashnikov, alsmede een Kalashnikov met houten kolf – indien beschikbaar – tijdens de behandeling van de zaak Agenda ter terechtzitting beschikbaar zullen zijn, wordt toegewezen.
• Turkse stukken (verzoek h)
De raadsman heeft verzocht om overlegging, zowel in proces-verbaal als op geluidsdrager, van enkele specifiek aangeduide tapgesprekken, die onderdeel uitmaken van de zogenaamde ‘Turkse stukken’. De rechtbank wijst dit verzoek toe voor wat betreft de schriftelijke weergave van deze gesprekken in proces-verbaal. Het verzoek om aan de raadsman een digitale geluidsdrager met bedoelde tapgesprekken ter beschikking te stellen, wordt op basis van vaste jurisprudentie afgewezen. De raadsman kan gebruik maken van het aanbod van de officier van justitie om bedoelde gesprekken af te luisteren in de EBI.
Het voorgaande geldt voor alle door de raadsman aangeduide gesprekken, met uitzondering van de tapgesprekken ‘10 februari 21.47’ en ‘30 januari (2x [Z])’, nu deze gesprekken niet door de Turkse autoriteiten beschikbaar zijn gesteld.
• CIE processen-verbaal (verzoek i)
Het verzoek om een termijn te stellen van een week voor het toevoegen van CIE processen-verbaal, behoeft geen verdere bespreking, aangezien de officier van justitie heeft verklaard dat deze stukken naar verwachting binnen genoemde termijn zullen worden verstrekt.
• geheimhoudersgesprekken (verzoek j)
Het verzoek om een termijn te stellen om de geheimhoudersadministratie in te mogen zien, behoeft geen nadere bespreking, nu de officier van justitie heeft verklaard dat de raadsman binnen de gevraagde termijn inzage krijgt in bedoelde administratie.
• honorarium raadslieden familie [H] (verzoek k)
De rechtbank ziet geen aanleiding om het openbaar ministerie op te dragen de vraag te beantwoorden of de Staat voorziet in het honorarium van de raadslieden van de familie [H], nu niet in voldoende mate aannemelijk is geworden dat beantwoording van deze vraag voor enige rechtens te nemen beslissing van belang is. Het verzoek daartoe door de raadsman wordt derhalve afgewezen.
• 112-journaal (verzoek l)
Het verzoek om toevoeging van het ‘112-journaal’ in de zaak Agenda, behoeft geen verdere bespreking, nu de officier van justitie heeft verklaard dat dit journaal, indien aanwezig, zal worden toegevoegd aan het dossier. De rechtbank vertrouwt erop dat de officier van justitie in deze voortvarend te werk zal gaan en ziet dan ook geen aanleiding voor een termijnstelling, zoals door de raadsman verzocht.
• analyses GSM's v[H] (verzoek m)
De raadsman heeft verzocht om toevoeging van de telefoonanalyses van de onder [CH] in beslag genomen mobiele telefoons. In reactie hierop heeft de officier van justitie aangegeven - zo begrijpt de rechtbank -, dat op 2 november 2005 zes mobiele telefoons in beslag zijn genomen, waarvan er slechts één aan [CH] zelf toebehoorde. Van dit toestel zijn de gegevens in de laatste aanvulling aan het dossier toegevoegd. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van deze verklaring van de officier van justitie, en overigens niet is gebleken van enig verdedigingsbelang bij toevoeging van de gegevens van de overige in beslag genomen telefoons, behoeft het verzoek voor zover het het toestel van [CH] zelf betreft geen verdere bespreking en wordt het verzoek voor het overige afgewezen.
• verklaringen [persoon 1] (verzoek n)
Het verzoek om verstrekking van alle door het openbaar ministerie als relevant aangemerkte verklaringen van [persoon 1] behoeft geen nadere bespreking, nu de officier van justitie heeft aangegeven dat deze op korte termijn in het aanvullend dossier zullen worden verstrekt.
• opgave overeenkomsten en tegenstrijdigheden PD-[H] (verzoek o)
De raadsman heeft de rechtbank verzocht het openbaar ministerie op te dragen, opgaaf te doen van de overeenkomsten en tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van [GlS] enerzijds en de tactische bevindingen in diverse zaken anderzijds, waarmee de Centrale Toetsingscommissie (CTC) en het College van Procureurs Generaal (CPG) zijn geïnformeerd in het kader van de beoordeling van de overeenkomst met de kroongetuige. Aldus tracht de verdediging in wezen inzicht te krijgen in interne beschouwingen en rechtsoordelen (ten behoeve) van organen van het openbaar ministerie.
De rechtbank is voorshands van oordeel dat de procedure welke heeft geleid tot de instemming van het CPG met de voorgenomen overeenkomst, in beginsel geen onderdeel vormt van de door de rechtbank te verrichten toetsing van de rechtmatigheid van de overeenkomst met de kroongetuige. Dit zou anders kunnen zijn indien er concrete aanwijzingen zijn dat het openbaar ministerie het CPG dan wel de CTC doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte onjuist of onvolledig heeft voorgelicht. Hiervan is niet gebleken, temeer nu de officier van justitie De Haas op 21 januari 2009 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat aan de CTC per zaak is aangegeven welke overeenkomsten en welke verschillen er bestonden tussen de kluisverklaringen en de tactische dossiers. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze verklaring.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek om het doen van bedoelde opgaaf af.
• handschriftvergelijkend onderzoek (verzoek p)
De raadsman heeft verzocht om een handschriftvergelijkend onderzoek te gelasten naar aanleiding van het door [MH] overhandigde ‘schema’ en ‘briefje met twee namen’. Dit verzoek wordt afgewezen bij gebreke van een nadere motivering.
• ter zitting ten gehore brengen van tapgesprekken [A] en [persoon 2] (verzoek q)
De raadsman heeft verzocht om het ter zitting ten gehore brengen van een tapgesprek tussen [persoon 2] en [A], teneinde te kunnen aantonen dat deze [A], anders dan het openbaar ministerie beweert, niet verdachte betreft. De rechtbank wijst dit verzoek voorshands af. Eerst kan bedoeld gesprek worden beluisterd door de raadsman op het politiebureau, dan wel – indien gewenst en zo mogelijk – door de raadsman en de verdachte in de EBI. Indien de raadsman vervolgens persisteert bij dit verzoek en het openbaar ministerie bedoeld tapgesprek als redengevend voor het bewijs wil inbrengen, zal een deskundige moeten worden benoemd voor stemvergelijkend onderzoek.
• uitwerking gesprek [JR] en GLS op geluidsdrager (verzoek r)
Het verzoek om verstrekking van een letterlijke uitwerking van een geluidsopname van een gesprek tussen [GlS] en [JR], zal worden toegewezen, indien en voor zover technisch realiseerbaar. Het verzoek om verstrekking aan de raadsman van de geluidsopname zelf wijst de rechtbank op basis van vaste jurisprudentie af.
• verzoek horen getuigen met betrekking tot dossiervorming (verzoek s)
Het verzoek om het horen van de verbalisant T-092, de tactisch coördinator en de dossiervormers, wordt afgewezen. De rechtbank verwijst naar het door verbalisant T-092 op 12 januari 2009 ambtsedig opgemaakte proces-verbaal betreffende de administratieve inrichting van het Passage-onderzoek. De rechtbank gaat uit van de juistheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. De inhoud van dit proces-verbaal, noch hetgeen overigens in dit verband door de raadsman is opgeworpen geeft voorshands enige aanleiding te veronderstellen dat sprake is of was van een werkwijze van het openbaar ministerie waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, zodat thans niet valt in te zien welk verdedigingsbelang met het horen van bedoelde getuigen is gediend.
• verzoek horen [persoon 3] en [persoon 4] (verzoek t)
Het verzoek tot het horen van [persoon 3] wordt toegewezen, met dien verstande dat de nadruk van de aan deze getuige te stellen vragen niet te zeer dient te liggen op eventuele (relatie)problemen tussen deze getuige en de kroongetuige.
Het verzoek tot het horen van [persoon 4] wordt afgewezen, nu met de enkele onderbouwing dat het om het toetsen van de betrouwbaarheid van [GlS] gaat, onvoldoende is gebleken van een verdedigingsbelang bij het horen van deze getuige.
• verzoek horen [persoon 5] en [persoon 6] (verzoek u)
Het verzoek tot het horen van [persoon 5] en [persoon 6] zal worden toegewezen.
• verzoek om horen [persoon 7] (verzoek v)
Het verzoek tot het horen van [persoon 7] behoeft geen verdere bespreking, nu [persoon 7] nog nader wordt gehoord bij de rechter-commissaris. De rechtbank gaat er van uit dat daarbij de door de raadsman in dit verband in zijn pleitnota op de pagina’s 91 tot en met 124 opgeworpen punten aan de orde zullen komen.
• verzoek toevoeging dossiers [persoon 8] en [persoon 9]
Voorts heeft de raadsman verzocht om toevoeging aan het procesdossier van het onderzoek [persoon 8], nu getuige [persoon 7] heeft verklaard dat dit onderzoek naar – onder andere – [AA] zou zijn gestart mede naar aanleiding van verklaringen van [MH] en [TvdB]. De raadsman verzoekt voorts toevoeging aan het procesdossier van het onderzoek [persoon 9], nu de officier van justitie enkele stukken uit dit onderzoek aanhaalt in het kader van de ernstige bezwaren tegen verdachte. Uit dit onderzoek zou blijken van een samenwerkingsverband op het gebied van verdovende middelen tussen verdachte en [persoon 10].
De rechtbank wijst de verzoeken af. Door de raadsman is onvoldoende onderbouwd welk belang bij de waarheidsvinding wordt gediend met toevoeging van de dossiers van de onderzoeken [persoon 8] en [persoon 9]. Ten aanzien van het dossier [persoon 9] geldt voorts, dat uit het enkele feit dat door de officier van justitie een aantal stukken uit een dossier aan de voorlopige hechtenis ten grondslag wordt gelegd, niet volgt dat daarmee het hele dossier dient te worden overgelegd. De rechtbank gaat er wel van uit dat eventuele voor verdachte relevante stukken uit de onderzoeken [persoon 8] en [persoon 9], worden toegevoegd aan het procesdossier.
Resumerend:
De rechtbank:
• wijst af de verzoeken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging;
• wijst af het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis in de zaak Nicht;
• beveelt de gevangenneming van verdachte [AA] in de zaken deelname aan een criminele organisatie en witwassen;
• wijst af de vorderingen gevangenneming in de zaken Agenda en Perugia;
• wijst af het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis;
• wijst toe het verzoek tot het horen van de getuigen [persoon 3], [persoon 5] en [persoon 6];
• gelast de toevoeging door het openbaar ministerie:
- van een overzicht van de processen-verbaal, waarvan gebleken is dat deze wel zijn overgelegd tijdens eerdere proformazittingen, maar dat zij thans ontbreken in het procesdossier;
- van door de raadsman genoemde tapgesprekken, onderdeel uitmakend van de ‘Turkse stukken’, in proces-verbaal, met uitzondering van de twee gesprekken, hiervoor genoemd;
- toevoeging van een letterlijke uitwerking van een geluidsopname van een gesprek tussen [GlS] en [JR], indien en voor zover technisch realiseerbaar;
• bepaalt dat de veiliggestelde Kalashnikov, alsmede een Kalashnikov met houten kolf, indien beschikbaar, ter terechtzitting beschikbaar zullen zijn;
• wijst af de overige onderzoekswensen;
• verwijst de zaak open terug naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde in ieder geval de getuigen [persoon 3], [persoon 5] en [persoon 6] te horen, en voorts al datgene te verrichten wat hij/zij in belang van het onderzoek nodig acht. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel wettelijk niet is voorzien in een verwijzing naar de rechter-commissaris in geval van een onderbreking gedurende de behandeling ter terechtzitting, uit proceseconomische overwegingen de wettelijke bepalingen aangaande verwijzing bij schorsing van het onderzoek ter terechtzitting hier analoog zullen worden toegepast;
• onderbreekt de behandeling van de zaak tot dinsdag 10 maart 2009 te 9.30 uur wegens de uitgebreidheid ervan.