
Jurisprudentie
BI0254
Datum uitspraak2009-03-09
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529088-07 en 13/529176-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529088-07 en 13/529176-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tussenuitspraak Passage met betrekking tot gevoerde preliminaire (niet-ontvankelijkheids-) verweren, onderzoekswensen en/of voorlopige hechtenis.
Uitspraak
Tussenbeslissingen inzake [JB] d.d. 9 maart 2009
Overwegingen naar aanleiding van preliminaire verweren
Bij de beoordeling van de navolgende verweren is het volgende kader relevant. Jegens [JB] zijn twee dagvaardingen uitgebracht die ter terechtzitting van 9 februari 2009 ter gezamenlijke behandeling zijn gevoegd: de dagvaarding met parketnummer 13/529088-07 (hierna: dagvaarding A) en de dagvaarding met parketnummer 13/529176-06 (hierna: dagvaarding B). Dagvaarding A is in 2007 aan [JB] uitgereikt en dagvaarding B is, hoewel met een parketnummer van eerdere datum, in januari 2009, aan [JB] uitgereikt.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging jegens [JB] ten aanzien van een aantal feiten op dagvaarding B. De raadsman heeft hiertoe diverse verweren gevoerd, welke verweren hierna worden weergegeven en telkens direct zullen worden besproken.
Ten aanzien van feit 4 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan de poging tot moord door medeverdachten [JR] en/of [GlS]).
De raadsman heeft aangevoerd – kort samengevat – dat dit feit reeds is tenlastegelegd onder feit 1 van dagvaarding A (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan de moord door medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], hierna: feit 1). Het verweten feitelijk handelen van [JB] blijft hetzelfde, te weten: het leveren van een wapen ten behoeve van de liquidatie van de heer [TvdB]. Derhalve was de geëigende weg voor het openbaar ministerie die van een vordering wijziging tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten aanzien van feit 1. Door echter op een nieuwe dagvaarding feit 4 als een apart feit te presenteren, wordt bewust de wettelijke regeling omzeild en deze handelwijze is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de raadsman stelt, feit 4 niet ‘hetzelfde feit’ betreft als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als feit 1. In feit 4 wordt bij een andere gebeurtenis aangesloten, een tweede wapen genoemd en voorts een ander schuldverwijt jegens verdachte gemaakt. Het openbaar ministerie staat het mitsdien vrij dit verwijt in een nieuw feit neer te leggen.
Ten aanzien van feit 5 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van overdracht van wapens en munitie).
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd – kort samengevat – dat ook dit feit reeds is tenlastegelegd in feit 2 van dagvaarding A (bevattende, kort gezegd, het verwijt van medeplichtigheid aan moord door het verstrekken van een Glock en patronen en/of door naar een ander te rijden, waarna die ander een Kalashnikov en patronen heeft overhandigd, hierna: feit 2). Aangezien het feitelijk aan verdachte verweten handelen dezelfde levering van wapens en munitie betreft, wordt opnieuw de regeling van artikel 313 Sv omzeild, aldus de raadsman.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat, voor zover het betreft de in feit 5 verweten overdracht van de Glock 45 en patronen, kan worden vastgesteld dat dit verwijt reeds in feit 2 primair is neergelegd. In zoverre zal het openbaar ministerie ter zake van feit 5 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Echter voor het overige, derhalve ten aanzien van de verweten overdracht van de Kalashnikov, is het openbaar ministerie wel ontvankelijk. Immers, aan verdachte wordt hier een ander feitelijk en juridisch handelen verweten dan in feit 2 primair en subsidiair. Nu hier geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr, kan het openbaar ministerie dit als nieuw feit op dagvaarding B aanbrengen.
Ten aanzien van feit 2 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van wapenhandel, dan wel voorbereiding daartoe).
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd – kort gezegd – dat dit dossier in een zeer laat stadium van het geding is aangebracht, waardoor tijdsdruk in de procedure ontstaat die maakt dat de behandeling van de zaak op gespannen voet komt te staan met het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verband met een eerlijk proces. Het onlangs ter onderbouwing van dit feit overgelegde dossier is immers verre van volledig en bevat een misleidend proces-verbaal van relaas, zodat diverse onderzoekshandelingen noodzakelijk zijn, aldus de raadsman. Subsidiair vraagt de raadsman mitsdien om dit feit 2 (om praktische redenen tezamen met feit 1 en 3) af te splitsen.
De rechtbank verwerpt dit verweer, wijst het subsidiaire verzoek af en overweegt daartoe als volgt.
Hoewel genoemd proces-verbaal van relaas inderdaad enkele manco’s lijkt te bevatten, is daarmee niet gezegd dat het dossier onvoldoende basis zou bieden voor behandeling van de zaak. Tevens is niet gebleken dat hierbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is gehandeld. De officier van justitie heeft voorts ter terechtzitting aangekondigd op zeer korte termijn een aanvulling op het dossier te versturen, onder meer betreffende de punten die door de raadsman als onvolledig zijn aangeduid. De raadsman heeft in repliek aangegeven zijn onderzoekswensen na bestudering van deze aanvulling in te dienen. De inhoudelijke behandeling van dit feit staat eerst gepland over enkele maanden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn thans geen feiten en/of omstandigheden bekend die aanleiding geven te veronderstellen dat onvoldoende tijd resteert om in deze zaak de benodigde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten. Niet valt in te zien derhalve dat de verdachte door deze gang van zaken niet een eerlijk proces zou krijgen als bedoeld in artikel 6 EVRM, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van feit 2. Het belang van het onderzoek rechtvaardigt voorts een gevoegde behandeling van dit feit met de overige aan verdachte tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van feit 6 (bevattende, kort gezegd, het verwijt van deelneming aan een criminele organisatie).
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat – kort gezegd – dit verwijt tardief wordt gemaakt, aangezien de verdachte sedert april 2007 in voorarrest zit en de aan dit verwijt ten grondslag liggende feiten al lang bekend zijn; het openbaar ministerie heeft derhalve te lang gewacht.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat het aan dit feit ten grondslag liggende dossier (hierna: ‘artikel 140 Sr-dossier’) eerst onlangs is afgerond, zodat de tenlastelegging dienaangaande ook pas kortgeleden kon worden geconcipieerd. Het onderliggende dossier moet worden bezien als de resultante van alle eerdere onderzoeksbevindingen, waaronder die van zeer recent, eind 2008, afgesloten onderzoeken. De rechtbank meent dat dit op zichzelf geen onredelijke uitleg geeft aan de omstandigheid dat het onderhavige verwijt eerst thans aan verdachte wordt gemaakt. Gelet op de buitengewone omvang van het Passage-onderzoek, afgezet tegen de beschikbare capaciteit bij politie en justitie, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het onderzoek in de verschillende deelonderzoeken opeenvolgend heeft plaatsgevonden en dat ook de vervolgingsbeslissingen successievelijk – en (soms) in een later stadium – tot stand zijn gekomen. Van bewuste vertraging van de kant van de politie en/of het openbaar ministerie is niet gebleken. Overigens geldt dat de inhoudelijke behandeling van dit feit eerst over een aantal maanden gepland staat. Er zijn thans geen feiten en/of omstandigheden bekend die aanleiding geven te veronderstellen dat onvoldoende tijd resteert om in deze zaak de benodigde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten.
Voorts heeft de raadsman betoogd – kort gezegd – dat vervolging van [JB] ter zake van dit feit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu de medeverdachte [GlS] niet voor dit feit wordt vervolgd, terwijl uit de bewoordingen van de tenlastelegging volgt dat het openbaar ministerie genoemde [GlS] wel als een deelnemer aan de criminele organisatie aanmerkt. In antwoord heeft de officier van justitie dit laatste ter terechtzitting bevestigd.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Vooropgesteld dient te worden dat naar geldend recht krachtens het opportuniteitsbeginsel het openbaar ministerie in beginsel vrijheid van handelen toekomt in haar vervolgingsbeslissingen. Alleen in gevallen dat een vervolgingsbeslissing evident strijd oplevert met beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel, kan dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die vervolging leiden. Daarvan is hier geen sprake. In het kader van de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en [GlS] heeft het openbaar ministerie toegezegd, uitgaande van de juistheid en volledigheid van zijn verklaringen omtrent zijn eigen betrokkenheid, [GlS] voor niet meer feiten te vervolgen dan die in de overeenkomst zijn neergelegd en die derhalve zijn meegewogen voor de in zijn zaak te formuleren strafeis. Uit de bewoordingen van de officier van justitie ter terechtzitting, gelijk hiervoor aangehaald, volgt dat het ‘artikel 140-dossier’ eerst recent en derhalve geruime tijd ná het sluiten van de overeenkomst met [GlS], gereed is gekomen en ook eerst nadien heeft geleid tot het besluit van het openbaar ministerie een aantal verdachten te vervolgen voor de deelneming aan een criminele organisatie. Ten tijde van het doen van die vervolgingsbeslissingen, onder andere jegens [JB], kon het openbaar ministerie menen gebonden te zijn aan genoemde door haar gedane toezegging jegens [GlS], terwijl een dergelijke toezegging niet was gedaan jegens [JB] met wie geen overeenkomst is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hier mitsdien geen rechtens gelijke gevallen, die ertoe dwingen dat het openbaar ministerie, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet had mogen besluiten [JB] wel en [GlS] niet te vervolgen ter zake van deelneming aan een criminele organisatie.
Geldigheid dagvaarding
De raadsman heeft betoogd dat (de rechtbank begrijpt: indien de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mocht besluiten) feit 4 van dagvaarding B nietig dient te worden verklaard, omdat het strijdig is met feit 1 van dagvaarding A. Nu de beide feitomschrijvingen onderling tegenstrijdig zijn, kan verdachte zijn verdediging niet adequaat inrichten, aldus de raadsman.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Reeds omdat hier sprake is van twee verschillende feiten vermag de rechtbank niet in te zien hoe deze onderling tegenstrijdig kunnen zijn. Het komt de rechtbank voor dat het voor verdachte in redelijkheid voldoende duidelijk moet zijn wat hem, tegen de achtergrond van het dossier, onder beide feiten wordt verweten.
Overwegingen aangaande de voorlopige hechtenis
Vordering gevangenneming
Door het openbaar ministerie is een vordering gevangenneming ter zake van feit 6 van dagvaarding B (bevattende, kort gezegd, het verwijt van deelneming aan een criminele organisatie) ingediend.
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze vordering, op de volgende twee gronden die de rechtbank direct bespreekt.
a) de vordering is tardief gedaan.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Verwezen wordt kortheidshalve naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de tijdigheid van de strafvervolging door het openbaar ministerie van verdachte voor dit feit. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gevangenneming evenmin te laat ingediend.
b) de vordering is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu geen vordering gevangenneming is ingediend in de zaken jegens medeverdachten [JR] en [FR], terwijl deze verdachten eveneens voor deelname aan een criminele organisatie worden vervolgd.
De rechtbank verwerpt eveneens dit verweer. Het gelijkheidsbeginsel dwingt er in zijn algemeenheid niet toe dat het openbaar ministerie slechts kan worden ontvangen in een vordering gevangenneming, indien een dergelijke vordering eveneens is ingediend jegens alle overige medeverdachten die ook worden vervolgd voor beweerdelijke deelname aan een(zelfde) criminele organisatie. Alleen indien een dergelijk verschil in behandeling zou getuigen van (volstrekte) willekeur, zou dit mogelijk tot niet-ontvankelijkheid in de vordering leiden. Daarvan is geen sprake. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard een belang te hebben gezien bij met name verdachte [JB] (en medeverdachte [AA]) om de basis van de voorlopige hechtenis door middel van een vordering gevangenneming te verbreden. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie mede aan een vordering gevangenneming ten grondslag mag leggen de wens dat een verdachte zich gedurende de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting, tot aan zijn berechting, in voorlopige hechtenis bevindt. Niet gezegd kan worden dat de thans gevorderde gevangenneming geen enkel rechtens relevant doel dient.
Nu tijdens het onderzoek ter terechtzitting de officier van justitie de gevangenneming heeft gevorderd, de rechtbank is gebleken dat er tegen verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en voorts is gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, te weten, kort gezegd, recidivegevaar, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, dient verdachte dan ook gevangengenomen te worden.
De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen.
Verzoek opheffing voorlopige hechtenis feit 3 dagvaarding A (BILBAO)
Het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis voor dit feit, bij gebreke van voldoende ernstige bezwaren, wordt afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden en ernstige bezwaren die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid, thans nog onverkort en in voldoende mate aanwezig.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de raadsman heeft gesteld, de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv thans nog niet aan de orde.
Verzoek schorsing voorlopige hechtenis
Het verzoek van de raadsman tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Bij afweging van het persoonlijke belang van verdachte bij beëindiging van de voorlopige hechtenis, tegenover het strafvorderlijke belang van de maatschappij bij voortduring daarvan, dient laatstgenoemde belang te prevaleren.
Onderzoekswensen
De raadsman heeft een aantal verzoeken tot nader onderzoek gedaan, waaromtrent de rechtbank als volgt overweegt en beslist.
Voeging getuigenverklaringen
De raadsman heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van alle getuigenverklaringen die eerder door het openbaar ministerie vanwege inhoudelijke redenen niet aan het dossier zijn toegevoegd.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Vooropgesteld dient te worden dat naar geldend recht onder leiding en in opdracht van de officier van justitie, ten behoeve van de beantwoording door de rechter van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, een procesdossier wordt aangelegd uit de diverse onderzoeksbevindingen, ook wel ‘het onderzoeksdossier’ genoemd. De officier van justitie voegt daarbij de stukken aan het dossier toe inhoudende de resultaten van het opsporingsonderzoek die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het bewijs. Ingevolge het uitgangspunt dat het strafproces de materiële waarheidsvinding dient, gaat het bij de voeging van stukken in het strafdossier niet alleen om stukken die van belang kunnen zijn in voor verdachte belastende zin, maar uiteraard ook om stukken die redelijkerwijs van belang zouden kunnen zijn in voor hem ontlastende zin. Deze maatstaf is door de officier van justitie ter terechtzitting uitdrukkelijk onderschreven.
Gelet op dit vooropgestelde kader is het bij uitstek de taak van het openbaar ministerie het procesdossier samen te stellen op de hiervoor beschreven wijze. In beginsel kunnen rechter en overige procesdeelnemers in ons rechtsbestel erop vertrouwen dat het openbaar ministerie deze taak op magistratelijke en dus verantwoordelijke wijze ter harte neemt. In het (zeer) uitzonderlijke geval dat daaraan op gerede gronden te twijfelen valt, kan aanleiding bestaan de overlegging van (alle) onderzoeksbevindingen te gelasten teneinde de samenstelling van het procesdossier te controleren. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Weliswaar zijn inderdaad enkele missers gemaakt bij de voeging van relevante getuigenverklaringen aan het dossier, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarbij niet gebleken van een werkwijze van het openbaar ministerie waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van de zijde van het openbaar ministerie is voldoende aannemelijk gemaakt dat per abuis (door een computerstoring, door verkeerde registratie bij politie, dan wel anderszins vanwege organisatorisch falen) een aantal getuigenverklaringen – naar later bleek: ten onrechte – niet bij de stukken was gevoegd. Voorts zijn van de zijde van het openbaar ministerie voldoende inspanningen verricht om de eerder gemaakte missers te corrigeren en herhaling daarvan te voorkomen. Voor zover echter het openbaar ministerie thans nog mocht menen dat op grond van vermeende onbetrouwbaarheid bepaalde getuigenverklaringen, hoewel voor verdachte ontlastend of belastend materiaal bevattende, niet gevoegd dienen te worden bij de stukken van het procesdossier, is dit standpunt onjuist (verwezen wordt naar de discussie omtrent voeging van de verklaring van [persoon 1] van 31 januari 2008). Een dergelijke beoordeling is immers aan de rechter. De rechtbank draagt het openbaar ministerie op om dergelijke niet toegevoegde getuigenverklaringen, voor zover die verklaringen inderdaad nog voorhanden mochten zijn, alsnog (en onmiddellijk) bij de stukken van het dossier te voegen. De rechtbank heeft uit het verhandelde ter terechtzitting niet eenduidig van het openbaar ministerie begrepen of dit inmiddels al is geschied.
Foto’s/DVD’s.
Het verzoek tot toevoeging aan het dossier van het onder verdachte inbeslaggenomen beeldmateriaal (foto’s/DVD’s) behoeft geen nadere bespreking, aangezien de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard dat dit materiaal aan verdachte zal worden teruggegeven. Tot het stellen van een termijn zal de rechtbank thans niet overgaan, nu de officier van justitie heeft toegezegd dat deze teruggave op zeer korte termijn zal geschieden, waarvan de rechtbank uitgaat.
Aanvulling wapenhandeldossier
Er zal geen termijn worden gesteld voor de verstrekking van de aanvulling op het wapenhandeldossier, nu de officier van justitie heeft verklaard dat dit op zeer korte termijn zal geschieden, waarvan de rechtbank uitgaat.
BOB-stukken
Het verzoek tot toevoeging aan het dossier van het totale, zogeheten, BOB-dossier wordt afgewezen. Het gehele BOB-dossier is in papieren vorm voor alle procespartijen ter inzage beschikbaar gesteld door het openbaar ministerie. Daarnaast zijn de BOB-stukken, voor zover die voor het onderzoek in deze zaak door het openbaar ministerie van betekenis zijn geacht, gevoegd in het papieren en digitale procesdossier. Door raadsman en verdachte zijn geen gronden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat met deze regeling niet zou kunnen worden volstaan.
Horen getuigen
Het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de rechter-commissaris wordt toegewezen. Ten aanzien van laatstgenoemde getuige overweegt de rechtbank dat weliswaar deze getuige reeds eerder bij de rechter-commissaris is gehoord, maar toen was dagvaarding B (met daarop feit 3) nog niet uitgereikt.
Resumerend:
De rechtbank:
• verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging ten aanzien van feit 5 van dagvaarding B, doch uitsluitend voor zover betreffende de volgende zinsnede: “een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Glock)”;
• verwerpt de overigens door de raadsman gevoerde verweren;
• beveelt de gevangenneming van verdachte [JB] ter zake van feit 6 van dagvaarding B (het bevel gevangenneming zal bij afzonderlijke beschikking worden geminuteerd en in kopie aan dit proces-verbaal worden gehecht);
• wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 3 van dagvaarding A;
• wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;
• draagt het openbaar ministerie op de vanwege vermeende onbetrouwbaarheid niet eerder toegevoegde, doch voor het bewijs als relevant aan te merken getuigenverklaringen – voor zover die verklaringen inderdaad nog voorhanden mochten zijn – alsnog (en onmiddellijk) bij de stukken van het dossier te voegen;
• wijst toe het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2];
• wijst de overige onderzoekswensen af;
• verwijst de zaak open terug naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde in ieder geval de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen, en voorts al datgene te verrichten wat hij/zij in het belang van het onderzoek nodig acht. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel wettelijk niet is voorzien in een verwijzing naar de rechter-commissaris in geval van een onderbreking gedurende de behandeling ter terechtzitting, om proceseconomische redenen de wettelijke bepalingen aangaande verwijzing bij schorsing van het onderzoek ter terechtzitting hier analoog zullen worden toegepast;
• onderbreekt de behandeling van de zaak tot dinsdag 10 maart 2009 te 9.30 uur wegens de uitgebreidheid ervan.