Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0259

Datum uitspraak2009-04-03
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1915 WSF + 08/1916 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Alsnog d.m.v. een herziening weigering studiefinanciering op de grond dat betrokkene geen voltijdstijdse kappersopleiding volgde. Voor het volgen van een opleiding in deeltijd bestaat geen recht op studiefinanciering. Dit behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000, van welke hoofdlijnen iedere student wordt geacht op de hoogte te zijn.


Uitspraak

08/1915 WSF en 08/1916 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2008, 07/457 en 07/725 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 3 april 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. Th.J.F. Zeegers hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Zeegers en de IB-Groep door drs. P.M.S. Slagter. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een overzicht van het procesverloop verwijst de Raad naar rubriek 1 van de aangevallen uitspraak. Voor een overzicht van de wettelijke bepalingen waarop de in beroep bestreden besluiten zijn gebaseerd verwijst de Raad naar rubriek 2, overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. 1.2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de beroepen van appellante gericht tegen de besluiten van de IB-Groep om – door middel van herziening – appellante alsnog studiefinanciering te weigeren voor het volgen van een kappersopleiding, vast te stellen dat appellante ten onrechte studiefinanciering – waaronder een OV-kaart – heeft ontvangen en dat een schuld is ontstaan, ongegrond is. 2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat een herziening als in geding, gelet op artikel 7.1, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), slechts mogelijk is op grond van het feit dat een beschikking is genomen waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was. Naar haar mening is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat zij wist of redelijkerwijs kon weten dat haar ten onrechte studiefinanciering is toegekend. Zij heeft erop gewezen dat zij op basis van de informatie die zij had verkregen van het Opleidingsinstituut Thomas te Rotterdam, bij welk instituut zij een kappersopleiding volgde, ervan overtuigd was en ook mocht zijn dat zij recht op studiefinanciering had. 3.1. Het hoger beroep slaagt niet. 3.2. Appellante heeft een kappersopleiding gevolgd. Deze opleiding wordt aangeboden zowel in een deeltijdse als in een voltijdse variant. Na controle is gebleken dat appellante stond ingeschreven voor de deeltijdse variant. Zij heeft deze variant ook feitelijk gevolgd. Appellante had één dag per week school. Dat zij – zoals zij heeft aangegeven – soms een tweede dag de school bezocht om huiswerk te maken en te oefenen, maakt een en ander niet anders. 3.3. Voor het volgen van een opleiding in deeltijd bestaat geen recht op studiefinanciering. Dit behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000, van welke hoofdlijnen iedere student wordt geacht op de hoogte te zijn. De Raad wijst op zijn vaste rechtspraak, zoals neergelegd in onder andere zijn uitspraak van 27 februari 2004 ( LJN AO5094). 3.4. Nu appellante moet worden geacht er van aanvang af van op de hoogte te zijn geweest dat voor een deeltijdopleiding geen studiefinanciering wordt verstrekt, is voldaan aan het in artikel 7.1, tweede lid, van de Wsf 2000 opgenomen voorschrift dat de studerende redelijkerwijs had kunnen weten dat haar ten onrechte studiefinanciering is toegekend. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de informatie verstrekt door het Opleidingsinstituut Thomas kan gelet hierop niet tot een ander oordeel leiden. De Raad komt dan ook niet toe aan het antwoord op de vraag of het ter zake door appellante gestelde juist is en zo ja, of dit de IB-Groep op enige wijze zou kunnen binden. 3.5. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd. 3.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009. (get.) G. van der Wiel. (get.) A.C.A. Wit. KR